Uitspraak
19 oktober 1990.
Hoge Raad
Op 12 februari 1985 raakte eiser tijdens een herendubbelpartij tennis op een binnenbaan door een bal van verweerder aan zijn rechteroog getroffen, waardoor hij het gezichtsvermogen in dat oog verloor. Eiser vorderde een schadevergoeding van f 40.094,-- wegens materiële en immateriële schade, stellende dat verweerder onrechtmatig handelde door de bal krachtig en onoplettend te slaan terwijl het spel dood was.
De Rechtbank Haarlem wees de vordering af, stellende dat deelname aan tennis het risico op getroffen worden door een bal met zich meebrengt, ook bij het overbrengen van ballen tussen games. Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof.
De Hoge Raad oordeelde dat bij het beoordelen van onrechtmatigheid in een tennisspel zwaardere eisen gelden dan buiten de spelsituatie, maar dat het ongeval tijdens de wisselperiode tussen games plaatsvond, waarin dezelfde risico-inschatting geldt als tijdens het spel zelf. Het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door te oordelen dat verweerder niet onrechtmatig handelde. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp beroep en bevestigde dat verweerder niet onrechtmatig handelde bij ongeluk tijdens tenniswisselperiode.