Conclusie
adv.: mr. R.T. Wiegerink
adv.: J.H.M. van Swaaij
1.Feiten en procesverloop
het pand). De gemeente is de (bloot) eigenaar van de grond. Blijkens de leveringsakte van 13 juni 2012 [2] betreft het opstalrecht een bowlingcentrum annex restaurant en dienstwoning met verder toebehoren en eindigt het opstalrecht op 31 december 2022. De koopprijs bedroeg toen € 650.000,-. Als de aan koper opgelegde bijzondere verplichtingen staat in de akte opgenomen, voor zover hier van belang:
Wet Bibob) was ingetrokken. [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) was op dat moment de exploitant van de nachtclub.
Reverans). Op 17 februari 2020 is ook de aan Reverans verleende drank- en horecavergunning op grond van de Wet Bibob ingetrokken. Om die reden is Reverans ook geen exploitatievergunning verleend. Tegen beide beslissingen is Reverans bestuursrechtelijk opgekomen, maar daarop is nog niet onherroepelijk beslist.
toev. A-G) de gemeente verzocht om toestemming voor de overdracht van het opstalrecht en voor het ten behoeve van die overdracht mogen bezwaren met een hypotheek. [3]
toev. A-G) heeft de gemeente de toestemming voor de overdracht van het opstalrecht en de vestiging van een hypotheekrecht op het opstalrecht geweigerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iziet op het oordeel van het hof in rov. 5.1 dat het subsidiaire verzoek van de gemeente om een voorwaarde aan de vervangende machtiging te verbinden tardief is en buiten beschouwing wordt gelaten.
Onderdeel IIheeft betrekking op het door het hof in rov. 5.4 geschetste beoordelingskader en op de door [verweerder] aan te leveren informatie.
Onderdeel IIIkeert zich tegen de beslissing van het hof in rov. 5.9 dat de persoon van [betrokkene 1] en de omstandigheden waaronder de gemeente in het kader van de Wet Bibob met hem te maken heeft gehad, vooralsnog geen (voldoende) redelijke grond kunnen vormen voor de weigering om aan [verweerder] toestemming te verlenen voor de overdracht. Met
onderdeel IVkomt het middel op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.11 dat de gemeente in redelijkheid nu niet meer kan betogen dat het van de oorspronkelijke bestemming afwijkende gebruik van het pand een beletsel vormt voor de door [verweerder] beoogde overdracht.
Onderdeel Vheeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat ook de omstandigheid dat de beoogde overdracht vragen oproept vanwege het onlogische verband tussen de overeengekomen koopprijs en de beëindiging van het opstalrecht, in dit geval geen redelijke grond kan opleveren om [verweerder] toestemming voor de overdracht te weigeren.
Onderdeel VIis een algemene voortbouwklacht.
[…] /Hoogheemraadschap [19] heeft uw Raad geoordeeld dat de rechter die moet beslissen op een verzoek als bedoeld in art. 5:91 lid 4 BW Pro, dient te onderzoeken of de eigenaar de vereiste toestemming zonder redelijke gronden weigert. Dat brengt mee dat hij, in een geval waarin de eigenaar een voorwaarde aan zijn toestemming verbindt, moet onderzoeken of die voorwaarde redelijk is. Als hij tot het oordeel komt dat die voorwaarde niet redelijk is, kan hij de gevraagde vervangende machtiging verlenen, onvoorwaardelijk dan wel onder voorwaarden die hij wel redelijk acht. De omstandigheid dat de erfpachter toestemming voor ongewijzigde – ik begrijp: onvoorwaardelijke – overdracht heeft verzocht staat daaraan niet in de weg, aldus uw Raad. [20]
Bureau Bibob) vragen advies uit te brengen over de mate van gevaar als bedoeld in art. 3 lid 1 van Pro de Wet Bibob (art. 9 Wet Pro Bibob). Een advies van het Bureau Bibob bestaat uit een weergave van de gevonden en geanalyseerde informatie met betrekking tot het gevaar. Aan die informatie kan het betrokken bestuursorgaan vervolgens zelf zijn gevolgtrekkingen verbinden. [29] Een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak kan ook zelf onderzoek verrichten (art. 7a Wet Bibob).
Het toestemmingsvereiste biedt gemeenten zoals hiervoor vermeld weliswaar reeds de mogelijkheid om enige invloed te hebben op de persoon van de opvolger van de opstaller, maar bij die beslissing kan het Bibob-instrumentarium nog niet worden ingezet.
subonderdeel 1.2heeft het hof bovendien miskend dat de rechter zelf ook voorwaarden kan verbinden aan de verzochte toestemming. Als het hof dit niet heeft miskend dan is de beslissing van het hof in het licht van dit uitgangspunt onbegrijpelijk, althans dan had het hof in ieder geval (nader) moeten motiveren waarom het geen aanleiding heeft gezien zelf voorwaarden aan de toestemming te verbinden.
subonderdeel 1.4onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat het hof:
[…] /Hoogheemraadschap [49] zou kunnen worden afgeleid dat – zoals het onderdeel aanvoert – het hof ambtshalve een voorwaarde aan de vervangende machtiging kan verbinden, volgt uit de bestreden beschikking niet dat het hof deze mogelijkheid heeft miskend. De mogelijkheid om ambtshalve een voorwaarde aan de vervangende machtiging te verbinden betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Daarbij geldt in het algemeen dat de rechter een ruime vrijheid heeft en dat minder strenge motiveringseisen gelden. [50] In dit geval heeft het hof geoordeeld dat de gemeente de gevraagde toestemming zonder redelijke gronden heeft geweigerd en heeft het hof [verweerder] vervangende machtiging voor de overdracht verleend. Het hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien om ambtshalve een voorwaarde aan de machtiging te verbinden. Het hof hoefde m.i. niet te motiveren waarom het geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid, noch acht ik dit in dit geval onbegrijpelijk.
in de eerste plaatsdat het hof bij de weergave van de kern van de zaak en het toepasselijke toetsingskader in rov. 5.4 ten onrechte niet (mede) tot uitgangspunt heeft genomen dat [verweerder] de benodigde en relevante informatie ten behoeve van de overdracht diende aan te leveren. [51] Althansis de (kennelijke) beslissing van het hof dat de bedoelde informatie beschikbaar was, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Voortsvoert het onderdeel aan dat, voor zover het hof bij de inhoudelijke behandeling van het geschil is ingegaan op de door [verweerder] in appel wel naar voren gebrachte informatie, en die informatie kennelijk afdoende heeft geacht, het hof – in het licht van de door de gemeente gemotiveerde betwisting van de stelling van [verweerder] dat er voldoende informatie beschikbaar was [52] – niet duidelijk heeft gemaakt waarom die informatie afdoende was. [53] In dit verband is het hof ten onrechte zonder (nadere) motivering voorbijgegaan aan de volgende (essentiële) stellingen van de gemeente:
voortbouwklachtdat, in het licht van de hiervoor vermelde stellingen, de beslissingen van het hof in rov. 5.9 (dat de gemeente de verweren van [verweerder] niet of onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken) en rov. 5.12 (dat de omstandigheid dat de door [verweerder] beoogde overdracht de nodige vragen oproept vanwege het onlogische verband tussen de koopprijs en de beëindiging van het opstalrecht per 31 december 2022, geen redelijke grond oplevert om toestemming te weigeren) evenmin in stand kunnen blijven.
stellingen (i) en (ii)uit het verweerschrift in appel hebben betrekking op de verschaffing, destijds, van informatie en uitleg aan de gemeente; op deze stellingen behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan. De
stellingen (iii) en (iv)zien op de nadere (financiële) informatie die [verweerder] in appel heeft verschaft. Deze zijn door het hof (impliciet) verworpen in rov. 5.12. Het hof oordeelt daar immers dat [verweerder] en [betrokkene 1] ieder zelf een eigen commerciële afweging hebben gemaakt en toekomstige onzekerheden hebben ingecalculeerd, dat de gemeente geen partij is bij de afspraken tussen [verweerder] en [betrokkene 1] , en dat de gemeente haar eventuele bezwaren tegen de persoon van [betrokkene 1] na de overdracht rechtstreeks tegen hem in stelling kan brengen.
die redelijkerwijs doen vermoedendat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die samenhangen met het desbetreffende onroerend goed. Die enkele vermoedens zijn naar het oordeel van het hof in dit geval onvoldoende voor een weigering. [verweerder] heeft voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waarmee het jegens [betrokkene 1] bij de toetsing aan de Wet Bibob ontstane vermoeden van betrokkenheid bij strafbare feiten met betrekking tot het pand zou kunnen worden weerlegd, of in elk geval kan worden genuanceerd. De jegens hem in 2015 ontstane vermoedens heeft [betrokkene 1] in de kiem gesmoord door zijn banden met een betrokken derde af te snijden. Daarna is de Wet Bibob niet meer tegen hem persoonlijk in stelling gebracht. Behalve een tot een geringe boete geleid hebbende veroordeling wegens overtreding van artikel 13 van Pro de Wet Wapens en Munitie (WWM) heeft [betrokkene 1] geen andere strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam staan. De door de Gemeente overgelegde TCI informatie over mogelijke witwaspraktijken van [betrokkene 1] is voorts onvoldoende concreet en verifieerbaar om op voorhand, zonder bijkomende aanwijzingen, ervan uit te gaan dat die informatie als vaststaand heeft te gelden. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat de persoon van [betrokkene 1] , en de omstandigheden waaronder de Gemeente in het kader van de Wet Bibob met [betrokkene 1] te maken heeft gehad, vooralsnog geen (voldoende) redelijke grond kunnen vormen voor de weigering om aan [verweerder] toestemming te verlenen voor de door hem beoogde overdracht.”
in de eerste plaatsdat het hof met dit oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof daarmee heeft bedoeld dat de Wet Bibob nimmer een redelijke grond kan vormen voor een weigering toestemming te verlenen, omdat de Wet Bibob al kan worden ingezet als sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die samenhangen met het onroerend goed. Het hof heeft dan miskend dat het naleven van de doelen die met de besluitvorming op grond van de Wet Bibob worden nagestreefd, een valide reden kan vormen voor de weigering om medewerking te verlenen aan de overdracht van het opstalrecht, ondanks het feit dat de Wet Bibob al kan worden ingezet als sprake is van een redelijk vermoeden van een relatie van de betrokkene tot strafbare feiten. [59]
rechtstreekskan worden ingezet bij de overdracht van een opstalrecht, de omstandigheden die in het kader van de Wet Bibob hebben geleid tot intrekking van de drank- en horecavergunning of het niet verlenen van een exploitatievergunning, bij de aan de gemeente gevraagde toestemming
wel een (belangrijke) rol kunnen spelen.
redelijkerwijs doen vermoedendat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die samenhangen met het desbetreffende onroerend goed. Deze overweging is in cassatie niet bestreden. Het hof oordeelt – samengevat – dat die enkele vermoedens
in dit gevalonvoldoende zijn voor een weigering, omdat [verweerder] voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waarmee het vermoeden kan worden weerlegd, of in elk geval genuanceerd, en de gemeente deze feiten en omstandigheden niet of onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Als gevolg daarvan heeft het hof geoordeeld dat de persoon van [betrokkene 1] , en de omstandigheden waaronder de gemeente in het kader van de Wet Bibob met [betrokkene 1] te maken heeft gehad, vooralsnog geen (voldoende) redelijke grond vormen voor de weigering om aan [verweerder] toestemming voor overdracht te verlenen.
nooiteen redelijke grond kan vormen voor een weigering om toestemming te verlenen voor een overdracht van een opstalrecht. Het hof heeft geoordeeld dat de vermoedens die voortvloeien uit de adviezen op grond van de Wet Bibob
in dit gevalonvoldoende zijn voor een weigering.
eerste,
tweedeen
vierde klachtuit subonderdeel 3.1 falen. De
derde klacht, die inhoudt dat het hof onvoldoende gewicht aan een bepaalde omstandigheid heeft toegekend, vraagt in wezen om een nieuwe feitelijke beoordeling. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats.
subonderdelen 3.2 t/m 3.5worden diverse motiveringsklachten aangevoerd tegen het oordeel van het hof in rov. 5.9.
vanwege de relatie tot [betrokkene 1]; [63]
stelling ien
stelling vgeldt dat het hof deze stellingen expliciet heeft genoemd bij de weergave van het standpunt van de gemeente in rov. 5.6. Hieruit volgt dat het hof deze stellingen heeft meegewogen in zijn belangenafweging in rov. 5.9.
stelling vi) staat tussen partijen vast en is door het hof ook genoemd in rov. 5.8. Het hof hoefde deze omstandigheid dan ook niet nogmaals expliciet te noemen bij zijn belangenafweging in rov. 5.9.
stelling iv), hoefde het hof naar mijn mening niet te betrekken in de belangenafweging in rov. 5.9. Het gaat in deze procedure immers om de vraag of de gemeente de overdracht van het opstalrecht door [verweerder] aan [betrokkene 1] op redelijke gronden heeft geweigerd, en niet om de vraag of [betrokkene 1] de onroerende zaak aan Reverans mocht onderverhuren.
subonderdeel 3.3is de overweging van het hof dat de TCI informatie onvoldoende concreet en verifieerbaar is, onbegrijpelijk, aangezien de verbalisant de verstrekte informatie over [betrokkene 1] als betrouwbaar heeft aangemerkt [69] en erop heeft gewezen dat de tip betrekking heeft op drugshandel. [70] Voortsis de overweging van het hof dat geen sprake is van bijkomende aanwijzingen volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, aangezien (onder meer) uit de door het hof in rov. 5.6 vermelde omstandigheden volgt dat er tal van bijkomende aanwijzingen waren. Het hof had in ieder geval nader moeten motiveren waarom er geen sprake zou zijn van bijkomende aanwijzingen.
Voortsis in dit verband onbegrijpelijk dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van de gemeente dat een VOG geen compleet beeld schetst van een persoon, omdat bij afgifte daarvan geen rekening wordt gehouden met lopende onderzoeken naar een persoon. [73]
subonderdeel 3.5aan dat het hof de in rov. 5.6, 5.9 en de vorige subonderdelen vermelde door de gemeente aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beschouwd, en dat het hof daardoor niet het juiste beoordelingskader heeft gehanteerd.
Althansis de beslissing van het hof dat de gemeente de stellingen van [betrokkene 1] niet of onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
eerste klachtvan het subonderdeel faalt, omdat het hof bij zijn oordeel in rov. 5.9 wel degelijk de door partijen aangevoerde omstandigheden in onderlinge samenhang heeft beschouwd. De
tweede klachtbetreft een herhaling van eerdere klachten, en voldoet bovendien niet aan de aan een motiveringsklacht te stellen eisen.
eerste klachtvan het subonderdeel is onbegrijpelijk en voldoet daarom niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. De oorspronkelijke bestemming waar het hof in rov. 5.11 aan refereert is immers een bowlingcentrum (annex restaurant), en geen partycentrum. [76] Bovendien is de klacht geformuleerd als rechtsklacht (‘miskend’), maar lijkt in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling te worden gevraagd, waarvoor in cassatie geen plaats is.
tweede klachtfaalt eveneens, omdat de in het subonderdeel genoemde stellingen niet relevant zijn voor het oordeel van het hof over het door de gemeente gebruikte argument dat met het door [betrokkene 1] beoogde gebruik in strijd wordt gehandeld met de privaatrechtelijke bestemming van het opstalrecht.
subonderdeel 4.2is aangevoerd dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de (essentiële) stelling van de gemeente dat uit de enkele omstandigheid dat de gemeente niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen het afwijkende gebruik van het pand, niet kan worden afgeleid dat zij het tekortschieten door [verweerder] heeft aanvaard, dan wel dat het oordeel van het hof in het licht van deze stelling onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. [77]
subonderdeel 4.4is de door het hof aan de in de leveringsakte opgenomen formulering ‘voor zover die zo zijn ingericht’ gegeven uitleg onbegrijpelijk, in het licht van de stellingen van de gemeente dat:
in de eerste plaatsmiskend dat het niet mogelijk was om gebruiksvoorwaarden aan de vergunning te verlenen. Het ging immers om drank- en horecavergunningen, waarvoor geldt dat als zich geen weigeringsgronden voordoen, de gemeente die moet verlenen. [83] Het hof heeft
bovendiende rechtspraak van de Hoge Raad over het onderscheid tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke toestemming miskend. [84] Dit onderscheid brengt mee dat verleende (publiekrechtelijke) vergunningen niet zonder meer een privaatrechtelijke toestemming tot een bepaald bijzonder (van de opstalvoorwaarden afwijkend) gebruik impliceren.
Voortsvoert het onderdeel aan dat, als het hof dat niet heeft miskend, diens beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
Ookgaat het hof met zijn overweging dat door het verlenen van de vergunningen het van de oorspronkelijke bestemming afwijkende gebruik mogelijk werd gemaakt, volledig voorbij aan de grondslag op grond waarvan deze vergunningen zijn verleend. Bij deze vergunningen wordt niet getoetst of het beoogde gebruik privaatrechtelijk is toegestaan, maar wordt slechts getoetst of wordt voldaan aan de eisen van de Drank- en horecawet (thans genaamd Alcoholwet). Dat de nachtclub privaatrechtelijk niet is toegestaan zou nooit een argument kunnen zijn geweest om de vergunningen te weigeren.
Bovendienkonden geen voorwaarden aan de vergunningen worden verbonden, omdat uitsluitend voorwaarden aan een vergunning kunnen worden verbonden met het oog op het belang waarvoor de vergunningplicht in het leven is geroepen.
eerste klachtvan het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het subonderdeel verwijst immers niet naar vindplaatsen waaruit volgt dat de gemeente in feitelijke instanties heeft aangevoerd dat het niet mogelijk was om gebruiksvoorwaarden aan de vergunning te verlenen. In de vindplaats waar het subonderdeel wel naar verwijst (verweerschrift appel, nr. 101) is een dergelijke stelling niet te lezen.
zonder meerook een (privaatrechtelijke) toestemming tot een bepaald gebruik impliceert, maar heeft dit als een van de relevante omstandigheden meegenomen in zijn belangenafweging. Daarmee is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dit betekent dat ook de
tweede klachtfaalt. Het door het subonderdeel bestreden oordeel van het hof acht ik bovendien niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat ook de
derde klachtniet slaagt.
laatste klachtfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 3.11 wel degelijk heeft onderkend dat sprake is van gebonden besluiten. Bovendien ontbreekt bij deze klacht opnieuw een verwijzing naar vindplaatsen waaruit volgt dat de gemeente deze standpunten in feitelijke instanties naar voren heeft gebracht.
subonderdeel 4.7is het hof bovendien voorbijgegaan aan de (essentiële) stelling van de gemeente dat [verweerder] in verband met de beoogde overdracht voornemens is tekort te schieten in de verplichting aan de gemeente toestemming te vragen voor het vestigen van een hypotheekrecht.
in strijd met de privaatrechtelijke bestemmingvan het opstalrecht en de geldende opstalvoorwaarden, een redelijke grond voor weigering betreft.
ten eerstedat het hof met zijn beslissing in rov. 5.12 ten onrechte en op onbegrijpelijke gronden voorbijgaat aan de (essentiële) stellingen van de gemeente dat:
Voortsis aangevoerd dat het hof, met zijn overweging dat de gemeente haar eventuele bezwaren tegen de persoon van [betrokkene 1] nog altijd rechtstreeks tegen hem in stelling kan brengen, de ratio van het toestemmingsvereiste van art. 5:91 BW Pro miskent.
Tot slotis de beslissing van het hof volgens het onderdeel onjuist althans onbegrijpelijk omdat de gemeente na de overdracht van het opstalrecht in een goederenrechtelijke verhouding tot [betrokkene 1] zou staan, zodat het kwaad dan al is geschied.