Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een hofuitspraak over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een hennepkwekerijzaak. Betrokkene was veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennepplanten in zijn woning. Het hof stelde vast dat betrokkene een toezegging had gekregen van € 2.000,- voor de oogst, maar niet duidelijk was of dit bedrag daadwerkelijk was ontvangen. Het hof kwalificeerde de vordering als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door de enkele toezegging van een geldbedrag zonder meer als voordeel aan te merken. Het hof had onvoldoende gemotiveerd dat er sprake was van daadwerkelijk behaald voordeel, terwijl dit vereist is voor profijtontneming. De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en vernietigt het arrest.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de juiste rechtsopvatting. Hiermee wordt het reparatoire karakter van de maatregel benadrukt en wordt betrokkene de mogelijkheid gegeven om aan te tonen dat het voordeel daadwerkelijk is behaald of niet.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.