Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant1] ,
[appellant2]en
[appellant3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze renvooiprocedure stond centraal of Lisman en Lisman, na conservatoir beslag en executieverkoop door de hypotheekhouder, aanspraak kon maken op een deel van de resterende netto-executieopbrengst. Het hof bevestigde dat geen executoriale titel vereist is voor toelating tot de rangregeling en dat de verklaring voor recht in het arrest van 2009 gezag van gewijsde heeft.
De rechtbank had Lisman en Lisman toegelaten tot de rangregeling voor €260.000, maar het hof beperkte dit tot €97.800,38 vermeerderd met rente en proceskosten, minus een derdenbeslag. De verjaring van de vordering werd besproken, waarbij het hof oordeelde dat de verjaring door stuiting was onderbroken en dat de vordering ondanks verjaring bleef gelden binnen de verdeling van de executieopbrengst.
De nieuwe vorderingen van Lisman en Lisman werden buiten behandeling gelaten. De zonen van [appellant1] hadden een indirect belang, maar hun standpunt werd niet gevolgd. Partijen werden in de proceskosten veroordeeld, waarbij het hof de deelbaarheid van de geldvordering benadrukte en de hoofdelijke veroordeling onderling afwees.
Uitkomst: Lisman en Lisman wordt toegelaten tot de rangregeling voor €97.800,38 plus rente en kosten, met nieuwe vorderingen buiten behandeling.