Conclusie
verweerders in het incidentele cassatieberoep,
adv.: mr. J.H.M. van Swaaij
eiseres in het incidentele cassatieberoep,
adv.: mr. R.L.M.M. Tan
[eiser 1]en [eiser 2] en [eiser 3] samen als
[de zonen van eiser 1]. Verweerster in cassatie wordt hierna aangeduid als Lisman en Lisman.
1.Feiten en procesverloop
Rentec). De huurovereenkomst is namens Rentec ondertekend door [eiser 1] , die enig bestuurder was van Rentec.
de hoofdzaak) bij vonnis van 17 januari 2007 [4] de huurovereenkomst ontbonden verklaard met ingang van 7 oktober 2004.
Lisman en Lisman heeft in die procedure tevens gevorderd Rentec en [eiser 1] te veroordelen tot betaling van onder meer achterstallige huur. [5] Het dictum luidt verder – voor zover van belang – als volgt:
de notaris) in depot gebleven.
het aansprakelijkheidsarrest) het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover dit tussen Lisman en Lisman en [eiser 1] was gewezen, en opnieuw rechtdoende, voor zover van belang, als volgt beslist:
Op verzoek van [eiser 1] [14] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem bij beschikking van 6 januari 2017 [15] een rechter-commissaris benoemd ten overstaan van wie de verdeling van het depot zal plaatsvinden.
grief 2komen [eisers] op tegen de overweging van de rechtbank dat Lisman en Lisman na de onderhandse verkoop van het kantoorpand als schuldeiser van [eiser 1] behoort tot de groep van rechthebbenden op de netto-opbrengst als bedoeld in art. 480 lid 2 Rv Pro en dat Lisman en Lisman daarmee een voorwaardelijk recht op toedeling van een (onverdeeld) aandeel in de restant-executieopbrengst heeft verkregen (rov. 5.3).
Grief 3keert zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat (i) voor het verkrijgen van het recht op toedeling niet van belang is of Lisman en Lisman een executoriale titel heeft, en (ii) in dit geval geen sprake is van een (poging tot) executie van het arrest (rov. 5.2-5.5 en 5.7). Met
grief 4is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit het dictum van het arrest onmiskenbaar volgt dat Lisman en Lisman een vordering heeft op [eiser 1] (rov. 5.5), omdat die vordering is verjaard.
Grief 5is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de beslagvordering(en) van Lisman en Lisman niet zijn verjaard (rov. 5.7-5.14).
Grief 6keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Lisman en Lisman in de netto-opbrengst mag meedelen tot een bedrag van € 260.000,- (rov. 5.16).
Grief 7heeft betrekking op de proceskosten.
incidentele grief 1is aangevoerd dat de rechtbank het ten onrechte niet van belang heeft geacht om vast te stellen of het arrest van 22 december 2009 een executoriale titel oplevert (rov. 5.2-5.4) en dat de rechtbank ten onrechte impliciet heeft aangenomen dat Lisman en Lisman in hoger beroep haar eis heeft gewijzigd (rov. 5.6). De
incidentele grief 2is gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat Lisman en Lisman slechts voor het bedrag van € 260.000,- is toelaten tot de rangregeling. De
incidentele grief 3richt zich tegen de afwijzing van de hoofdelijke veroordeling in de proceskosten.
In deze renvooiprocedure staat enkel ter beoordeling of de onderhavige vordering kan worden toegelaten tot de rangregeling die ten behoeve van de verdeling van de nog resterende netto-opbrengst is verzocht; aan een – hernieuwde – inhoudelijke beoordeling van de vordering komt het hof dan ook niet toe, reeds vanwege het gezag van gewijsde van het arrest. Nu het bestaan van de beslagvordering al eerder was vastgesteld, stond daarmee vanaf dat moment ook de omvang van het recht vast van Lisman en Lisman als conservatoir beslaglegger op het aandeel in de onverdeelde gemeenschap waarin de netto-opbrengst viel. Het beslag kan (vanwege het karakter van de natuurlijke verbintenis) niet meer actief worden vervolgd, bijvoorbeeld door tot executie over te gaan. In het geval echter dat de executie reeds is voltooid en de executieopbrengst wordt verdeeld, blijft het beslag van de na executie verjaarde vordering zijn gelding houden.
De beslagvordering kan tot de rangregeling worden toegelaten (rov. 4.10);
2.Inleiding en juridisch kader
vervallen, zodat Lisman en Lisman reeds vanaf dat moment niet meer kan worden aangemerkt als ‘beslaglegger’ in de zin van art. 3:270 en Pro 271 BW (onderdeel 1). In de tweede plaats wordt betoogd dat toelating tot de rangregeling vereist dat de deugdelijkheid van de beslagvordering wordt vastgesteld in de renvooiprocedure en mitsdien bij aanvang van die procedure (B3) nog
rechtens afdwingbaaris (onderdeel 2).
veroordeling tot betalingheeft gevorderd (onderdeel I) en dat zij met het arrest in de hoofdzaak (A5) een als
condemnatoiruit te leggen dictum heeft verkregen (onderdeel II).
Conservatoir beslag; eis in de hoofdzaak
ten grondewordt beslist over de
deugdelijkheidvan de vordering waarvoor het conservatoir beslag is gelegd. [39] Naar vaste rechtspraak van uw Raad:
gegrondheiden de
omvangvan de ingeroepen vordering, worden door uw Raad aanvaard: een kort geding strekkende tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening van de vordering ter verzekering waarvan het conservatoir beslag is gelegd [41] , de oplegging van een belastingaanslag door de inspecteur [42] en een reconventionele vordering tot betaling in een opheffingskortgeding. [43]
voldoende waarborgenomgeven procedure en moet de
datumwaarop de eis wordt ingesteld, voldoende vaststaan. [44]
Promneftstroy/Yukos [45] ging het om het geval dat, nadat ten laste van een rechtspersoon conservatoir beslag was gelegd op bepaalde vermogensbestanddelen, deze in weerwil van het beslag aan een derde waren overgedragen, en vervolgens de rechtspersoon was opgehouden te bestaan voordat de eis in de hoofdzaak was ingesteld. [46] Ten aanzien van een dergelijk geval overwoog uw Raad dat:
verklaring voor rechtkan kwalificeren als eis in de hoofdzaak.
De vierde eis impliceert volgens Steneker dat de vordering die in de hoofdzaak wordt ingesteld bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar moet zijn. In het algemeen dient daarom een veroordeling tot voldoening van de beslagvordering te worden gevorderd. Met het instellen van een vordering tot verkrijging van een verklaring voor recht (zonder dat deze vordering wordt gecombineerd met een vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat) [48] wordt in beginsel niet aan deze eis voldaan. Uit het arrest
Promneftstroy/Yukoskan volgens Steneker echter worden afgeleid dat, indien uit de uitspraak in de hoofdzaak genoegzaam blijkt van de vordering en de verhaalsaansprakelijkheid, onder omstandigheden ook een verklaring voor recht (dat de vordering bestaat) een executoriale titel kan opleveren. [49]
Ontvanger/ […]gegeven overweging dat het conservatoir beslag ertoe strekt over te gaan in een executoriaal beslag, wordt ook door anderen afgeleid dat een uitspraak moet kunnen worden verkregen die voor executie vatbaar is. [50] Nu uit een vordering tot verklaring voor recht geen executoriale titel kan resulteren, kan deze niet als eis in de hoofdzaak kan worden aangemerkt. [51] In dit verband wordt door verschillende auteurs onderscheiden tussen, enerzijds, een procedure waarin een zuivere verklaring voor recht wordt gevorderd en, anderzijds, een procedure waarin een vordering tot het vaststellen van aansprakelijkheid in combinatie met veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat wordt ingesteld. In hun visie kwalificeert (uitsluitend) de laatstgenoemde vordering als eis in de hoofdzaak, omdat de procedure ten doel heeft een voor ten uitvoerlegging vatbare veroordeling te verkrijgen ter voldoening van de vordering waarvoor het beslag is gelegd. [52]
Ontvanger/ […]achterhaald lijkt te zijn.
Ontvanger/ […]afgeleid dat niet (langer) de eis wordt gesteld dat de hoofdzaak onmiddellijk resulteert in een executoriale titel, en dat voldoende is dat de betrokken rechtsmaatregel gelegenheid biedt tot toetsing van de deugdekijkheid van de vordering. [55] Incidenteel wordt daarbij opgemerkt dat indien de hoofdzaak niet in een executoriale titel resulteert, wel de aansluiting met art. 704 Rv Pro moet worden hersteld. [56] In het verlengde hiervan wordt bepleit dat ook een bindend adviesprocedure als hoofdzaak kan gelden. [57]
Ontvanger/Eijking [65] volgt dat de executie door de levering aan de executiekoper is voltooid en dat de restant-executieopbrengst niet meer behoort tot het vermogen van de geëxecuteerde, maar tot dat van de gezamenlijke rechthebbenden ten behoeve van wie de gelden zijn bijgeschreven. De relevante overwegingen van uw Raad in dit arrest luiden:
LJNAA9441,
NJ2002/371 (mr. Koren q.q./mr. Tekstra q.q.), volgt uit art. 25 voornoemd Pro dat de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd is tot het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening, dat rechthebbenden op het saldo van die rekening degenen zijn ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden, en dat tussen deze rechthebbenden met betrekking tot die gelden een gemeenschap bestaat als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW Pro. De gezamenlijke rechthebbenden hebben als deelgenoten bij de verdeling van deze gemeenschap een voorwaardelijk recht op toedeling van de door de notaris beheerde vordering op de kredietinstelling. (…)
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat – kort samengevat – de gewijzigde eis in hoger beroep niet heeft geleid tot verval van het conservatoir beslag.
Onderdeel 2keert zich tegen het oordeel van het hof dat Lisman en Lisman , ook indien ervan wordt uitgegaan dat haar vordering op [eiser 1] is verjaard, voor die vordering tot de rangregeling kan worden toegelaten (rov. 4.7, 4.9 en 4.10).
Onderdeel 3is een voortbouwklacht.
geenklacht is gericht tegen het oordeel van het hof – kennelijk in respons op grief 3 van [eisers] [74] – dat in het algemeen geen executoriale titel noodzakelijk is om als rechthebbende tot de verdeling van een (netto) executieopbrengst op de voet van art. 3:270 BW Pro te worden toegelaten (rov. 4.7, eerste volzin). Integendeel, [eisers] onderschrijven dit oordeel (procesinleiding, p. 8).
op het moment van de executievan het beslagen kantoorpand (begin 2008) haar beslagvordering reeds had ‘verlaten’, zodat op dát moment de voor het conservatoir beslag noodzakelijke eis in de hoofdzaak ‘niet langer aanhangig’ was en het beslag ‘in materiële zin waardeloos’ was geworden (immers vatbaar voor opheffing op verzoek van de schuldenaar), hetgeen meebrengt dat Lisman en Lisman (materieel) niet als voormalig beslaglegger/rechthebbende ex art. 3:270 BW Pro kan worden aangemerkt en als zodanig niet kan opkomen in de rangregeling (MvG, nrs. 2.7-2.10).
toev. A-G] heeft Lisman en Lisman het beslag vervolgd door het appelexploot van 16 april 2007. Dit vormde een nieuwe daad van rechtsvervolging waardoor de verjaring van de onderliggende rechtsvordering verder werd gestuit. Bijzonder is wel de daarin opgenomen gewijzigde eis om Lisman en Lisman [76] hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg is veroordeeld. Zo heeft Lisman en Lisman ook in het petitum van haar memorie van grieven d.d. 16 oktober 2007 gevorderd. Naar het oordeel van het hof is dat minder dan een rechtsvordering tot veroordeling en komt het in feite neer op een vermindering van eis. Uit deze resterende eis in de hoofdzaak (zie artikel 700 lid 3 Rv Pro) mocht [eiser 1] in redelijkheid niet concluderen dat Lisman en Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. Ook bracht dit geen verval van het conservatoir beslag mee, terwijl het beslag evenmin werd opgeheven.”
vervolgd’door het appelexploot van 16 april 2007 (rov. 4.4, eerste volzin). Het hof zou met dit oordeel hebben miskend dat, nu Lisman en Lisman in hoger beroep (in zowel het appelexploot als de memorie van grieven) slechts een declaratoir (en niet langer een veroordeling tot betaling) eiste, zij het door haar gelegde conservatoire beslag niet heeft vervolgd. Conservatoir beslag kan niet gelegd worden voor alleen een declaratoir. Als conservatoir beslag wordt gelegd, waarna in de hoofdzaak in eerste aanleg de tot veroordeling strekkende eis wordt afgewezen, en de beslaglegger vervolgens in hoger beroep zijn eis wijzigt in een declaratoir, is (mede gezien de twee-conclusieregel) vanaf het moment waarop de memorie van grieven wordt genomen geen sprake meer van het vervolgen van het gelegde conservatoir beslag, aldus de klacht.
vervalvan het conservatoir beslag meebrengt (rov. 4.4, slot). Het hof heeft daarmee namelijk miskend dat als de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan, het beslag op grond van art. 704 lid 2 Rv Pro van rechtswege vervalt. Aangezien de door Lisman en Lisman tegen [eiser 1] ingestelde eis in eerste aanleg is afgewezen, Lisman en Lisman in hoger beroep met een gewijzigde eis kwam die alleen nog strekte tot een declaratoir, en het hof in het arrest van 22 december 2009 ook slechts dit declaratoir heeft toegewezen, is sprake van een afwijzing van de eis in de hoofdzaak die in kracht van gewijsde is gegaan in de zin van art. 704 lid 2 Rv Pro. Als gevolg daarvan is het beslag van rechtswege vervallen, aldus subonderdeel 1.2.
minder’ is dan een rechtsvordering tot veroordeling en ‘
in feite’ neerkomt op een ‘
vermindering van eis’ onjuist is. Volgens het subonderdeel gaat het, indien een eis aanvankelijk strekt tot een veroordeling tot betaling en vervolgens sprake is van een (in de woorden van het hof) ‘gewijzigde eis’ die louter strekt tot een declaratoir dat de gedaagde aansprakelijk is, niet om een ‘vermindering’ van eis, maar om een ‘verandering’ van eis in de zin van art. 130 lid 1 Rv Pro.
subonderdeel 1.4treffen de voorgaande subonderdelen 1.1 t/m 1.3 tevens de oordelen van het hof dat Lisman en Lisman – kort samengevat – heeft te gelden als conservatoir beslaglegger in de zin van art. 3:270 BW Pro en als zodanig wordt toegelaten tot de rangregeling.
geenklacht is gericht tegen het oordeel (rov. 4.4, voorlaatste volzin) dat [eiser 1] uit de resterende eis in de hoofdzaak in redelijkheid niet mocht concluderen dat Lisman en Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk.
vervallenin de situatie dat:
subonderdelen 1.1 en 1.2af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de wijziging van de eis in hoger beroep niet heeft geleid tot verval van het conservatoir beslag.
verminderingvan eis of van een
veranderingvan eis. Bovendien onderschrijf ik het oordeel van het hof dat ‘in feite’ sprake is van een ‘vermindering van eis’. Waar zowel een condemnatoire als een declaratoire uitspraak noodzakelijkerwijs een (impliciet) oordeel over de rechtsverhouding van partijen inhoudt, kan een rechtsvordering tot verklaring voor recht worden gekwalificeerd als een rechtsvordering die strekt tot ‘minder’ dan een rechtsvordering tot veroordeling in die zin dat – naast de vaststelling van het bestaan en de omvang van de materiële vordering – niet tevens veroordeling tot betaling wordt gevorderd. [80]
subonderdeel 1.4faalt in het kielzog van de subonderdelen 1.1-1.3.
defensiefinzetten van de natuurlijke verbintenis. Een natuurlijke verbintenis kan echter niet
offensiefworden ingezet, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.2zet Lisman en Lisman echter in dit renvooigeding haar (niet-afdwingbare) vordering nu juist wél offensief in. Lisman en Lisman tracht immers in rechte betaling uit de restant-executieopbrengst af te dwingen, hetgeen een daad van rechtsvervolging betreft. Volgens het middel dient de beslagvordering bij de
aanvang van het renvooigedingrechtens
afdwingbaarte zijn (procesinleiding, p. 8). Daarom mocht het hof het beroep op verjaring niet verwerpen.
Met
subonderdeel 2.3.1wordt aangevoerd dat het hof met zijn oordelen in
rov. 4.7– dat Lisman en Lisman uit hoofde van art. 3:270 lid 5 BW Pro als conservatoir beslaglegger aanspraak kon maken op de restant-executieopbrengst en op grond van art. 3:271 BW Pro bevoegd was toelating tot de rangregeling te verzoeken – heeft miskend dat het feit dat de rechtsvordering van Lisman en Lisman is verjaard (en hierop door [eisers] een beroep is gedaan) reeds belet dat Lisman en Lisman met succes over zou kunnen gaan tot de in art. 482 lid 2 Rv Pro vermelde aanmelding.
Subonderdeel 2.3.2klaagt dat hetgeen het hof in
rov. 4.9heeft ontleend aan het arrest
Ontvanger/Eijking [81] onverlet laat dat in casu de conservatoir beslaglegger het na de zuivering heeft laten gebeuren dat de verjaring van haar rechtsvordering is voltooid. Als gevolg daarvan heeft de beslaglegger niet meer de mogelijkheid om via een renvooigeding af te dwingen dat betaling plaatsvindt op haar niet-afdwingbare vordering. Omdat een natuurlijke verbintenis-schuldeiser geen rechtsvordering meer heeft en daarom geen offensieve rechtsmaatregelen meer kan treffen, kan ten aanzien van hem de opschortende voorwaarde (dat zijn aandeel rechtens vast komt te staan) niet meer vervuld worden, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 2.3.3voegt daaraan toe dat het dictum van het bestreden arrest ook niet kan worden gedragen door
rov. 4.10(vanaf begin tot
‘Ten overvloede’), omdat die oordelen onverlet laten dat (het beroep van [eisers] op) het tenietgegaan zijn van de rechtsvordering meebrengt dat Lisman en Lisman de beslagvordering in rechte niet geldend kan maken door aanmelding ex art. 482 lid 1 Rv Pro (neerkomende op of gelijk te stellen aan het instellen van een eis in de hoofdzaak [82] ) en het verrichten van proceshandelingen in het onderhavige renvooigeding. Dit wordt niet anders door de door het hof genoemde overwegingen uit het arrest
Ontvanger/Eijking. In die zaak ging het niet om een niet-afdwingbare vordering. In het onderhavige geval is het door Lisman en Lisman voorwaardelijk verkregen aandeel in de gemeenschap tenietgegaan op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering van Lisman en Lisman werd voltooid en/of brengt de voltooiing van deze verjaring in elk geval mee dat Lisman en Lisman ten tijde van de verdeling geen voorwaardelijk recht op toedeling van haar aandeel meer heeft of geldend kan maken. Het door [eisers] gedane beroep op verjaring heeft immers als consequenties dat geen sprake meer kan zijn van de vervulling van de opschortende voorwaarde dat het aandeel van Lisman en Lisman
in dit renvooigedingrechtens vast komt te staan, omdat hiervoor nodig is dat Lisman en Lisman ten tijde van de aanmelding (art. 482 Rv Pro) en tegenspraak (art. 486 Rv Pro) nog een rechtsvordering heeft. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat de opschortende voorwaarde dat het aandeel rechtens vast komt te staan niet op voorhand kan zijn vervuld (door het arrest van 22 december 2009), omdat het aandeel in het renvooigeding rechtens vast moet komen te staan.
omdat zij daarvoor over een executoriale titel moet beschikken(zie aldus grief 3, MvG nrs. 2.11-2.27). In dat verband heeft het hof overwogen – hetgeen [eisers] thans onderschrijven (procesinleiding, p. 8) – dat in het algemeen geen executoriale titel nodig is om als rechthebbende tot de verdeling van een (netto) executieopbrengst te worden toegelaten. Voorts heeft het hof overwogen dat ook een conservatoir beslaglegger op grond van art. 3:270 lid 5 BW Pro aanspraak kan maken op de restant netto-executieopbrengst en op grond van art. 3:271 BW Pro jo. art. 552 Rv Pro als belanghebbende toelating tot de rangregeling kan verzoeken.
Vervolgens heeft het hof in rov. 4.9 en 4.10 gerespondeerd op het (in rov. 4.8 vastgestelde) verweer van [eisers] dat Lisman en Lisman niet tot de rangregeling kan worden toegelaten
omdat de rechtsvordering van Lisman en Lisman is verjaard(zie aldus grief 4, MvG nrs. 2.29-2.30).
subonderdeel 2.3.1faalt, omdat het hof in de daarmee bestreden rov. 4.7 niet respondeert op het door [eisers] gevoerde verjaringsverweer. Dit gebeurt pas in rov. 4.9 en 4.10.
overige subonderdelenlenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
afdwingenvan de gepretendeerde vordering van Lisman en Lisman jegens [eiser 1] . Daarom zou de vordering ten tijde van de aanvang van de renvooiprocedure (dan wel de aanmelding en/of de tegenspraak) nog afdwingbaar moeten zijn. Nu tot uitgangspunt dient dat de vordering reeds op 22 september 2010 was verjaard, beschikte Lisman en Lisman ten tijde van de rangregeling en de renvooiprocedure echter slechts over een natuurlijke, niet-afdwingbare verbintenis (art. 6:3 BW Pro), die als zodanig dan ook niet in de rangregeling kan worden opgenomen, aldus het middel.
Ontvanger/Eijking [88] te ontlenen dat na de levering van de beslagen onroerende zaak aan de executiekoper de executie voltooid was en het alleen nog ging om de verdeling van de restant-executieopbrengst, die niet aan de geëxecuteerde toebehoort. Daaruit volgt dat niet relevant is of de vordering ten tijde van de renvooiprocedure verjaard was.
Ontvanger/Eijkingheeft uw Raad verder bepaald dat de op de kwaliteitsrekening van de notaris gestorte restant-executieopbrengst behoort tot het vermogen van de gezamenlijke rechthebbenden ten behoeve van wie de gelden zijn bijgeschreven – zoals beslagleggers –, ieder voor zover het diens aandeel in de gemeenschap betreft. Ieder van de deelgenoten heeft bij de verdeling van deze gemeenschap een voorwaardelijk recht op toedeling van zijn aandeel in de door de notaris beheerde vordering op de kredietinstelling, onder de opschortende voorwaarde dat zijn aandeel rechtens komt vast te staan.
in de renvooiproceduremoet komen vast te staan – waaraan de verjaring in de weg staat –, maar dat is mijns inziens onjuist. Te bedenken valt dat het bij de verdeling van een executieopbrengst niet altijd tot een renvooiprocedure zal komen. Ook zal in het algemeen de renvooirechter een beslissing in een eventuele hoofdzaak kunnen afwachten (zie hiervoor onder 2.29). Het arrest
Ontvanger/Eijkingdwingt voorts niet tot de in het middel voorgestane uitleg. Integendeel, dit arrest sluit niet uit dat kan worden aangenomen dat indien een procedure in de hoofdzaak is gevoerd en daarin het bestaan en de omvang van de beslagvordering reeds onherroepelijk zijn vastgesteld, daardoor en op dat moment tevens het aandeel van de conservatoir beslaglegger rechtens is komen vast te staan.
overige subonderdelenvan
onderdeel 2falen.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
petitumin het hoger beroep in de hoofdzaak. Het keert zich tegen de overwegingen in rov. 4.4 (aangehaald hiervoor onder 3.5), dat in de appeldagvaarding en de memorie van grieven van Lisman en Lisman een ‘
gewijzigde eis’ is opgenomen om [eiser 1] hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg is veroordeeld, en dat dit ‘
minder’ is dan een rechtsvordering tot veroordeling en in feite neerkomt op een ‘
vermindering van eis’.
veroordelingvan [eiser 1] vordert.
dictumvan het aansprakelijkheidsarrest.
Het bepleit primair dat het bestreden arrest zo moet worden gelezen dat het hof daarin
geeneindbeslissing heeft gegeven over de vraag of het hof in het arrest van 22 december 2009 een veroordeling tot betaling heeft uitgesproken.
Voor het geval dat het bestreden arrest toch zo begrepen moet worden dat het hof daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist dat het arrest van 22 december 2009 géén veroordeling tot betaling inhoudt ter zake van de vorderingen van Lisman en Lisman op [eiser 1] , klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat ook het dictum niet louter taalkundig moet worden uitgelegd. Het dictum dient te worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid, alsmede tegen de achtergrond van het voorafgaande processuele debat, aldus het onderdeel.
Als het hof een juiste uitlegmaatstaf heeft gehanteerd, is zijn oordeel ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de klachten uit onderdeel I en van een tweetal in het onderdeel genoemde stellingen [90] van Lisman en Lisman , aldus de klacht.
minder is dan een rechtsvordering tot veroordelingen in feite neerkomt op een vermindering van eis.
toev. A-G] heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:
onderdeel IIvan het incidentele middel faalt.
onderdeel I.