Conclusie
Nummer19/05868 P
middelricht zich met een aantal deelklachten tegen de begrijpelijkheid van de vaststelling van het voordeelsbedrag.
concreteomstandigheden van het geval
daadwerkelijkheeft behaald’, licht de steller van het middel vervolgens per locatie nader toe waarom de schatting van het hof onbegrijpelijk is, mede in het licht van hetgeen ter zake als verweer is aangevoerd.
“€ 10.000,- [betrokkene]”, vermeld in een ringbandschrift aangetroffen bij een doorzoeking van de woning van één van zijn medeverdachten (bewijsmiddel 8);
“een katvangertje is”en
“per hok € 10.000,- beurt om ‘m bij te houden”(bewijsmiddel 9);
“Hilversum II heb ik bijgehouden, daar heb ik water gegeven en spandiensten verricht. Ik kreeg daarvoor € 10.000,-, iedere twee maanden. Daar moest ik water voor geven, knippers ophalen in een auto en als er iets kapot ging moest ik dat repareren”(bewijsmiddel 25);
“Er was één keer een oogst en de tweede keer stond justitie er”(bewijsmiddel 26);
“Die heb ik ook bijgehouden. Voor hetzelfde bedrag. Ik ben gevraagd hand- en spandiensten te verrichten”(bewijsmiddel 27).
onderlinge verband en samenhangde aannemelijkheid onderbouwen. Voor zover het middel klaagt dat het hof de verklaringen van de betrokkene heeft gedenatureerd door zijn verklaringen uit hun context te halen en te extrapoleren naar ‘een gehele periode en meer oogsten’, faalt het dan ook. [7] Daarnaast wijs ik erop dat de verklaringen van de betrokkene niet op zichzelf staan, maar steun vinden in de bewijsmiddelen 8 en 9. Bovendien is deze ‘standaardvergoeding’ per oogst ter terechtzitting niet namens of door de betrokkene weersproken. Derhalve kan in cassatie niet voor het eerst worden geklaagd over dit uitgangspunt van het hof. Tot zover de eerste deelklacht.
Locatie Veenendaal I
“op de foto’s zichtbaar is dat in kweekruimte F brand heeft gewoed en dat er indicatoren zijn die duiden op een eerdere oogst”. [12]
Locatie Hilversum I
‘renovatieperiode’van acht weken. Dat laatste is van belang. Ik begrijp daar immers uit dat het hof wel degelijk rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat in de plantage (net) geoogst was toen de politie binnenviel. Vanaf 18 maart 2014 rekent het hof derhalve acht weken terug: ergens in die acht weken voorafgaand aan 18 maart 2014 zal er geoogst zijn, is de aanname. [14] Ik vind dit niet onbegrijpelijk. Bovendien merk ik op dat de verdediging in hoger beroep wel heeft volgehouden dat de betrokkene slechts voordeel uit drie oogsten heeft ontvangen en niet meer, maar dat verder niet feitelijk heeft onderbouwd. Tegen die achtergrond mocht het hof uitgaan van een periode van 86 weken, zoals het heeft gedaan.