Conclusie
slidingtijdens een wedstrijd in het amateurvoetbal. [eiser] heeft daarbij een complexe breuk in zijn enkel en onderbeen opgelopen. Uiteindelijk moest hierdoor zijn linker onderbeen worden geamputeerd. De vraag is of [verweerders] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] als gevolg van de sliding heeft geleden en nog zal lijden.
1.Feiten
countervan FVV , de bal net buiten het zestienmetergebied aangespeeld door een medespeler, die de keeper van VV Muntendam had omspeeld.
2.Procesverloop
niette zien welk been (of welke benen) de linkerenkel van [eiser] linksachter raakt (of raken). Volgens het hof is het echter zeer onwaarschijnlijk dat de linkerenkel van [eiser] door de speler met [rugnummer 003] is geraakt (rov. 4.12). Het hof is derhalve ervan uitgegaan dat het letsel van [eiser] door de actie van [verweerder 1] is veroorzaakt (rov. 4.13).
welen wat
nietop de videobeelden zichtbaar is:
buitensporige inzet” van [verweerder 1] en van een “
ernstige overtreding” (rov. 4.22, eerste alinea). De eveneens door [eiser] ingeschakelde [betrokkene 2] (adviseur spelregelzaken van de KNVB en oud internationaal scheidsrechter) komt tot een vergelijkbaar oordeel. Hij meent dat de overtreding in de categorie “
ernstig gemeen spel” valt en derhalve een rode kaart rechtvaardigt (rov. 4.22, tweede en derde alinea).
Op het moment dat de bal voor het doel binnen speelbereik van [hof: [eiser] ] en [hof: [verweerder 1] ] [lag, A-G] deden beide spelers een poging de bal te spelen. [ [eiser] ] was een fractie eerder bij de bal en kon deze daardoor in het doel schieten. [ [verweerder 1] ] was een fractie later en miste daardoor de bal. Deze poging om de bal te spelen was naar mijn mening een “voetbalactie”. Doordat niet de bal werd gespeeld is er wel sprake van een overtreding. Echter een overtreding die ik kwalificeer als “onvoorzichtig” dan wel “onbesuisd”. Het is voor mij in deze beelden niet komen vast te staan dat de overtreding opzettelijk dan wel met buitensporige inzet werd gemaakt.”
3.Aansprakelijkheid in sport- en spelsituaties
buitende context van sport en spel zonder meer jegens het slachtoffer aansprakelijk zal zijn, terwijl dezelfde gedraging, uitgevoerd
binnende context van sport en spel, in de meeste gevallen niet tot aansprakelijkheid zal leiden. Binnen sport- en spelsituaties geldt derhalve, zo noemt Uw Raad het sinds 2003 ook, [16] een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid. [17]
Tennisbal-arrest uit 1990 ging om een tennisspeler die na afloop van een
gameeen aantal tennisballen naar de andere helft van de baan sloeg, waarbij er één in het oog van zijn tegenstander terecht kwam. [19] Uw Raad heeft geoordeeld dat voor het aannemen van onrechtmatigheid van een dergelijke gedraging zwaardere eisen moeten worden gesteld dan wanneer die gedraging niet in het kader van de spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. Uw Raad vervolgde dat:
Natrap-arrest een vergelijkbaar oordeel gegeven over voetballer die tijdens een voetbalwedstrijd een tegenstander had geschopt op het moment dat deze niet meer in balbezit was: [20]
Judoworp-arrest uit 1994 speelden spelregels een cruciale rol. [21] Die zaak draaide om lichamelijk letsel dat tijdens een judo-les was ontstaan, doordat een deelnemer een schouderworp inzette nádat de instructeur een stopcommando had gegeven. Het hof oordeelde dat voorshands moet worden aangenomen dat onrechtmatig was gehandeld, omdat de deelnemer niet op het stopcommando had gereageerd en in plaats daarvan met de oefening was doorgegaan. Uw Raad achtte dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk, omdat het slachtoffer de schouderworp na het stopcommando niet meer behoefde te verwachten:
Witmarsumer Merkeen
Schaatsongevaluit 2003 heeft Uw Raad – onder verwijzing naar het
Natrap-arrest – voor het eerst met zoveel woorden gesproken over “
de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen”. [22] Inhoudelijk heeft Uw Raad de eerder uitgezette lijn en de achtergrond daarvan bevestigd: [23]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
nietop tegen rov. 4.14-4.24 van het bestreden arrest, waarin het hof de (feitelijke) overwegingen heeft gegeven die de basis vormen voor zijn oordelen in rov. 4.25, 4.26 en 4.28. Onder meer de volgende overwegingen zijn in cassatie niet bestreden:
het moment: op de videobeelden is zichtbaar dat [eiser] de bal nog niet heeft gespeeld op het moment dat [verweerder 1] zijn sliding inzet (rov. 4.15, aanhef en derde gedachtestreepje). Er is niet te zien dat [verweerder 1] zijn sliding pas inzet, nadat [eiser] de bal heeft gespeeld (rov. 4.16, aanhef en tweede gedachtestreepje);
de uitvoering: op de videobeelden is niet zichtbaar dat [verweerder 1] met twee benen in de richting van [eiser] springt – [verweerder 1] glijdt met het linkerbeen vooruit en het rechterbeen onder zich over de grond (rov. 4.16, aanhef en eerste gedachtestreepje). Niet vaststaat dat [verweerder 1] niet over de grond gleed; uit de beelden volgt dat hij niet springt, maar glijdt (rov. 4.20, tweede alinea). Uit de beelden blijkt niet dat [verweerder 1] naar [eiser] sprong (rov. 4.23);
de bal: op de videobeelden is te zien dat, op het moment dat [verweerder 1] zijn sliding inzet, de bal in beweging is van links in de richting van [eiser] (rov. 4.15, aanhef en derde gedachtestreepje). Uit de beelden blijkt dus niet dat de bal zich ten tijde van het inzetten van de sliding rechts van [eiser] bevond, waardoor [verweerder 1] per definitie niet meer bij de bal kon komen (rov. 4.23); en
de ruimte: uit de videobeelden volgt niet dat [verweerder 1] onvoldoende ruimte had een sliding uit te voeren (rov. 4.20, laatste volzin).
buitensporige inzet” of “
ernstig gemeen spel” (rov. 4.26) en (ii) de actie van [verweerder 1] niet zo buitensporig was dat deze viel buiten de kaders van wat deelnemers aan een voetbalwedstrijd in redelijkheid mogen verwachten (rov. 4.28). Volgens [eiser] zijn deze oordelen onjuist dan wel onbegrijpelijk.
nietover de grond heeft uitgevoerd, terwijl in cassatie vaststaat dat [verweerder 1] bij zijn sliding
welover de grond gleed, althans dat
nietvaststaat dat [verweerder 1]
nietover de grond gleed (randnummer 4.3, onder (ii), hiervoor).
uit het voorgaande” de conclusie heeft getrokken dat de actie van [verweerder 1] niet zo buitensporig was dat deze viel buiten de kaders van wat deelnemers aan een voetbalwedstrijd in redelijkheid mogen verwachten (rov. 4.28). [eiser] voert hiervoor de volgende omstandigheden aan, die voor het hof de doorslag hadden moeten geven dat [verweerder 1] wél onrechtmatig heeft gehandeld: (i) de zeer ernstige gevolgen duiden erop dat [verweerder 1] de kaders van wat in redelijkheid mag worden verwacht ruimschoots heeft overschreden, (ii) [verweerder 1] heeft zijn actie te hoog en niet over de grond ingezet, (iii) [verweerder 1] speelde de bal niet, (iv) er was onvoldoende ruimte voor een sliding tackle, (v) [verweerder 1] zette zijn actie vanaf linksachter in, hetgeen volgens de spelregels ongeoorloofd is, (vi) [verweerder 1] zette zijn actie te laat in en (vii) [verweerder 1] heeft niet alleen een overtreding gemaakt, maar dit vormde bovendien een gevaarlijke en strafbare actie.
niethad gespeeld en [verweerder 1] de bal nog
welhad kunnen raken, hetgeen impliceert dat [verweerder 1] zijn sliding mogelijk laat, maar niet
telaat heeft ingezet (omstandigheid (vi)). Eveneens onbestreden is dat uit de videobeelden niet blijkt dat [verweerder 1] onvoldoende ruimte had om zijn sliding uit te voeren (omstandigheid (iv)).
van voor of van achter of opzij” kan worden ingezet. [31]
onvoorzichtig” (sanctie: directe vrije schop) of als “
onbesuisd” (sanctie: directe vrije schop en gele kaart) moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat sprake is van een gevaarlijke en (disciplinair) strafbare actie, maakt echter niet dat het hof had moeten oordelen dat de sliding van [verweerder 1] onrechtmatig is. Ook gevaarlijke en disciplinair strafbare overtredingen zijn immers niet automatisch onrechtmatig. Dat de gedraging van [verweerder 1] als een gevaarlijke en disciplinair strafbare overtreding is aan te merken, is wel een factor die meeweegt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid. Blijkens rov. 4.14-4.28 heeft het hof dit niet miskend.
Natrap-arrest (randnummer 3.5 hiervoor) heeft Uw Raad overwogen dat “
niet reeds het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bescherming van de veiligheid van de spelers, onrechtmatig is. Wel is de overtreding van een spelregel een factor die meeweegt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid.” Hieruit blijkt dat – óók wanneer spelregels op de veiligheid van de spelers zien – overtreding van die regels ‘slechts’ een factor is die in de onrechtmatigheidsbeoordeling meeweegt. [34]
Judoworp-arrest (randnummer 3.6 hiervoor), waarin Uw Raad heeft geoordeeld dat op het stopcommando van de judo-instructeur terstond acht moet worden geslagen. Deelnemers behoeven immers na dat commando, anders dan daarvóór, niet langer te verwachten dat zij tegen de grond zullen worden geworpen. [35]
zeker wanneer die (zoals hier) gericht zijn op de veiligheid van de medespelers”, een factor is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een actie bij een sportwedstrijd. Uw Raad heeft immers, anders dan het hof heeft overwogen, geen onderscheid gemaakt tussen overtreding van spelregels die deelnemers beogen te beschermen en overtreding van overige spelregels (die het spel ordenen). Beide overtredingen wegen als ‘een factor’ mee (randnummer 4.18 hiervoor).
onvoorzichtig” of “
onbesuisd” gedrag niet óók als onrechtmatig kan en moet worden aangemerkt.
buitensporige inzet” of “
ernstig gemeen spel” (rov. 4.26) en (ii) de actie van [verweerder 1] niet zo buitensporig was dat deze viel buiten de kaders van wat deelnemers aan een voetbalwedstrijd in redelijkheid mogen verwachten (rov. 4.28).
5.Slotbeschouwing
slow motion) (amateur)videobeelden – waarop de sliding van [verweerder 1] overigens minder duidelijk zichtbaar is dan je zou willen – en de inschakeling van diverse experts op het gebied van (de spelregels in het) veldvoetbal, is de sliding van [verweerder 1] op volkomen verschillende wijzen beoordeeld. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zien er een ernstige overtreding in, die met een rode kaart had moeten worden bestraft. [betrokkene 3] meent dat [verweerder 1] in het geheel geen overtreding heeft begaan en [betrokkene 4] ziet er een onvoorzichtige dan wel onbesuisde voetbalactie in (rov. 4.22 en 4.24). Kennelijk kan een gedraging voor de ene scheidsrechter (duidelijk) een rode kaart inhouden, terwijl dat voor een andere scheidsrechter (totaal) niet het geval is. Dit betekent dat zelfs áls videobeelden van de bewuste gedraging voorhanden zijn, nog niet is gegeven dat de benadeelde daarmee helder kan maken wat zich heeft afgespeeld.