Conclusie
Roka Beheer B.V.(hierna: ‘Roka’)
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
[eiser 3](hierna: ‘ [eiser 3] ’)
[eiser 4](hierna: ‘ [eiser 4] ’)
Silife Limited(hierna: ‘Silife Ltd.’)
Rexil Holding B.V. (voorheen Silife B.V.)(hierna: ‘Silife BV’)
Silife Origin (India) Limited(hierna: ‘Silife India’)
Liquistone Limited(hierna: ‘Liquistone’)
In 2010 hebben Liquistone en Silife Ltd. een exclusieve licentieovereenkomst gesloten met betrekking tot een octrooi op het gebied van gestabiliseerd siliciumzuur. In 2013 heeft een bestuurder van Liquistone, wiens ontslag al was aangekondigd, namens Liquistone een exclusieve licentieovereenkomst met Roka gesloten met betrekking tot hetzelfde octrooi. De betreffende bestuurder heeft daarna namens Liquistone de licentieovereenkomst met Silife Ltd. buitengerechtelijk ontbonden.
1.Feiten
ARTICLE 5 – TERM AND TERMINATION
batchesgestabiliseerd siliciumzuur in beperkte hoeveelheden samengesteld en verpakt. [6]
businessplan van Silife BV (“
Outlook 2012-2017”) van 29 augustus 2012 vermeldt onder meer het volgende over Magnichem: [8]
SiLife” contact zou opnemen met [eiser 2] .
SiLife – [betrokkene 1]” (zijnde [betrokkene 1] ): [15]
al over gepraat en het zou ‘Newsil’ kunnen zijn. Dit is niet zo problematisch omdat er nog maar zeer beperkt is gepromoot en Coromandel hun eigen door henzelf geregistreerde naam Silamina hebben.
2.Procesverloop
ABPheeft geen voldoende zelfstandig belang bij haar vordering (rov. 5.2.-5.3.);
Rokaheeft onrechtmatig jegens de Silife-Vennootschappen gehandeld, omdat Liquistone jegens Silife Ltd. is tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst (rov. 5.13.-5.17.), Liquistone jegens Silife BV en Silife India onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 5.18.) en Roka van deze wanprestatie en onrechtmatige daad van Liquistone onrechtmatig heeft geprofiteerd (rov. 5.19.-5.23.);
Rokaheeft onrechtmatig jegens Liquistone gehandeld, omdat [betrokkene 1] onrechtmatig jegens Liquistone heeft gehandeld (interne bestuurdersaansprakelijkheid) en Roka van deze onrechtmatige daad onrechtmatig heeft geprofiteerd (rov. 5.24.-5.28.);
[eiser 2]heeft onrechtmatig jegens Silife c.s. gehandeld, omdat hij als adviseur van Roka onder meer heeft bevorderd dat de RokaLicentieovereenkomst tot stand kwam en hij daarmee de belangen van Silife c.s. dusdanig heeft veronachtzaamd dat sprake is van strijd met de volgens normen van maatschappelijk betamelijkheid in acht te nemen zorgvuldigheid (rov. 5.32.-5.36.);
[eiser 3]heeft onrechtmatig jegens Silife c.s. gehandeld, omdat het in feite [eiser 3] was die het onrechtmatige handelen van Roka bewerkstelligde en hij de belangen van Silife c.s. zodanig heeft veronachtzaamd dat hij ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld (rov. 5.37.-5.41.);
[eiser 4]heeft onrechtmatig jegens Silife Ltd. en Silife India gehandeld, omdat hij heeft bevorderd dat Roka een exclusieve licentie op het Octrooi verwierf en hij heeft gehandeld in strijd met de volgens normen van maatschappelijke betamelijkheid in acht te nemen zorgvuldigheid door het Octrooi door middel van SI Tech (mede) te exploiteren (rov. 5.42.-5.46.); [38]
de SI-Vennootschappenhebben
nietonrechtmatig jegens Silife c.s. en ABP gehandeld, omdat niet reeds sprake is van onrechtmatigheid indien de SI-Vennootschappen bewust van de wanprestatie/onrechtmatige daad van Liquistone hebben geprofiteerd (rov. 5.29.-5.31.);
Magnichemheeft
nietonrechtmatig geprofiteerd van de wanprestatie/onrechtmatige daad van Liquistone (rov. 5.50.-5.54.); en
Roka c.s.en
Magnichemhebben
nietonrechtmatig gehandeld door, buiten de informatie waar het Octrooi betrekking op heeft, van Silife c.s. en ABP afkomstige knowhow en/of technische/commerciële informatie te gebruiken (rov. 5.48., 5.53. en 5.58.).
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
klacht Iadat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat de gronden voor ontbinding niet (zonder meer) hoeven te worden genoemd in de ontbindingsverklaring (de brief van 6 april 2013 van Liquistone aan Silife Ltd., randnummer 1.23. hiervoor).
reeds” geen sprake kan zijn van een tekortkoming die grond zou kunnen geven voor een ontbinding, omdat de twee ontbindingsgronden waarnaar Liquistone (in haar ontbindingsbrief) verwijst geen tekortkoming inhouden. Dit ‘manco’ brengt Roka c.s. echter niet verder. Het hof heeft namelijk in rov. 5.16. – in het kader van de vraag of Silife Ltd. van rechtswege in verzuim is gekomen – ook de overige (door Roka c.s. naar voren gebrachte) ontbindingsgrond beoordeeld, te weten – samengevat – dat Silife Ltd. door een gebrek aan financiële middelen, kennis en toegang tot de markt tekortschoot in de voortdurende verbintenis om zich naar behoren voor de ontwikkeling en distributie van het gestabiliseerd siliciumzuur in te zetten. Deze grond gaat volgens het hof evenmin op: Silife c.s. hebben zich naar het oordeel van het hof (voldoende) ingezet om de SilifeLicentieovereenkomst te exploiteren. Dit betekent dat klacht Ia, bij gebrek aan belang, niet tot cassatie kan leiden.
klacht Ibbetogen Roka c.s. dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom reeds geen sprake is van een tekortkoming die grond zou kunnen geven voor ontbinding, enkel omdat de twee in de ontbindingsbrief genoemde gronden niet opgaan. Roka c.s. hebben immers uitgebreid uiteengezet op welke wijze Silife Ltd. is tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst.
randnummer 4.9. van de procesinleidingniet opgaat.
klacht Icdat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Het hof heeft geoordeeld dat het aan Roka c.s. is om de wanprestatie van Silife Ltd. tegenover Liquistone te stellen en te bewijzen. Volgens Roka c.s. was het juist aan Silife c.s. en ABP om te stellen en te bewijzen dat Silife Ltd. géén wanprestatie tegenover Liquistone had gepleegd. Silife c.s. hebben zich immers op de ondeugdelijkheid van de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst beroepen, waardoor het ook aan Silife c.s. was om te stellen en te bewijzen dat de Silife-Licentieovereenkomst nog onverkort gold.
Wanprestatie Liquistone jegens Silife Ltd.” Uit rov. 5.12. en 5.13. blijkt dat het hof heeft onderkend dat Silife c.s. moeten stellen en bewijzen dat Liquistone wanprestatie tegenover Silife Ltd. heeft gepleegd:
klacht IIaen
randnummer 4.19. van de procesinleidingbetogen Roka c.s. dat het hof heeft miskend dat het niet aan Roka c.s. was om de tekortkoming en het verzuim van Silife Ltd. aannemelijk te maken, maar aan Silife c.s. en ABP om aannemelijk te maken dat aan de zijde van Silife Ltd. géén sprake was van een tekortkoming en verzuim.
klacht IIc [43] dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom Silife Ltd. niet zonder succes op zoek was naar externe investeerders om het Octrooi te exploiteren. Silife Ltd. was er immers al die tijd niet in geslaagd om ook maar één externe financier aan te trekken. In
klacht IIdbetogen Roka c.s. dat het niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd voor zover het hof heeft geoordeeld dat een eerdere presentatie van Silife Ltd. aanleiding zou zijn geweest voor Roka om in maart 2013 contact met Silife Ltd. op te nemen. Silife Ltd. heeft immers geen presentatie aan Roka gegeven, maar aan [eiser 2] en Solveigh Corporate Investment B.V. en dit heeft niet tot succes geleid.
klacht IIeop tegen het oordeel van het hof dat uit de stellingen van Roka c.s. geenszins blijkt dat Silife Ltd. zich niet (voldoende) inzette of niet in staat was om de Silife-Licentieovereenkomst te exploiteren. Volgens Roka c.s. is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, voor zover het bij zijn oordeel mede het oog heeft gehad op het geldelijk onvermogen van Silife Ltd. om de licentie te exploiteren. Voor zover het hof niet heeft miskend dat geldelijk onvermogen voor risico van Silife Ltd. moet blijven, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Het hof heeft in dat geval namelijk niet uiteengezet waarom, terwijl het Silife Ltd. aan geld ontbrak, uit de stellingen van Roka c.s. niet is gebleken dat Silife Ltd. niet in staat was om de SilifeLicentieovereenkomst te exploiteren.
randnummers 4.28. tot en met 4.33. van de procesinleidingdat het hof – in het kader van de vraag of Silife Ltd. jegens Liquistone is tekortgeschoten in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst – aan essentiële stellingen van Roka c.s. is voorbijgegaan. Het betreft de stellingen dat (i) niet kan worden uitgegaan van de uitspraken in de procedures tussen Silife c.s. en Lisida en [betrokkene 1] , waarin is geoordeeld dat [betrokkene 1] en Lisida onrechtmatig jegens Silife c.s. hebben gehandeld (randnummers 1.37. e.v. hiervoor), (ii) Silife Ltd. niet heeft voldaan aan de verplichting om toegang te krijgen tot de markt van de patentlanden, waaronder met name India en (iii) Silife Ltd. aan die verplichting ook niet kon voldoen wegens onvoldoende financiële slagkracht.
dat het voor Silife Ltd. bij gebreke aan financiële middelen, kennis en toegang tot de markt onmogelijk was om de Silife-Licentieovereenkomst daadwerkelijk tot bloei te brengen.” Het hof heeft Roka c.s. in deze stellingen niet gevolgd, omdat Silife Ltd. zich naar het oordeel van het hof wél voldoende inzette om het Octrooi te exploiteren. Het hof heeft in dit kader overwogen dat Silife Ltd. sublicenties had verstrekt aan partijen, die zich met de exploitatie van het Octrooi bezighielden of op korte termijn bezig zouden gaan houden, en Silife Ltd. daarnaast op zoek was naar externe investeerders. Voor zover het in grote mate feitelijke oordeel van het hof in cassatie kan worden getoetst, is het niet onbegrijpelijk. De SilifeLicentieovereenkomst bracht immers een inspanningsverplichting voor Silife Ltd. met zich om het Octrooi te exploiteren en geen resultaatsverplichting om, bijvoorbeeld, binnen bepaalde tijd toegang tot een of meer markten te verkrijgen of om voldoende financiële middelen beschikbaar te hebben. De inspanningsverplichting van Silife Ltd. blijkt uit artikel 2.6 van de Silife-Licentieovereenkomst: [47]
the requirements of the authorities in the countries where the Product(…)
shall be commercialised” en Silife Ltd. daarnaast de verplichting had om de afzetmarkten te ontwikkelen. Artikel 2.5 bevat niet dergelijke verplichtingen, maar ‘slechts’ de verplichting (voor beide partijen) om het gestabiliseerde siliciumzuur te ontwikkelen conform de normen van het land waar het product op de markt wordt gebracht:
Onrechtmatig profiteren
- de inhoud van de Silife-Licentieovereenkomst,
- het feit dat Silife BV en Silife India sublicentienemers waren van Silife Ltd., en
- de inhoud van de (concept) ontbindingsbrief van 6 april 2013.
- Dit blijkt onder meer uit de e-mail van 3 april 2013 (…) en uit punt 4.46 van de conclusie van antwoord van Roka en wordt overigens ook niet door Roka c.s. weersproken. Daarnaast was Roka voorafgaand aan het sluiten van de Roka-Licentieovereenkomst op de hoogte van het feit dat de Participatieovereenkomst was opgezegd. Weliswaar heeft Roka c.s. in de stukken betoogd dat zij daarmee pas bekend werd toen zij de brief van Silife c.s. van 10 april 2013 ontving (…), maar ten pleidooie heeft zij uitdrukkelijk erkend dat zij daar voorafgaand aan het sluiten van de Roka-licentieovereenkomst mee bekend was (dit blijkt uit 1.14. pleitnota en hetgeen Roka daaromtrent desgevraagd heeft verklaard).”
- de bestuurswisseling in Silife Ltd.,
- de beëindiging van de Participatieovereenkomst,
- de door Liquistone gegeven gronden voor ontbinding, en
- de wetenschap dat Silife Ltd. zich recent nog had ingezet voor de exploitatie van het Octrooi,
- had voor Roka gegronde reden tot twijfel moeten geven aan de juistheid van de mededeling van [betrokkene 1] dat de Silife-Licentieovereenkomst al was geëindigd en dat uitsluitend nog een formele bevestiging daarvan zou worden verzonden. Van Roka had – in aanmerking genomen het belang van de Silife-Vennootschappen bij de Silife-Licentieovereenkomst (…) – in redelijkheid mogen worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. zelf zou navragen of de SilifeLicentieovereenkomst inderdaad de facto al was geëindigd. Dat klemt te meer daar Roka stelt een kort due diligence onderzoek te hebben gedaan. Zij heeft echter geen navraag gedaan bij Silife Ltd.”
randnummer 4.35. van de procesinleidingdat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat de ontbinding kan berusten op andere gronden dan genoemd in de ontbindingsbrief van 6 april 2013. Dit betekent dat Roka niet reeds op grond van de ontbindingsbrief in redelijkheid had moeten weten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was, temeer nu de bestuurder van Liquistone ( [betrokkene 1] ) haar had laten weten dat er meerdere ontbindingsgronden waren.
randnummer 4.36. van de procesinleidingop tegen het oordeel van het hof dat ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet mogelijk was, omdat Liquistone Silife Ltd. niet in gebreke heeft gesteld en Silife Ltd. dus niet in verzuim verkeerde. Volgens Roka c.s. heeft het hof hiermee miskend dat verzuim ook zonder ingebrekestelling kan intreden en de ingebrekestelling niet in de ontbindingsbrief hoeft te worden genoemd. Roka had dus niet reeds op grond van de ontbindingsbrief in redelijkheid moeten weten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was wegens het ontbreken van verzuim.
randnummer 4.37. van de procesinleidingdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Roka, als (niet betrokken) derde, zou moeten hebben geweten dat de ontbinding niet rechtsgeldig was en Liquistone tegenover Silife Ltd. wanprestatie zou plegen als zij de Roka-Licentieovereenkomst zou aangaan.
randnummer 4.48. van de procesinleiding– na een uiteenzetting over het leerstuk profiteren van wanprestatie [50] – dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het omstandigheden van ná de datum van contractsluiting heeft laten meewegen bij het beantwoorden van de vraag of Roka onrechtmatig heeft geprofiteerd van de wanprestatie van Liquistone.
Joba/ […]-arrest van 28 maart 2014 van Uw Raad. [51] In die zaak gold als uitgangspunt dat Joba – op het moment dat hij koopovereenkomsten met betrekking tot verschillende panden sloot –
nietbekend was met het voorkeursrecht van […] . Het stond Joba daarom in beginsel vrij, ook nadat zij alsnog van het voorkeursrecht van […] op de hoogte raakte, om de nakoming van de koopovereenkomsten na te streven, óók door de levering van een van de panden te vervroegen om beslaglegging door […] te voorkomen. Uw Raad heeft overwogen dat zodanige handelwijze, hoewel dus in beginsel toegestaan, onder bijzondere omstandigheden wél onrechtmatig kan zijn jegens degene die, zoals […] , een voorkeursrecht heeft dat daardoor wordt gefrustreerd. Volgens Uw Raad kan met name worden gedacht aan het geval dat sprake is van onevenredigheid tussen het belang bij nakoming van de koopovereenkomsten en het belang dat bestaat bij het kunnen uitoefenen van het voorkeursrecht. Uit het
Joba/ […]-arrest volgt onder meer dat ook omstandigheden die zich ná de datum van contractsluiting hebben voorgedaan (zoals in de zaak
Joba/ […]: het bekend worden door Joba met het voorkeursrecht van […] en het vervroegen van de levering van één van de panden door Joba), kunnen meewegen bij de beoordeling of een bepaalde handelwijze onrechtmatig is. [52] Het hof is derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door in rov. 5.21.6. te overwegen dat ook omstandigheden die zich ná 6 maart 2013 (de datum van de RokaLicentieovereenkomst) hebben voorgedaan, kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van onrechtmatig profiteren. Dit geldt temeer nu het hof van oordeel is dat uit alle feiten en omstandigheden blijkt dat Roka het vooropgezette plan had om te bewerkstelligen dat zij, in plaats van de Silife-Vennootschappen, het Octrooi zou gaan exploiteren. Zeker in die context bezien is het, zoals het hof ook in rov. 5.21.6. heeft overwogen, niet doorslaggevend of [betrokkene 1] , [eiser 4] en Magnichem hun medewerking reeds vóór de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst hadden toegezegd of pas (zeer) kort daarna.
randnummer 4.49. van de procesinleidingdat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het niet van belang heeft geacht in hoeverre schade is geleden, althans nadeel voorzienbaar was in ernstige dan wel in enige (te verwaarlozen) mate.
randnummer 4.52. van de procesinleidingdat het slagen van (één van) de klachten in de onderdelen I, II en III met zich brengt dat ook rov. 5.21.2. niet kan standhouden.
klacht IVaen
randnummer 4.50. van de procesinleidingdat zij – als buitenstaanders – niet uit eigen kennis konden beoordelen of Silife Ltd. jegens Liquistone tekortschoot. Volgens Roka c.s. is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, indien het heeft geoordeeld dat het voldoende is als een partij redelijkerwijs geacht moet worden te hebben geweten van
de mogelijkheidvan wanprestatie, of
het vermoedenmoet hebben gehad van een wanprestatie. Het is immers een noodzakelijke voorwaarde om van onrechtmatig profiteren te kunnen spreken dat sprake is van (redelijkerwijs aanwezig te achten)
wetenschapvan de wanprestatie.
terwijl men weet” dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, dan wel “
terwijl men weet” dat daarmee een onrechtmatige daad wordt gepleegd jegens een derde, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig is, maar dat daarvoor bijkomende verzwarende omstandigheden nodig zijn. Het hof heeft derhalve als vertrekpunt genomen dat wetenschap van de wanprestatie respectievelijk onrechtmatige daad noodzakelijk is, waarna het hof heeft beoordeeld of sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden. Dit blijkt ook uit rov. 5.21.2., waarin het hof heeft geoordeeld dat Roka “
wist”, althans “
in redelijkheid [had] moeten weten”, dat de ontbinding niet rechtsgeldig was en dat Liquistone wanprestatie jegens Silife Ltd. zou plegen als Liquistone de Roka-Licentieovereenkomst zou sluiten. Het blijkt verder uit rov. 5.21.3., 5.21.4. en 5.21.5., waarin het hof spreekt van “
wist” en “
bekend was met”. Anders dan Roka c.s. betogen, heeft het hof dus niet geoordeeld dat Roka slechts wist dat Liquistone
mogelijkwanprestatie jegens Liquistone pleegde of dat Roka een
vermoedenmoet hebben gehad dat Liquistone wanprestatie pleegde.
klacht IVc [53] betogen Roka c.s. dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat de omstandigheden die het hof in rov. 5.21.1. en 5.21.2. noemt niet (zonder meer) meebrengen dat Roka – als buitenstaander – redelijkerwijs aan te nemen bekendheid had met de ongeldigheid van de ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst en de wanprestatie van Liquistone.
klacht IVdbetogen Roka c.s. dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan of zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat het aan diverse essentiële stellingen van Roka c.s. is voorbijgegaan. Het gaat om de in klacht IVc genoemde omstandigheden dat Roka (i) als buitenstaander geen kennis had van de rechtsbetrekking tussen Silife Ltd. en Liquistone en de vraag of Silife Ltd. tekortschoot en (ii) van [betrokkene 1] te horen had gekregen dat Silife Ltd. al geruime tijd onherstelbaar tekortschoot in de nakoming van de SilifeLicentieovereenkomst, Silife Ltd. reeds in gebreke was gesteld, Silife Ltd. technisch failliet was, de SilifeLicentieovereenkomst de facto al was beëindigd, de advocaat van Liquistone de bevoegdheid tot ontbinding van de Silife-Licentieovereenkomst had onderschreven en alle betrokken bij Silife Ltd. op de hoogte waren gebracht van de interesse van Roka in een samenwerking en daarop niet hadden gereageerd.
klacht Vabetogen Roka c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is indien het hof in rov. 5.16., 5.21.3., 5.21.4. en 5.21.5. van een wanprestatie van Liquistone jegens Silife Ltd. is uitgegaan, zonder (eerst) te onderzoeken of Silife Ltd. wanprestatie pleegde jegens Liquistone.
klacht Vbbetogen Roka c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is, voor zover het hof in rov. 5.21.3. heeft geoordeeld dat Roka had moeten weten dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst niet rechtsgeldig was, omdat zij wist dat de SilifeVennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren. Als Silife Ltd. al enige activiteiten ontplooide, betekent dat volgens Roka c.s. nog niet dat Silife Ltd. daardoor de SilifeLicentieovereenkomst correct nakwam en niet achterbleef bij wat Liquistone van haar mocht verwachten.
Daarnaast wist Roka dat…”). Zoals het hof terecht heeft overwogen, had die omstandigheid immers een van de redenen moeten zijn voor Roka om te twijfelen aan de mededeling van [betrokkene 1] dat de Silife-Licentieovereenkomst de facto al was beëindigd.
klacht Vcop tegen het oordeel van het hof in rov. 5.21.3. dat Roka zou hebben geweten dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten, omdat Roka zelf door of namens de Silife-Vennootschappen zou zijn benaderd in hun zoektocht naar investeerders. Volgens Roka c.s. heeft het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat Roka zou hebben geweten dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om de licentie te exploiteren. Roka is namelijk niet (eerder) door (een van) de SilifeVennootschappen benaderd met het oog op een investering.
randnummer 4.61. van de procesinleidingniet opgaat.
klacht Vd [54] betogen Roka c.s. dat alleen in bijzondere omstandigheden van een partij (in dit geval Roka) mag worden gevergd bij een derde (in dit geval Silife Ltd.) navraag te doen alvorens een overeenkomst te sluiten. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft het hof volgens Roka niet vastgesteld. Daarom heeft het hof in rov. 5.21.3. niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom Roka op basis van één enkel eerder (door het hof aangenomen) contact met Silife Ltd. in twijfel had moeten trekken dat de SilifeVennootschapen geen inspanningen meer verrichtten en Roka contact had moeten opnemen met Silife Ltd. om dat de verifiëren. Zelfs als Roka eerder door de SilifeVennootschappen zou zijn benaderd, is dat contact niet van dien aard geweest dat Roka daarin een reden had moeten vinden om bij Silife Ltd. te verifiëren of zij inderdaad, zoals [betrokkene 1] volhield, geen inspanningen meer verrichtte. Dit onderzoek zou bovendien enkel twijfel hebben kunnen oproepen over de gestelde wanprestatie van Silife Ltd. – en daarmee een
vermoedenvan een wanprestatie kunnen opleveren – maar dat is onvoldoende om van onrechtmatig profiteren van een wanprestatie te kunnen spreken.
vermoedenvan een wanprestatie had kunnen opleveren. Zoals het hof in rov. 5.21.2. heeft overwogen, wist Roka immers al dat de in de ontbindingsbrief van Liquistone genoemde ontbindingsgronden ongegrond waren. Als Roka dan ook nog ondubbelzinnig van Silife Ltd. zou hebben gehoord dat [betrokkene 1] en Lisida op 18 februari 2013 als bestuurders van Silife Ltd. waren ontslagen en de SilifeLicentieovereenkomst helemaal niet de facto al was beëindigd, had Roka zonder enige twijfel kunnen concluderen dat Liquistone wanprestatie jegens Silife Ltd. zou plegen als zij de Roka-Licentieovereenkomst zou aangaan. Het doen van navraag had dus niet slechts een
vermoedenvan wanprestatie opgeleverd.
klacht VIadat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat van Roka mocht worden verlangd om contact te zoeken met Silife Ltd. Er bestaat immers geen rechtsregel die een partij verplicht om vóór het aangaan van een overeenkomst na te gaan of het de andere partij vrijstaat om te contracteren. Dit geldt temeer voor zover Roka dit had moeten nagaan bij partijen met een afgeleide positie, zoals de houders van een sublicentie (bijvoorbeeld Silife India), met wie Roka toentertijd niet eens bekend was. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken en het hof heeft dergelijke omstandigheden niet vastgesteld.
bijkomende verzwarende omstandigheden”). Dat oordeel is niet onjuist en zoals in randnummer 3.66. hiervoor toegelicht, evenmin onbegrijpelijk.
klacht VIbbetogen Roka c.s. dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat Roka kort na 6 maart 2013 (de datum van de Roka-Licentieovereenkomst) nog wel contact heeft gezocht met Silife Ltd. over de exploitatie van het Octrooi. Roka c.s. verwijzen in dit kader naar de pleidooizitting op 26 september 2019, waar [eiser 2] het volgende heeft verklaard: [55]
Wij”) contact hebben gehad met [betrokkene 1] , maar zijn mededelingen had Roka in twijfel moeten trekken (rov. 5.21.3. en 5.21.4.). Uit de verklaring van [eiser 2] , die slechts heeft verklaard te hebben “
gehoord” dat “
daar” met Marcel van der Veld over is gesproken, blijkt niet (i) wie Marcel van der Veld is, (ii) met wie Marcel van der Veld contact heeft gehad over de vraag of het Liquistone vrijstond om de RokaLicentieovereenkomst aan te gaan en (iii) welke informatie dat contact heeft opgeleverd. Roka c.s. lichten dit ook niet toe, anders dan door niet onderbouwd te stellen dat het contact geen onmogelijkheid uitwees voor Liquistone om de Silife-Licentieovereenkomst te ontbinden. [56] Gelet op deze vage, niet-onderbouwde stellingname door Roka c.s. is het niet onbegrijpelijk dat het hof ervan is uitgegaan dat Roka c.s. niet bij Silife Ltd. heeft nagevraagd of de SilifeLicentieovereenkomst de facto al was beëindigd.
klachten VIc en VIe, die in de kern op hetzelfde neerkomen, dat het hof niet (voldoende) duidelijk heeft gemotiveerd waarom Roka ermee bekend was dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren. De SilifeVennootschappen hebben Roka immers niet benaderd. [eiser 2] heeft Roka benaderd, nadat Roka [eiser 2] had laten weten geïnteresseerd te zijn in de exploitatie van gestabiliseerd siliciumzuur. Roka kende de Silife-Vennootschappen op dat moment nog niet.
klacht VIdbetogen Roka c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat Roka uit de inspanningen van de Silife-Vennootschappen had moeten afleiden dat Silife Ltd. de SilifeLicentieovereenkomst correct nakwam. Dit geldt temeer nu [betrokkene 1] , als bestuurder van Silife Ltd., Roka had medegedeeld dat Silife Ltd. wél tekortschoot in de nakoming van de Silife-Licentieovereenkomst.
randnummer 4.72. van de procesinleidingdat rov. 5.21.4. niet kan standhouden, voor zover het daarin vervatte oordeel steunt op de oordelen die Roka c.s. in de onderdelen I tot en met VI hebben bestreden.
klacht VIIadat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat van Roka in redelijkheid mocht worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. navraag zou doen of de Silife-Licentieovereenkomst de facto al was geëindigd. Er is immers geen rechtsregel die Roka verplichtte om dit bij Silife Ltd. na te gaan, althans die verplichting is er slechts in (zeer) bijzondere omstandigheden die het hof niet heeft vastgesteld.
klacht VIIbbetogen Roka c.s. dat het hof niet (voldoende) begrijpelijk het verweer heeft verworpen dat Roka dacht dat [betrokkene 1] haar als bestuurder van Silife Ltd. benaderde. [betrokkene 1] benaderde Roka namelijk niet, maar [eiser 2] bracht Roka in contact met [betrokkene 1] met het oog op een mogelijke samenwerking van Silife Ltd. met Roka.
randnummers 4.76., 4.77. en 4.78. van de procesinleidingdat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat van Roka mocht worden verwacht dat zij bij Silife Ltd. zou navragen of de SilifeLicentieovereenkomst inderdaad was geëindigd. Roka c.s. wijzen in dit kader op de volgende negen essentiële omstandigheden, die het hof – afzonderlijk, maar in elk geval als geheel – niet (voldoende) in zijn oordeel zou hebben meegenomen: (a) de licentie was om niet aan Silife Ltd. verstrekt, (b) er was een gebrek aan financiële middelen bij de Silife-Vennootschappen om het Octrooi uit te baten, (c) [betrokkene 1] had gezegd dat een advocaat had bevestigd dat de ontbinding van de SilifeLicentieovereenkomst was gerechtvaardigd, (d) uit de openbare gegevens van de Kamer van Koophandel en internet bleek geen enkele activiteit van de SilifeVennootschappen, (e) de betrokkenen bij Silife Ltd. hebben niet gereageerd op de email van 6 maart 2013 van Roka, waarin zij interesse toonde in een samenwerking (randnummer 1.18. hiervoor), hetgeen Roka heeft opgevat als een bevestiging dat Silife Ltd. inderdaad de Silife-Licentieovereenkomst niet nakwam, (f) Roka was tot medio maart 2013 onbekend met Silife Ltd., (g) het was onmogelijk voor Roka om als buitenstaander na te gaan of de Silife-Licentieovereenkomst de facto al was geëindigd, (h) Roka heeft kort na 6 maart 2013 nog contact opgenomen met Silife Ltd., maar er werd geen interesse getoond en (i) op grond van de positie van [betrokkene 1] , niet alleen als bestuurder en aandeelhouder van Liquistone, maar ook als aandeelhouder van Silife Ltd., kon [betrokkene 1] geacht worden te weten of Silife Ltd. haar verplichtingen uit de SilifeLicentieovereenkomst nakwam.
Omstandigheid (a)is niet essentieel en heeft het hof dus niet kenbaar in zijn beoordeling hoeven betrekken. Het hof heeft in rov. 5.21.8. uitgebreid uiteengezet op welke wijze de Silife-Vennootschappen door de Roka-Licentieovereenkomst werden geschaad. Dat Silife Ltd. op grond van de Silife-Licentieovereenkomst geen vergoeding aan Liquistone hoefde te betalen, doet hieraan niet af.
Omstandigheid (b)kan aan het oordeel van het hof niet afdoen, omdat het hof in rov. 5.16. heeft overwogen dat Silife Ltd. op zoek was naar externe investeerders en mede om die reden niet is gebleken dat Silife Ltd. zich niet (voldoende) inzette of niet in staat was om de Silife-Licentieovereenkomst te exploiteren. Bovendien blijkt uit rov. 5.21.8. dat Roka, anders dan zij betoogt, wél diende uit te gaan van een groot nadeel voor de SilifeVennootschappen.
Omstandigheid (c)wordt gelogenstraft omdat het hof in rov. 5.21.3. en 5.21.4. heeft geoordeeld dat Roka gegronde redenen had om te twijfelen aan de mededelingen van [betrokkene 1] .
Omstandigheid (d)heeft het hof in rov. 5.21.3. terzijde geschoven, omdat Roka wist dat de Silife-Vennootschappen inspanningen verrichtten om het Octrooi te exploiteren.
Omstandigheid (e)is niet essentieel, omdat zij niet afdoet aan het oordeel van het hof dat Roka bij Silife Ltd. navraag had moeten doen naar de status van de SilifeLicentieovereenkomst (rov. 5.21.3. en 5.21.4.). Gelet op de twijfels die Roka bij de mededelingen van [betrokkene 1] had moeten hebben, had Roka uit het feit dat de overige betrokkenen bij Silife Ltd. niet op de e-mail van 6 maart 2013 van [eiser 2] reageerden niet zonder meer mogen afleiden dat Silife Ltd. (dus) geen interesse in de potentiële financier had. [57] Dit geldt temeer nu naar het oordeel van het hof uit alle feiten en omstandigheden tezamen blijkt dat Roka het vooropgezette doel had om te bewerkstelligen dat zij in plaats van de SilifeVennootschappen het Octrooi zou gaan exploiteren (rov. 5.21.6.).
Omstandigheid (f)is niet essentieel en heeft het hof dus niet kenbaar in zijn oordeel hoeven betrekken. Dat Roka vóór 6 maart 2013 Silife Ltd. niet kende, betekent immers niet dat Roka niet onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld door een maand later, op 6 april 2013, de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan.
Omstandigheid (g)is reeds beoordeeld in klacht IVc en maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk (randnummers 3.53. en 3.54. hiervoor).
Omstandigheid (h)is reeds beoordeeld in klacht VIb en maakt het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk (randnummers 3.71. en 3.72. hiervoor).
Omstandigheid (i)doet niet af aan het oordeel van het hof in rov. 5.21.3. en 5.21.4. dat Roka gegronde redenen had om te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen van [betrokkene 1] . Deze gegronde redenen kunnen niet worden weggenomen door de positie van [betrokkene 1] , zeker nu Roka wist dat er strubbelingen waren tussen de bij Silife Ltd. en Liquistone als aandeelhouders en bestuurders betrokken (rechts)personen (rov. 5.21.4.).
randnummer 4.79. van de procesinleidingdat het hof niet (voldoende) begrijpelijk heeft geoordeeld dat het des temeer klemt dat Roka niet bij Silife Ltd. heeft nagevraagd of de Silife-Licentieovereenkomst inderdaad was geëindigd, omdat Roka wel een kort
due diligenceonderzoek heeft gedaan. Volgens Roka c.s. blijkt hieruit juist dat zij zorgvuldig is geweest alvorens de Roka-Licentieovereenkomst aan te gaan.
due diligenceonderzoek wordt uitgevoerd en – ondanks meerdere rode vlaggen (rov. 5.21.3 en 5.21.4.) – niet aan de huidige/vorige licentiehouder (Silife Ltd.) wordt gevraagd wat de status van de SilifeLicentieovereenkomst is. Veel extra tijd en moeite had een dergelijke navraag waarschijnlijk niet gekost.
randnummer 4.80. van de procesinleidingdat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat van een tekortkoming geen sprake is, omdat Silife Ltd. uit geldelijk onvermogen niet tot presteren in staat was. Geldelijk onvermogen levert immers geen overmacht op, althans komt voor risico van Silife Ltd., en neemt de tekortkoming zelf niet weg.
klacht VIIIabetogen Roka c.s. dat het hof niet (voldoende) heeft gemotiveerd waarom het is uitgegaan van een groter aandelenbelang van [betrokkene 1] in SI Tech dan in Silife Ltd. [betrokkene 1] had in Silife Ltd. immers een belang van 42,5% en in SI Tech slechts een belang van 38%.
Silife Ltd.” had. Gelet op het hiervoor weergegeven betoog van Silife c.s. en ABP – dat uitgaat van het aandelenbelang in Silife BV (en niet in Silife Ltd.) – ligt het voor de hand dat het hof Silife BV heeft bedoeld op de plaats waar het Silife Ltd. heeft geschreven. Deze verschrijving is echter onvoldoende om de overweging van het hof als onbegrijpelijk aan te merken. De gehele context in ogenschouw nemend, is het immers duidelijk dat het hof heeft bedoeld dat [betrokkene 1] , door zijn ‘overstap’ van de Silife-Vennootschappen naar de SI-Vennootschappen, een groter belang verkreeg in de vennootschap die het Octrooi daadwerkelijk exploiteerde (Silife BV respectievelijk SI Tech).
klacht VIIIbdat het niet (voldoende) begrijpelijk is voor zover het hof ervan is uitgegaan dat de door Roka bewerkstelligde samenwerking tussen Magnichem en de SIVennootschappen exclusief was. Magnichem opereerde immers voor allerhande marktpartijen. Als het hof een dergelijke exclusiviteit niet op het oog had, is het niet begrijpelijk waarom de samenwerking tussen Magnichem en de SI-Vennootschappen bijdraagt aan de kwalificatie van het handelen van Roka als onrechtmatig jegens de Silife-Vennootschappen.
klacht VIIIcbetogen Roka c.s. dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het – bij de beoordeling of Roka onrechtmatig jegens Silife c.s. heeft gehandeld – ook omstandigheden van ná de totstandkoming van de Roka-Licentieovereenkomst in aanmerking heeft genomen. Volgens Roka c.s. komt het aan op een toetsing naar het moment van de contractsluiting, dus op grond van omstandigheden van vóór en tijdens de contractsluiting, en niet daarna.
randnummer 4.84. van de procesinleidingfaalt, want die bouwt voort op de klachten VIIIa, VIIIb en VIIIc, die geen van alle opgaan.
klacht VIIIden
randnummer 4.86. van de procesinleidingdat de hiervoor geformuleerde klachten, indien gegrond, ook rov. 5.21.6., 5.21.7., 5.21.8. en 5.22. raken. Ook deze voortbouwklachten falen, omdat de hiervoor geformuleerde klachten niet tot cassatie leiden.
randnummer 4.87. van de procesinleidingdat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven als (één of meer van) de hiervoor genoemde klachten gegrond zijn.
randnummer 4.88. van de procesinleidingdat het hof ten onrechte aan een essentieel verweer is voorbijgegaan, namelijk dat niet aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW Pro is voldaan. Roka c.s. hebben gesteld dat de geschonden norm niet strekt ter bescherming tegen de beweerde schade, te weten de schade die Liquistone aan Silife Ltd. heeft toegebracht en de (hiervan afgeleide) aan Silife BV en Silife India toegebrachte (indirecte) schade, die nooit in rechte is vastgesteld.
randnummer 4.89. van de procesinleidingdat het onbegrijpelijk is waarom Roka, in het belang van Liquistone, bij Silife Ltd. had moeten nagaan of de SilifeLicentieovereenkomst inderdaad de facto al was geëindigd.
randnummer 4.90. van de procesinleidingdat deze rechtsoverwegingen geen stand kunnen houden indien (één of meer) van de voorgaande klachten terecht zijn voorgesteld.
randnummer 4.98. van de procesinleiding– per abuis onder het kopje “
Klacht XII” [63] en na een uiteenzetting over externe bestuurdersaansprakelijkheid [64] – dat het hof niet heeft uiteengezet waarom [eiser 3] , hoewel hij als bestuurder van Roka handelde, náást Roka aansprakelijk is, althans waarom hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
randnummer 4.99. van de procesinleidingdat het hof in rov. 5.40. van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat het heeft miskend dat voor aansprakelijkheid van een bestuurder de zwaardere norm van bestuurdersaansprakelijkheid geldt en niet de reguliere onrechtmatigheidsnorm.
randnummer 4.100. van de procesinleidingdat het niet voldoende begrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat de toezegging van de medewerking door [eiser 4] zou moeten worden afgeleid uit de noodzakelijkheid van de medewerking van [eiser 4] en Magnichem. De noodzaak van medewerking impliceert de toezegging immers niet. Bovendien heeft [eiser 4] consequent volgehouden pas ná totstandkoming van de RokaLicentieovereenkomst zijn medewerking te hebben toegezegd.
randnummer 4.101. van de procesinleidingdat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, voor zover het hof aan de kwalificatie van de handelingen en gedragingen van [eiser 4] als onrechtmatig, mede de voorzienbaarheid van ernstig nadeel voor de SilifeVennootschappen ten grondslag heeft gelegd. Tussen Magnichem en Silife c.s. bestond immers geen exclusiviteit en Magnichem kon voor zowel Silife Ltd. als Roka produceren.
randnummer 4.101. van de procesinleidingdat het niet voldoende begrijpelijk is waarom een samenwerking tussen Magnichem en de SI-Vennootschappen mede een grond oplevert om van onrechtmatig handelen van [eiser 4] uit te gaan. [eiser 4] had immers geen zeggenschap over Magnichem als bestuurder of aandeelhouder.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
randnummers 2.1 tot en met 2.1.6 van hun verweerschriftdat dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof heeft miskend dat het niet slechts om afgeleide schade gaat (in die zin dat de waarde van de aandelen van ABP in het kapitaal van Silife BV is afgenomen), maar – daarnaast – om eigen schade van ABP door het waardeloos worden van haar investering in de samenwerking met Silife BV. Het hof heeft volgens Silife c.s. ook miskend dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende is dat vast komt te staan dat er mogelijk schade is geleden.
Onrechtmatige daad en wanprestatie [eiser 4] jegens Silife c.s.
randnummers 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.4 van hun verweerschrift, die in de kern op hetzelfde neerkomen, dat het onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is dat het hof de vordering tot schadevergoeding van Silife c.s. heeft beperkt tot “
het kapen van de licentie” door Roka c.s. en onbesproken heeft gelaten dat het onrechtmatige handelen van Roka c.s. daarnaast zag op het kapen “
van het commerciële netwerk om de met die licentie vervaardigde producten te kunnen afzetten.” [71]
alleschade die Silife c.s. hebben geleden doordat Roka c.s. het Octrooi is gaan exploiteren, ongeacht of die exploitatie heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van het door Silife c.s. opgebouwde commerciële netwerk of anderszins.
los van de exploitatie van het Octrooi– jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door technische en commerciële informatie terzake het Octrooi te bemachtigen en te exploiteren (rov. 5.48., 5.53., 5.58. en 5.66.). Silife c.s. hebben immers niet onderbouwd – en dit valt ook niet in te zien – hoe Roka c.s. de technische en commerciële informatie van Silife c.s. hebben gebruikt,
zonderdit te gebruiken voor de (verdere) exploitatie van het Octrooi.
randnummer 2.2.3 van hun verweerschriftdat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 5.48. heeft overwogen dat Silife c.s. niet hebben toegelicht waarom het ter beschikking stellen van [eiser 4] ’s netwerk in India onrechtmatig is jegens Silife c.s. Het hof heeft immers niet gemotiveerd waarom het
’snetwerk betrof en niet het netwerk van
Silife c.s., terwijl [eiser 4] als bestuurder van Silife India opereerde.
randnummer 2.2.3 van hun verweerschriftdat het hof in rov. 5.51., 5.52. en 5.53. heeft miskend dat Magnichem samen met [eiser 4] een essentiële schakel was in het commerciële- en productienetwerk in onder meer India. Volgens Silife c.s. heeft het hof ook hier miskend dat het om het (overnemen van het) commerciële en productienetwerk gaat.
randnummer 2.2.5 van hun verweerschriftklagen Silife c.s. dat rov. 5.58., 5.62. en 5.66. van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven als één of meer van de klachten in dit onderdeel slagen.
randnummer 2.3.1 van hun verweerschriftdat het slagen van (één van) de klachten in onderdeel 2.2 meebrengt dat het hof ook het bewijsaanbod van Silife c.s. niet had mogen passeren.
randnummer 2.3.1 van hun verweerschriftdat hun bewijsaanbod ten aanzien van de commerciële informatie voldoende concreet en ter zake dienend was, waardoor het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof het bewijsaanbod op die grond heeft afgewezen. Het bewijsaanbod van Silife c.s. zag op: [74]
randnummer 2.3.2 van hun verweerschriftdat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat (i) onvoldoende duidelijk is op welk aanbod welke afwijzing ziet (het hof noemt er meerdere) en (ii) niet duidelijk is of het aanbod is afgewezen omdat het te vaag is of omdat het niet ter zake dienend is.
randnummer 2.3.3 van hun verweerschriftdat het slagen van één of meer klachten in dit onderdeel meebrengt dat ook rov. 5.58., 5.62. en 5.66. geen stand houden.
randnummer 2.4 van hun verweerschriftdat dit oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, voor wat betreft het verspreiden van het gerucht dat Silife c.s. hun licentierechten hadden verloren. Volgens Silife c.s. heeft het hof niet gemotiveerd waarom Roka, [eiser 2] en/of [eiser 3] in dit verband niet onrechtmatig hebben gehandeld.
randnummers 2.4.1 en 2.4.2 van hun verweerschriftdat het oordeel van het hof rechtens onjuist is, omdat het hof had moeten onderkennen – eventueel onder aanvulling van de rechtsgronden – dat aan de vereisten voor groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW Pro is voldaan. Volgens Silife c.s. betrof het een gecoördineerde actie van Roka c.s. met een bewuste samenwerking en taakverdeling, zodat zowel objectief (tussen de gedragingen) als subjectief (tussen de personen) sprake is van een zekere samenhang. Daarnaast had elk van de deelnemers de mogelijkheid om de groep van de onrechtmatige handelingen te weerhouden.
randnummer 2.4.3 van hun verweerschriftdat het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof heeft miskend dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid buiten art. 6:166 BW Pro om. Silife c.s. hebben zich immers steeds op het standpunt gesteld dat onrechtmatig is gehandeld door deel te nemen aan de onrechtmatige daad van Roka c.s. en Magnichem en dat Roka c.s. bewust met elkaar samenwerkten. Deze stellingen zijn voldoende om hoofdelijke aansprakelijkheid van Roka c.s. toe te wijzen.
condicio sine qua nonzijn voor het intreden van de gehele schade.
randnummer 2.4.4 van hun verweerschriftdat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het heeft geoordeeld dat het gaat om verschillende maten van schuld bij de veroordeelden. Voor hoofdelijkheid maakt het immers niet uit dat de ene dader meer schuld heeft dan de ander.