ECLI:NL:GHAMS:2015:2848
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.J.G.B. Heutink
- H.W.J. de Groot
- F.M.D. Aardema
- Rechtspraak.nl
Beslissing op verzoek tot opheffing en schorsing voorlopige hechtenis na veroordeling
De verdachte werd op 11 januari 2013 in verzekering gesteld en vervolgens in bewaring genomen. De rechtbank Amsterdam schortte de voorlopige hechtenis meerdere malen, maar hief deze op na veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf op 13 maart 2015. Namens de verdachte werd op 31 maart 2015 een verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis ingediend.
Het hof overwoog dat na veroordeling het toetsingskader van artikel 5 lid 1 onder Pro a EVRM geldt, waarbij vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is na rechtmatige detentie door een bevoegde rechter. De stelling dat de verdachte in vrijheid haar berechting in hoger beroep mag afwachten, wordt niet gevolgd. Gezien de ernst van de feiten en het risico op herhaling, acht het hof opheffing van de voorlopige hechtenis niet verantwoord.
Tegelijkertijd constateerde het hof dat tijdens de schorsingsperiode de verdachte zich aan de voorwaarden hield en dat het recidivegevaar voldoende werd ingeperkt. Daarom werd de voorlopige hechtenis geschorst onder strikte voorwaarden tot aan de volgende zitting in hoger beroep. Deze voorwaarden betreffen onder meer verblijf op een bekend adres in het buitenland, geen contact met bepaalde personen en medewerking aan identificatie.
De beschikking werd gegeven door de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 26 mei 2015, waarbij het verzoek tot opheffing werd afgewezen en de schorsing onder voorwaarden werd toegestaan.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen en de voorlopige hechtenis wordt geschorst onder voorwaarden tot de volgende behandeling in hoger beroep.