Conclusie
Nummer20/03783
Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
hij in de periode van 20 maart 2014 tot en met 10 april 2014 te Breda en te Vught, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 3] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van 20.000,- Euro of 10.000,- Euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met zijn mededader(s),
Bewijsmiddelen
Kort nadat beide verdachten waren afgevoerd, werden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op het parkeerterrein van het Amrath Hotel Brabant te Breda aangesproken door een man, die vertelde dat hij op Marktplaats.nl een huis te koop had staan in Frankrijk, dat hij daarover contact had gehad met een [alias 1] en nu een afspraak had in het Amrath Hotel Brabant te Breda over de verkoop.
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bevat de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde – mede in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd.
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof bij de drie bewezenverklaarde feiten (telkens) ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sprake is van een begin van uitvoering van het misdrijf oplichting. In de toelichting wordt aangevoerd dat ‘bij geen van de bewezenverklaarde feiten een definitieve afspraak heeft plaatsgevonden, waarbij de deal met betrekking tot hetgeen op Marktplaats werd aangeboden (zogenaamd) zou worden afgerond en waarbij aangever tot de feitelijke afgifte van een geldbedrag zou worden bewogen’. Er moesten ‘daadwerkelijk nog verschillende stappen gezet worden, waarbij ook nog nieuwe handelingen moesten worden verricht die uiteindelijk’ zouden hebben moeten leiden tot de afgifte van het geld. De bewezenverklaarde handelingen zouden niet in voldoende concrete mate gericht zijn geweest op de voltooiing van de oplichting van aangevers.
NJ1979/296, waar de steller van het middel naar verwijst. In die zaak was de verdachte eveneens veroordeeld voor een poging tot oplichting. Die bestond erin dat de verdachte bij een assurantiekantoor een aanvraag tot een geldlening had gedaan en daarbij een valse naam had opgegeven en een schriftelijk stuk had getoond met cijfermatige gegevens die betrekking zouden hebben op een door hem gedreven bedrijf, onder het briefhoofd van ‘Accountantskantoor K.J. van Schaik, Amsterdam, W. de Zwijgerlaan 104’. Getuige Dorshorst, die het assurantiekantoor samen met haar echtgenoot dreef, ontdekte dat op gemeld adres geen accountantskantoor gevestigd was, kreeg argwaan en heeft op die grond besloten aan het verzoek om een geldlening geen gevolg te geven. In cassatie werd onder meer geklaagd dat geen sprake was van een begin van uitvoering omdat enerzijds nog geen beslissing was genomen om het geld aan de verdachte te verstrekken en anderzijds de verdachte nog meerdere handelingen zou moeten verrichten voordat de gevraagde geldlening aan hem verstrekt zou worden. Uw Raad oordeelde dat de bewezenverklaarde gedragingen ‘zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het misdrijf oplichting daar zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf’.
NJ2015/403 m.nt. Keijzer. In deze zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte naar aanleiding van een op internet geplaatste advertentie waarin een vuurwapen werd aangeboden telefonisch contact had gezocht met de verkoper. Daarbij had hij de verkoper gerichte vragen gesteld over het aangeboden vuurwapen en de bijbehorende munitie. En hij had aangegeven het wapen daadwerkelijk te willen kopen. Daarmee had de verdachte volgens het hof ‘geprobeerd een overeenkomst te sluiten die tot het door hem voorhanden krijgen/hebben van het vuurwapen zou leiden’. De verkoper was echter niet bereid het vuurwapen te leveren toen hem bleek dat de verdachte geen verlof voor het bezit van een vuurwapen had. A-G Spronken concludeerde tot vernietiging: het enkel telefonisch informeren naar een eventueel te kopen wapen stond nog heel ver af van het daadwerkelijk voorhanden hebben van dat wapen. Uw Raad dacht daar anders over en overwoog dat gelet op de vermelde vaststellingen ‘het kennelijk oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het delict dat bestaat in het voorhanden hebben van een vuurwapen en dat die gedragingen dus moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en ‘de gevoerde verweren in aanmerking genomen’ evenmin onbegrijpelijk was. [9]
NJ2016/318 m.nt. Rozemond. Daarin was bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het misdrijf om opzettelijk een hoeveelheid hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland te brengen een voertuig (een Seat Toledo) had gekocht, dat voertuig had laten voorzien van een dubbele bodem, zich ter beschikking had gesteld om als koerier verdovende middelen te vervoeren, door mededaders gegeven aanwijzingen had opgevolgd, het voertuig in ontvangst had genomen en dat voertuig naar Marokko had gereden. Uw Raad leidde uit ’s hofs overwegingen af dat volgens het hof van een begin van uitvoering sprake was ‘op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok’. Uw Raad achtte dat oordeel ‘zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat ook van de overige bewezenverklaarde gedragingen niet kan worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds in voldoende concrete mate gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj’.