Conclusie
[eiser]respectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding
2.Feiten
hof). [1]
bedrijfsterrein).
rechtbank). Hij heeft betaling gevorderd van € 26.198,36, volgens [eiser] de bouwkosten van het chalet, te vermeerderen met rente en proceskosten. Aan deze vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat het chalet niet zomaar kan worden verwijderd, omdat het duurzaam met de grond is verenigd en naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. [verweerder] is, aldus [eiser], dan ook door natrekking eigenaar geworden van het chalet en daardoor ongerechtvaardigd verrijkt.
deskundige), tot deskundige benoemd met de opdracht de hiervoor vermelde vraag te beantwoorden.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
vonnis). [verweerder] vordert in hoger beroep – samengevat – dat het hof het vonnis vernietigt, de vorderingen van [eiser] alsnog afwijst en [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
arrest). Tegen [verweerder] is verstek verleend. [eiser] heeft een schriftelijke toelichting gegeven.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
In zijn arrest van 9 december 2011 overweegt de Hoge Raad als volgt:
Zij behoefde immers slechts de feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat zij schade heeft geleden. Deze stelplicht behoefde in het onderhavige geval, waarin de man onrechtmatig de auto van de vrouw aan een derde heeft verkocht, niet aan bijzondere eisen te voldoen. Dat ook het hof van oordeel was dat de vrouw aan deze stelplicht heeft voldaan blijkt, zoals het onderdeel terecht aanvoert, uit hetgeen het hof overweegt in rov. 22. Het hof had bij die stand van zaken hetzij de zaak naar de rol moeten verwijzen voor uitlating over de omvang van de schade, hetzij,
nu de mogelijkheid van schade in de gegeven omstandigheden zonder meer aannemelijk is, partijen naar de schadestaat moeten verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd, hetzij, indien het van oordeel was dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, de omvang van de schade op de voet van art. 6:97 BW Pro moeten schatten.” [8]
Het hof heeft het bestaan van schade, bestaande in te veel betaalde overnamesom en managementvergoedingen,
kennelijk aannemelijk geacht, nu het in zijn tussenarrest WEA heeft verzocht om een lijst op te stellen van de uren die onder de door haar aangehaalde codes als declarabele uren van [verweerder] zijn geadministreerd, terwijl het in werkelijkheid uren van het personeel heeft betroffen. Het hof heeft vervolgens in het eindarrest geoordeeld dat het door WEA overgelegde overzicht niet kan worden gevolgd en dat bij gebreke van andere aanknopingspunten niet kan worden vastgesteld welk aantal uren [verweerder] onder de bedoelde codes ten onrechte heeft geschreven. Uit de overwegingen van het hof in dat arrest is niet af te leiden dat het hof is teruggekomen van zijn oordeel
dat het bestaan van schade aannemelijk is. Het hof had bij die stand van zaken, nu het kennelijk van oordeel was dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, de omvang van de schade, al dan niet na nadere instructie, op de voet van art. 6:97 BW Pro moeten schatten, dan wel partijen naar de schadestaatprocedure moeten verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211, NJ 2011/601).” [9]
[…]
niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden, is dat oordeel in het licht van hetgeen de koper heeft aangevoerd zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Voor zover die overwegingen het oordeel zouden inhouden dat
wel aannemelijk is dat schade is geleden, maar dat de vordering desondanks moet worden afgewezen omdat het hof onvoldoende gegevens had om de schade te bepalen, kan dat oordeel evenmin in stand blijven. Het hof heeft dan miskend dat het, al dan niet na nadere instructie, de schade op de voet van art. 6:97 BW Pro had moeten schatten indien het van oordeel was dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, dan wel partijen naar de schadestaatprocedure had moeten verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd. [10] ” [11]
[verzoekster] diende de feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat zij schade in de vorm van gederfde inkomsten heeft geleden. Het hof heeft niet geoordeeld dat [verzoekster] in zoverre niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Het heeft immers tot uitgangspunt genomen dat het letsel heeft geleid tot een vertraging van drie jaar bij de opstart van het bedrijf van [verzoekster] en dat dit tot verlies van inkomsten heeft geleid. Het hof heeft de vordering ter zake van gederfde inkomsten afgewezen omdat [verzoekster] naar zijn oordeel enerzijds niet voldoende aannemelijk heeft weten te maken welk inkomen zij zonder het oogletsel met haar bedrijf zou hebben kunnen genereren en anderzijds onvoldoende inzicht heeft gegeven in andere door haar genoten inkomsten dan die uit haar bedrijf. Het hof had bij die stand van zaken, nu het kennelijk van oordeel was dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, de omvang van de schade, al dan niet na nadere instructie, op de voet van art. 6:97 BWC Pro moeten schatten. [12] […]” [13]
moetde rechter, al dan niet na nadere instructie, de schade op de voet van art. 6:97 BW Pro schatten indien hij van oordeel is dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, dan wel partijen naar de schadestaatprocedure verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk is gevorderd. [19]
Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof kennelijk van oordeel is dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest en faalt het daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof is immers, anders dan het middel stelt, niet kennelijk tot het oordeel gekomen dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, maar tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat in dit concrete geval schade is geleden. Bij die stand van zaken kwam het hof niet toe aan het, al dan niet na nadere instructie, op de voet van art. 6:97 BW Pro schatten van de omvang van de schade, dan wel verwijzing naar een schadestaatprocedure.
Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof van [eiser] heeft verlangd dat hij zou stellen en onderbouwen wat de waarde van het chalet, of de onderdelen daarvan waaruit het was opgebouwd, was op het moment van het verwijderen daarvan en dat hij het chalet, of onderdelen daarvan, na dit te hebben afgebroken en afgevoerd elders te gelde had kunnen maken of zelf had kunnen gebruiken, en dat de baten daarvan zouden hebben opgewogen tegen de door hem met het afbreken en afvoeren van het chalet te maken kosten, gaat het ook uit van een verkeerde lezing van het arrest en faalt het daarmee eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag. De steller van het middel bestrijdt niet dat de waarde in het economisch verkeer van het te ontmantelen chalet (en niet de door [eiser] gestelde en door [verweerder] gemotiveerd betwiste bouwkosten van het chalet van € 26.198,36) beslissend is voor de begroting van de schade en dat [eiser] over die waarde, zoals het hof in r.o. 4.6 overweegt, “niets” heeft gesteld. Het middel verwijst overigens ook in het geheel niet naar vindplaatsen in de gedingstukken van [eiser], waaruit het tegendeel zou (kunnen) blijken. Bij die stand van zaken heeft het hof m.i. niet te hoge eisen gesteld aan de op [eiser] rustende plicht feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat hij schade heeft geleden. Aan die stelplicht kunnen weliswaar geen hoge eisen worden gesteld (zie onder 4.4 hiervoor), maar met “niets” wordt die lat evident niet gehaald.
Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat [eiser] wel aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan, omdat aan de hand van de gestelde bouwkosten van het chalet van € 26.198,36 niet zou zijn uitgesloten dat [eiser] door amotie van het chalet door [verweerder] mogelijk schade heeft geleden, wijs ik erop dat de
mogelijkheiddat schade is geleden weliswaar voldoende is voor de verwijzing naar een schadestaatprocedure, maar de rechter daartoe niet verplicht. De mogelijkheid dat schade is geleden is onvoldoende voor het aannemelijk achten dat schade is geleden. Pas als aannemelijk is dat schade is geleden, bestaat de
verplichtingvoor de rechter om naar een schadestaatprocedure te verwijzen of de omvang van de schade, al dan niet na nadere instructie, op de voet van art. 6:97 BW Pro te schatten (zie onder 4.4 hiervoor).
Het middel dient dus te falen. Het hof heeft m.i. niet te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van [eiser] ter zake van de omvang van de door hem geleden schade en heeft zijn uit art. art. 6:97 BW Pro voortvloeiende taak daarmee dus ook niet miskend.
[eiser] meldt dat hetgeen door taxateur verwoord niet juist is; het zou geen verouderd chalet zijn met deels verrotte kozijnen. Taxateur heeft die conclusie getrokken op basis van de door [verweerder] gestuurde foto’s. In de door [eiser] gestuurde foto’s ziet taxateur het beeld van een verouderde stacaravan waar blijkbaar een schil van nieuw hout omheen is gebouwd. Taxateur ziet dan ook geen reden om de gebruikte kwalificaties te herzien”.