ECLI:NL:PHR:2021:833
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verzoeken tot schorsing en opheffing voorlopige hechtenis en redelijke termijn in hoger beroep
De zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarbij verdachte is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag. Tijdens het hoger beroep zijn meerdere verzoeken tot schorsing en opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte gedaan, die door het hof zijn afgewezen met standaardmotiveringen.
De verdediging klaagt dat deze afwijzingen onvoldoende zijn gemotiveerd en in strijd zijn met artikel 5 EVRM Pro, mede gelet op recente uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Daarnaast wordt een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep aangevoerd omdat het hof pas na ruim 28 maanden arrest wees, terwijl de redelijke termijn 16 maanden zou zijn.
De Procureur-Generaal stelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is op grond van de veroordeling in eerste aanleg en dat de standaardmotiveringen niet in strijd zijn met artikel 5 EVRM Pro. De recente EHRM-uitspraak is niet van toepassing omdat deze ziet op gevallen zonder veroordeling in eerste aanleg. Ook is het oordeel van het hof over de redelijke termijn niet onbegrijpelijk omdat de verdediging hierover geen verweer heeft gevoerd. Het cassatieberoep faalt in alle onderdelen en wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verzoeken tot schorsing en opheffing van de voorlopige hechtenis zijn terecht afgewezen en er is geen schending van de redelijke termijn.