Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel keert zich tegen de bewijsconstructie met de klacht dat niet is voldaan aan artikel 342, tweede lid Sv, doordat het hof het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangever. Alvorens het middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring van dit feit, de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof weer.
dezeuit de onderbroek van die [slachtoffer 2] heeft gehaald en
de verdachte:
[slachtoffer 2] :
tweedemiddel klaagt dat de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, inhoudend dat de verdachte ervoor zorgt dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene die kennis draag van de veroordeling van de veroordeelde, niet toelaatbaar is, aangezien dit geen het gedrag van de veroordeelde betreffende voorwaarde zou betreffen als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14o, Sr.
NJ2015/431. In die zaak werd de verdachte wegens (kort gezegd) verkrachting en ontucht met een minderjarige, beide meermalen gepleegd, veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van vijf jaren. Eén van die bijzondere voorwaarden hield in ‘dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) van de veroordeelde’. Uw Raad oordeelde dat deze voorwaarde in strijd was met art. 14c, tweede lid onder 14o, Sr, ‘omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde of in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig zullen zijn.’ De steller van het middel betoogt dat dit ook geldt voor de in de onderhavige zaak door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, nu deze niet zozeer op het gedrag van de verdachte als wel ‘op het gedrag van de minderjarige of van de volwassene’ ziet.
NJ2016/329 was onder meer de bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd (kort gezegd) op geen enkele wijze over zijn ex-partner en kinderen mocht uiten behoudens ten behoeve van gerechtelijke procedures en in gesprekken met instanties die daarbij betrokken waren. Uw Raad oordeelde dat deze voorwaarde gelet op de duur en de mate waarin zij de verdachte in zijn uitingsvrijheid beperkte, in strijd was met art. 14c, tweede lid onder 14o, Sr, en nam daarbij mede in aanmerking dat de voorwaarde ook in de weg stond aan uitingen door de verdachte die in het licht van de genoemde maatstaven (bevorderen goede levensgedrag; uit oogpunt maatschappelijke betamelijkheid gehouden) ‘niet ontoelaatbaar moeten worden geacht, waaronder uitingen over zijn ex-partner en zijn kinderen in persoonlijke of medische kring’. In HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392,
NJ2017/389 was onder meer de bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zou opnemen, zoeken of hebben met beide slachtoffers ‘dan wel relaties van voornoemde personen’. Uw Raad oordeelde dat in deze voorwaarde voor zover zij betrekking had op ‘relaties van voornoemde personen’ niet een voldoende precies gedragsvoorschrift was geformuleerd en vernietigde de bijzondere voorwaarde in zoverre. In HR 1 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1347,
NJ2021/182 m.nt. Vellinga liet Uw Raad evenwel een voorwaarde in stand die inhield dat de verdachte gedurende de proeftijd ‘enkel contact heeft met (zijn) kinderen onder toeziend oog van hulpverlening/andere volwassenen, indien en voor zover de reclassering dit nodig acht’.