Conclusie
verhuurder) verhuurt een appartement aan verweerders in cassatie (hierna:
huurders). Het gebouw wordt verwarmd door middel van een zogenoemde warmte- en koudeopslaginstallatie (hierna: WKO-installatie). Verhuurder heeft ter zake van de levering van warmte onder meer een ‘vastrecht’ in rekening gebracht. Huurders bestrijden dat zij onder deze noemer tot een vergoeding voor kapitaals- en onderhoudslasten betreffende de WKO-installatie gehouden zijn. Overeenkomstig hun stelling heeft het hof geoordeeld dat deze kosten op grond van art. 7:237 lid 2 BW Pro geacht worden te zijn verdisconteerd in de kale huurprijs, omdat de WKO-installatie als 'onroerende aanhorigheid’ in de zin van art. 7:233 BW Pro moet worden aangemerkt. In cassatie wordt door verhuurder opgekomen tegen het oordeel dat de WKO-installatie kwalificeert als onroerende aanhorigheid. Verder keert het middel zich tegen het oordeel van het hof dat voorrang moet worden gegeven aan het huurrecht (in het bijzonder art. 7:237 lid 2 BW Pro) boven de Warmtewet 2014.
1.Feiten
, toev. A-G [5] ] een overeenkomst gesloten met BTES.
Geachte huurder,Onlangs heeft u aangegeven graag één van de appartementen in de Stoker te willen huren. Misschien bent u zelfs al verhuisd.
2.Procesverloop
(i) een verklaring voor recht dat verhuurder niet gerechtigd is om bij huurders bedragen in rekening te brengen onder de noemer ‘
vastrecht’, waaronder (maar niet beperkt tot) vastrecht warmte, vastrecht koude en vastrecht afleverset/tap;
(ii) een verklaring voor recht dat huurders bedragen die zij reeds hebben betaald of nog zullen betalen uit hoofde van ‘vastrecht’, als zijnde onverschuldigd betaald kunnen terugvorderen van verhuurder.
vastrecht’ verstaan huurders: de kosten van onderhoud, instandhouding en aflossing van de installatie voor levering van warmte en koude. [13]
primairten grondslag gelegd dat geen contractuele grondslag bestaat voor de betaling van vastrecht. Zij erkennen dat zij de variabele verbruikskosten aan verhuurder verschuldigd zijn uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking; zij worden echter niet verrijkt wat betreft het vastrecht.
Subsidiair, voor het geval zij wel zouden worden verrijkt wat betreft het vastrecht, hebben huurders aangevoerd dat doorbelasting van het vastrecht op grond van art. 7:237 lid 2 BW Pro alleen mogelijk is door verdiscontering in de kale huurprijs, omdat de gehele WKO-installatie, als onlosmakelijk onderdeel van het constructieve deel van het wooncomplex [14] , kwalificeert als ‘onroerende aanhorigheid’ in de zin van art. 7:233 BW Pro. Het vastrecht mag niet als servicekosten worden doorberekend, aldus huurders. [15]
Grief IIkeert zich tegen het oordeel (in rov. 9) dat de WKO-installatie geen onderdeel uitmaakt van het gehuurde omdat BTES door middel van een recht van opstal eigenaar is van de WKO-installatie. [21]
tussenarrest van 9 juli 2019 [23] heeft het hof de WKO-installatie en de afleverset gekwalificeerd als onroerende aanhorigheden in de zin van art. 7:233 BW Pro (rov. 4.6-4.7). Het heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen.
eindarrest van 24 maart 2020 [27] heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat verhuurder bij de huidige stand van de regelgeving niet gerechtigd is bij huurders kosten in rekening te brengen die zijn genaamd ‘vastrecht warmte’, ‘vastrecht koude’ en ‘vastrecht afleverset/tap’, met veroordeling van verhuurder tot terugbetaling aan huurders van de door hen voor ‘vastrecht’ betaalde bedragen. Daaraan heeft het hof, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
nietopgekomen tegen het daarop volgende oordeel dat het dwingendrechtelijk karakter van het huurrecht eraan in de weg staat dat verhuurder hetzelfde doel bereikt over de band van ongerechtvaardigde verrijking (rov. 2.9 EA).
als zodanignaast de huurprijs ook de kapitaals- en onderhoudskosten van de WKO-installatie aan huurders in rekening kan brengen. Mocht dat (inderdaad) niet het geval zijn, dan staat vast dat de route van ongerechtvaardigde verrijking afgesloten is.
onroerende aanhorigheden’ is niet wettelijk gedefinieerd.
maatstafvoor die kwalificatie werd daarbij niet gegeven. Deze lijkt eerst te moeten worden ontleend aan een uitspraak van uw Raad van 10 februari 2012 met betrekking tot 7:290 lid 3 BW, volgens welke het bij die bepaling gaat om:
woonruimte(de ‘kale’ huurprijs).
servicekosten’ is uitgewerkt in het Besluit servicekosten. [43] In de bijlage bij art. 1 Besluit Pro servicekosten is een lijst opgenomen, waarin (niet limitatief) zaken en diensten worden opgesomd waarvoor de vergoeding in ieder geval tot de servicekosten wordt gerekend.
Warmtewet 2014) in werking. [45] Deze wet was ook van toepassing op verhuurders die (op grond van een schriftelijke overeenkomst met wettelijk voorgeschreven inhoud) warmte leveren aan hun huurders. De systematiek van de (maximum)tariefstelling [46] van de Warmtewet gaat uit van het doorbelasten van
allekosten die voortvloeien uit de warmtelevering. De kapitaals- en onderhoudskosten van een warmte-installatie kunnen onder de Warmtewet dus worden verdisconteerd in het warmtetarief. Om die reden hebben veel verhuurders na de invoering van de Warmtewet de kosten van afschrijving en onderhoud van de collectieve warmte-installatie uit de kale huurprijs gehaald en ondergebracht in het tarief van de Warmtewet. [47]
Warmtewet 2018) vallen verhuurders in beginsel niet langer onder de reikwijdte van de wet (art. 1a Warmtewet 2018). Voor hen gelden echter nog wel de voorschriften over het meten van geleverde warmte en de kostenverdeling in art. 8 (leden 2-4, 6, 7 en 9) en art. 8a Warmtewet. [53] Verhuurders zijn alsnog uitgezonderd van toepasselijkheid van de Warmtewet omdat huurders door het huurrecht voldoende worden beschermd tegen mogelijk machtsmisbruik van een warmteleverende verhuurders, aldus de wetgever. Die gaat er daarbij vanuit dat de kosten van warmtelevering vallen onder de servicekostenregeling van art. 7:237 lid 3 BW Pro en bijbehorende rechtsbescherming. [54]
niet meer beschouwd als onroerende aanhorighedendie deel uitmaken van de gehuurde woonruimte.
niet meer tot de onroerende aanhorigheden gerekend.” (onderstreping A-G) [60]
WKO-installatie onroerende aanhorigheid
terugkomen op bindende eindbeslissing?
subonderdeel 1.1is de kwalificatie van de WKO-installatie als onroerende aanhorigheid (rov. 4.6-4.7 TA en rov. 2.1-2.3 EA) rechtens onjuist, omdat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van de vordering van huurders heeft aangevuld, althans buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door aan zijn oordeelsvorming ten grondslag te leggen dat:
niethebben gegrond op de stellingen genoemd onder (i)-(iii), aldus het eerste subonderdeel. Daartoe wordt aangevoerd dat huurders enkel hebben gesteld dat de WKO-installatie ‘
aard- en nagelvast’ is en het opstalrecht niet aan de kwalificatie als onroerende aanhorigheid in de weg staat (MvG, nrs. 2.5-2.6) en slechts in algemene zin dat de installatie ‘onderdeel uitmaakt van het gehuurde’ (inl. dagv., nrs. 14 en 23).
aard- en nagelvaste verbondenheidvan de WKO-installatie met het gehuurde (vgl. art. 3:4 lid 2 BW Pro). Het hof heeft voor de eerste aanleg de grondslag ook zo opgevat (rov. 3.2 TA) en vervolgens – begrijpelijkerwijze – niet vastgesteld dat die in hoger beroep is aangevuld met een concreet beroep op hetgeen zou volgen uit de verkeersopvatting. Dergelijke stellingen worden, zoals ook verhuurder heeft opgemerkt [73] , in de gedingstukken niet aangetroffen. Gelet op de door het hof in rov. 4.7 genoemde factoren (‘afstemming in constructief opzicht’, ‘onvoltooid’ zijn, ‘gebruikelijk uitrustingsniveau’) heeft het hof zijn oordeel niettemin (in overwegende mate) doen steunen op bestanddeelvorming op grond van de
verkeersopvatting(vgl. art. 3:4 lid 1 BW Pro) [74] , zulks in strijd met art. 24 Rv Pro. Daaraan doet niet af dat het hof zijn oordeel dat sprake is van ‘specifieke constructieve afstemming’ omdat het gebouw Stoker bij het ontbreken van de WKO-installatie als ‘onvoltooid’ moet worden beschouwd, baseert op het vaststaande feit (rov. 2.4 TA) dat een andere wijze van verwarmen van de appartementen niet mogelijk is. Het staat de rechter immers niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering zijn ten grondslag gelegd. [75]
aard- en nagelvaste verbondenheidmet het gebouw – als zodanig door verhuurder niet is bestreden. Deze heeft slechts tegengeworpen dat de installatie geen deel uitmaakt van het gehuurde omdat deze via het opstalrecht in eigendom toebehoort aan BTES. [76] Dit brengt mee dat een verwijzingshof tot geen ander oordeel kan komen dan dat de WKO-installatie – afgezien van de kwestie van het opstalrecht – kwalificeert als bestanddeel op de (zelfstandige) grondslag van fysieke verbondenheid.
eerstegedeelte. Gelet op de plaats (Boek 7 BW) en de structuur van de bepaling moet het ervoor worden gehouden dat het begrip ‘onroerende aanhorigheid’ (art. 7:233 BW Pro,
tweedegedeelte) uitsluitend ziet op voorzieningen die op grond van het goederenrecht
nietreeds behoren tot de onroerende zaak die als woonruimte wordt verhuurd, maar krachtens het verbintenissenrecht (meer in het bijzonder de huurovereenkomst) niettemin tot het gehuurde behoren, aldus de klacht.
naar aard (feitelijk of goederenrechtelijk) onlosmakelijk verbonden’is met de gehuurde woon- of bedrijfsruimte. [77] Dit criterium is daarbij niet nader toegelicht. De gebruikte terminologie suggereert (onder meer) een verwijzing naar bestanddeelvorming op de voet van art. 3:4 BW Pro, althans een analogie met dat leerstuk. Zowel in de literatuur [78] als in de rechtspraak [79] wordt er veelal van uitgegaan dat de kwalificatie als bestanddeel in de zin van art. 3:4 BW Pro één van de criteria is om vast te stellen of sprake is van een onroerende aanhorigheid.
uitgeslotenen dus niet op grond van art. 7:233 BW Pro, eerste gedeelte, tot de woonruimte behoren. Indien zo’n voorziening kwalificeert als bestanddeel, kan zij via art. 7:233 BW Pro, tweede gedeelte – dus als onroerende aanhorigheid – alsnog tot de woonruimte worden gerekend. [82] Art. 7:233 BW Pro, tweede gedeelte, biedt dus wel ruimte voor een bestanddeeltoets.
onzelfstandig zaaksdeelopgaat in de (hoofd)zaak waarvan het een onderdeel vormt. Dit heeft op zijn beurt onder meer tot
rechtsgevolgdat natrekking plaatsvindt – de eigenaar van de hoofdzaak wordt eigenaar van het bestanddeel (art. 5:3 BW Pro) –, dat een oorspronkelijk roerend object als bestanddeel van een onroerende hoofdzaak zijn roerend karakter verliest en – wat betreft art. 7:233 BW Pro – dat het object onder het wettelijk regime voor de huur van woonruimte komt te vallen.
bestanddeelvorming als zodanigzou doorbreken. Aldus geformuleerd berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vestiging van een opstalrecht niets afdoet aan het onzelfstandig karakter van het bestanddeel (dit blijft bijvoorbeeld onroerend), maar slechts een
eigendomsscheidingbewerkstelligt. [83]
subonderdeel 1.5wordt opgekomen tegen rov. 4.6-4.7 TA en rov. 2.1-2.3 EA. De klacht luidt dat het hof daarin de volgende als essentieel aan te merken stellingen van verhuurder onbesproken heeft gelaten.
nu de WKO-installatie krachtens het opstalrecht niet aan verhuurder in eigendom toebehoort, is verhuurder niet beschikkingsbevoegd om huurders het genot c.q. het gebruik van de installatie onder de huurovereenkomst te verschaffen(MvA, nr. 12).
het opstalrecht op de WKO-installatie onderstreept dat het nooit de bedoeling was om warmte- en koudelevering onderdeel van de huurovereenkomst te maken(CvA, nrs. 35-36).
de WKO-installatie bevindt zich niet in het gebouw Stoker, maar tussen een aantal appartementencomplexen in, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van bestanddeelvorming of onroerende aanhorigheid(P-v van comparitie in hoger beroep, p. 4, 4e alinea).
gelet op het Bouwbesluit, het Besluit huurprijzen en opmerkingen van de Woonbond wordt een woonruimte zonder verwarmingsinstallatie naar verkeersopvattingen niet zonder meer als incompleet beschouwd(akte uitlaten zijdens verhuurder d.d. 17 september 2019, nrs. 11-12).
5e stelling:
uit het Besluit huurprijzen woonruimte volgt juist dat het voor WKO-installaties (en andere collectieve installaties) mogelijk wordt geacht om kosten voor vastrecht in de servicekosten te verdisconteren, omdat op grond van dat besluit punten dienen te worden afgetrokken bij warmtelevering (1,5 in plaats van 2 punten per verwarmd vertrek). Dat leidt ertoe dat het vastrecht geen onderdeel van de kale huur kan worden gemaakt nu de huurprijs in een toetsingsprocedure door de huurcommissie zal worden bijgesteld indien de huurprijs bij sociale woonruimte op basis van het woningwaarderingsstelsel boven het maximaal redelijk geachte bedrag uitkomt (waaruit volgt dat geen sprake is van een onroerende aanhorigheid)(akte uitlaten zijdens verhuurder d.d. 17 september 2019, nr. 15).
6e stelling:
in dit kader is van belang is dat de minister bij brief van 23 februari 2018 expliciet heeft gesteld dat apparatuur voor warmtelevering niet als onroerende aanhorigheid kwalificeert(akte uitlaten zijdens verhuurder d.d. 17 september 2019, nr. 17).
nietwenst terug te komen van een bindende eindbeslissing. Dat zou onder omstandigheden anders kunnen zijn, bijvoorbeeld zijn indien partijen gezamenlijk om herziening vragen, nieuwe feiten in een voortgezet partijdebat als juist zijn erkend of een partij niet te verwijten valt nieuwe feiten pas na de eindbeslissing te hebben aangevoerd. [89] In dit geval hebben huurders zich echter uitdrukkelijk tegen voortzetting van het partijdebat verzet [90] en gaat het om stellingen die alle al voor het tussenarrest hadden kunnen worden aangevoerd. In dit licht is de door het hof gegeven motivering, waarin besloten ligt dat geen sprake is van nieuwe feiten, toereikend.
niet valt in te zien waarom ten aanzien van een WKO-installatie anders moet worden geoordeeld dan voor een ‘traditionele’ gasaansluiting, waarvoor een huurder eveneens vastrecht in de servicekosten moet betalen(MvA, nr. 14; akte uitlaten zijdens verhuurder d.d. 17 september 2019, nr. 20).
netbeheerder. Deze stelling is voorts niet aangevoerd in het kader van de kwalificatie als onroerende aanhorigheid. Het hof heeft de stelling in rov. 2.1 EA expliciet benoemd en in zijn oordeel in rov. 2.3 EA ligt besloten dat deze omstandigheid in het licht van de overige feiten niet redengevend is geweest om terug te komen van zijn bindende eindbeslissing ten aanzien van de kwalificatie als onroerende aanhorigheid.
met de komst van de Warmtewet 2014 is beoogd om ook voor installaties als de onderhavige dezelfde betalingssystematiek (met vastrecht in de servicekosten) aan te houden als bij traditionele verwarmingssystemen (zoals een gasaansluiting)(akte uitlaten zijdens verhuurder d.d. 17 september 2019, nr. 21).
subonderdeel 1.6wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7 TA dat “de WKO-installatie
en de afleverset” onroerende aanhorigheden zijn. Het subonderdeel voert aan (i) dat het hof wel gemotiveerd heeft waarom de WKO-installatie onroerend aanhorig zou zijn maar “plotsklaps zonder enige nadere motivering” oordeelt dat ook de afleverset dat is. Dit oordeel zou temeer onbegrijpelijk zijn, omdat (ii) het hof in rov. 4.6 TA de WKO-installatie en de afleverset als twee afzonderlijke voorzieningen aanmerkt en (iii) het hof niet is ingegaan op de stelling van verhuurder dat een afleverset niet naar verkeersopvattingen kan worden beschouwd als onroerende aanhorigheid omdat deze in de praktijk vaak van een derde betrokken kan worden, bijvoorbeeld via een leaseconstructie, zodat de set eigendom blijft van de leverancier. [91]
onderdelenvan de WKO-installatie, waarvan de afleverset er één is. [92] Die vaststelling is begrijpelijk in het licht van:
- de stelling zijdens verhuurder: “
BTES [is] eigenaar (…) van de volledige installatie tot en met de afleverset in de woning.” [93] ;
- de verklaringen zijdens verhuurder ter zitting van het hof: “
De WKO-installatie bestaat uit een warmte/koude pomp en omvat tevens alle buizen die door het gebouw lopen (…). De WKO-installatie eindigt in elk appartement bij de afleverset” en “
De WKO-installatie is in eigendom van BTES, waartoe ook de afleverset behoort.” [94] ; en
- de brief van BAM/BTES aan huurders d.d. 14 december 2011: “
Deze afleverset behoort nog bij onzeenergievoorziening(…).” [95]
Op grond van art. 7:237 lid 2 BW Pro dient de verhuurder die kosten te verdisconteren in de (kale) huurprijs. De systematiek van de wet staat eraan in de weg dat die kosten (ook of in plaats daarvan) in de servicekosten worden begrepen. Een andersluidende regeling in een Besluit Servicekosten is in strijd met (de hogere) wettelijke regel van art. 7:237 lid 2 BW Pro. Op zichzelf biedt de Warmtewet vanaf 1 januari 2014 aan de verhuurder als leverancier de mogelijkheid de kosten [van] de kapitaals- en onderhoudslasten van de verwarmingsinstallatie als onderdeel van de maximale prijs volgens de Warmtewet aan de huurder als verbruiker in rekening te brengen. Alsdan ontstaat er strijdigheid tussen art. 7:237 lid 2 BW Pro en de Warmtewet 2014. Nu per 1 juli 2019 en een enkel onderdeel per 1 januari 2020 de gewijzigde Warmtewet 2018 in werking treedt, waardoor de Warmtewet niet meer van toepassing zal zijn in situaties als de onderhavige en daardoor van strijdigheid tussen beide wettelijke regelingen (Warmtewet en artikel 7:237 BW Pro) geen sprake meer zal zijn, ligt het in de rede een keuze ten gunste van art. 7:237 lid 2 BW Pro te maken. (…)”
subonderdeel 2.2wordt geklaagd dat het hof in rov. 4.11 TA miskent dat art. 1a lid 2 Warmtewet 2018 bepaalt dat art. 8 leden Pro 2 t/m 4, 6, 7 en 9, alsmede art. 8a Warmtewet 2014 onverminderd van toepassing zijn op de onderhavige situatie. Art. 8 Warmtewet Pro zou onder meer voorschrijven dat de leverancier verplicht is tegen een redelijke (separate) vergoeding een meter (als onderdeel van de afleverset) aan de verbruiker in gebruik te geven. In zoverre ziet het hof eraan voorbij dat de Warmtewet 2018 de onderhavige casus niet (geheel) uitzondert van de werkingssfeer van die wet.
welwordt opgeheven.