Conclusie
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes
verweerster in cassatie,
advocaten: mrs. J.W.H. van Wijk en P.J. Tanja.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Het herstel van het gesloopte bouwwerk
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen rov. 3.3 en 3.4 van het vonnis van het hof. Het voert aan dat de beschikking van 9 juli 2018 bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2018 is geschorst, totdat op het bezwaarschrift onherroepelijk is beslist. Nu er nog geen onherroepelijke beslissing is gekomen, laat dat volgens het onderdeel geen andere conclusie toe dan dat zowel de verwijdering van het bouwwerk op 23 januari 2019 als van de parasols een dag eerder, onrechtmatig is geweest. Het hof heeft dat miskend.
Artikel 3. Het is duidelijk dat de rechtsbescherming, die het ontwerp beoogt te geven, zich ook behoort uit te strekken tot gevallen, waarin het administratief orgaan uitdrukkelijk weigert dan wel zonder meer nalaat een beschikking te geven, waarop de burger meent aanspraak te kunnen doen gelden. Hierin voorziet de in dit artikel opgenomen bepaling, volgens welke met een beschikking, inhoudende een weigering, wordt gelijkgesteld een weigering om een beschikking te geven, terwijl tevens wettelijk wordt vastgelegd, in welke gevallen het administratief orgaan geacht wordt het geven van een beschikking te hebben geweigerd.” [36]
In het tweede lid van dat artikel [artikel 9] is uitdrukkelijk opgenomen dat het uitblijven van een beschikking wordt gelijkgesteld met een afwijzende beschikking; anders zou geen rechtsbescherming bestaan tegen stilzitten van de overheid, waar door de betekenis van de onderhavige landsverordening wel zeer gering zou worden. Hetzelfde is in artikel 23 bepaald Pro ter zake van het uitblijven van de beslissing op een bezwaarschrift. Doordat de regeling van de zogenaamde “fictieve weigering” is opgenomen bij de bepalingen over de toegang tot de bezwaar- c.q. beroepsprocedure, wordt duidelijk dat de fictie slechts in het leven wordt geroepen voor de rechtsbescherming; de fictie leidt er niet toe dat het bestuursorgaan ervan mag uitgaan dat geen uitdrukkelijk besluit meer genomen hoeft te worden, indien de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt is verstreken. De rechtsplicht tot het nemen van een uitdrukkelijk besluit blijft bestaan.’
op zichzelf niet bestreden- formele rechtskracht had moeten aanvaarden.”