Conclusie
nieuwebankrelaties en een
nieuweovereenkomst voor het afstorten van contant geld met Yin Yang c.s. moet aangaan. De rechtbank heeft de op deze basis door Yin Yang c.s. gevraagde voorzieningen geweigerd. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en ING veroordeeld om Yin Yang c.s. in staat te stellen een betaalrekening bij ING aan te houden, met dien verstande dat ING niet wordt veroordeeld om daaraan faciliteiten te verbinden voor het storten van contant geld.
1.Feiten
Freikörperkultur. [3] Tegen betaling van een toegangsprijs van € 60 kunnen bezoekers gebruikmaken van de in de saunaclub aanwezige voorzieningen en (tegen betaling) seks hebben met andere daarin geïnteresseerde bezoekers.
sealbagsbij ING te deponeren. [4] ING schreef dat geld vervolgens bij op de bankrekening van Stichting CS Bedrijven.
taseren een stiletto.
Customer Due Diligence, A-G] review heeft ING geconstateerd dat er met grote regelmaat grote sommen contant geld worden gestort op de rekening van onder andere Stichting CS Bedrijven (…) zonder dat duidelijk is wat de herkomst is van deze gelden.
ex tunc) (rov 3.5.). Volgens het hof geeft het sepot van de vervolging van Yin Yang c.s. en de tussen het OM en [de bestuurders] getroffen schikking geen aanleiding om te oordelen dat de beëindiging van de bankrelaties niet rechtsgeldig is geschied. Daarnaast hebben Yin Yang c.s. met de door hen getroffen maatregelen de bij ING bestaande zorgen over het witwasrisico niet op adequate wijze geadresseerd (rov 3.6.).
2.Procesverloop
te continueren en, voorzover daartoe nodig, te herstellen”.
ex nuncworden beantwoord: [24]
ex nunc). Er is geen reden om de stand van zaken ten tijde van de opzegging tot uitgangspunt te nemen. Hetgeen de voorzieningenrechter en het hof in eerdere kort gedingen tussen partijen hebben geoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel.”
Bancaire zorgplichten en de basisbetaalrekening
inhoudvan de zorgplicht: tot welke zorg is de bank in het licht van de omstandigheden van het geval jegens de concrete derde(n) gehouden? [40]
MeesPierson/Ten Bos,
Safe Havenen
Ponzi-zwendel [41] ) ging het, kort gezegd en samengevat, om situaties waarin de bank bij uitstek deskundig was (en derden die deskundigheid misten) en/of de bank over informatie beschikte die anderen (de derden) misten, reden waarom Uw Raad onderzoeks- en waarschuwingsplichten voor de bank heeft aangenomen. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om de vraag of een bank – gelet op haar deskundigheid – bepaalde zaken had moeten onderzoeken of (een) derde(n) had moeten waarschuwen, maar om de vraag of een bank (ING) – gelet op haar maatschappelijke functie – verplicht is om een contractuele relatie met bepaalde derden (Yin Yang c.s.) aan te gaan.
verplichtde aanvraag van een basisbetaalrekening af te wijzen, indien zij bij het openen van de basisbetaalrekening niet aan haar verplichtingen uit de Wwft kan voldoen (art. 4:71g lid 1 Wft). Daarnaast
mageen bank op een limitatief aantal gronden weigeren een basisbetaalrekening te openen (art. 4:71g lid 2 Wft) en de basisbetaalrekening stopzetten (art. 4:71i lid 1 Wft).
doelhebben om aan het economisch verkeer deel te nemen. In de literatuur wordt om deze reden ook wel bepleit dat banken in beginsel óók ten aanzien van rechtspersonen verplicht zijn op verzoek een (zakelijke) betaalrekening te openen. De contractvrijheid van de bank moet dan wijken voor het grote belang dat bedrijven hebben bij het kunnen gebruikmaken van een betaalrekening. [51]
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 1betoogt ING dat het hof haar contractvrijheid op onjuiste wijze heeft begrensd;
onderdeel 2klaagt ING dat het hof de relevantie heeft miskend van de eerdere geldige opzeggingen door ING;
onderdeel 3betoogt ING dat het hof ten onrechte ten aanzien van de betaalrekening een contracteerplicht voor ING heeft aangenomen; en
onderdeel 4bevat een voortbouwklacht.
nietmogen sluiten (de zogenaamde weigeringsplicht). Tot een contracteerplicht kan de bijzondere zorgplicht niet leiden, aldus ING.
mede” ter bescherming van de belangen van beleggers en “
mede” ter bescherming tegen lichtvaardigheid en gebrek aan kunde. [52] Gebruik van het woord “
mede” duidt erop dat (de strekking van) de bijzondere zorgplicht niet tot dergelijke situaties is beperkt. Een dergelijke beperking zou ook niet passen, want de bijzondere zorgplicht van banken jegens derden is gegrond op de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW Pro, een open norm die maakt dat steeds aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden bezien tot welke zorg de bank jegens de derde(n) is gehouden (randnummers 3.5 e.v. hiervoor). Die zorg kan zowel bestaan uit een handelen als een laten. Anders dan ING betoogt, is derhalve niet uitgesloten dat de bijzondere zorgplicht ertoe kan leiden dat een bank wordt verplicht (opnieuw) een contractuele relatie met een derde aan te gaan.
ex nunc) en dat er geen reden is om de stand van zaken ten tijde van de opzeggingen tot uitgangspunt te nemen.
ex nuncvan de vraag of ING moet worden verplicht een nieuwe contractuele relatie met Yin Yang c.s. aan te gaan, betekenis toekomt aan de eerder geldig beëindigde contractuele relatie tussen partijen. Indien aan een dergelijke opzegging geen betekenis toekomt, is dat volgens ING in strijd met de rechtszekerheid. Ook brengt de postcontractuele werking van de redelijkheid en billijkheid volgens ING potentieel met zich dat de geldigheid van een eerdere opzegging en de aan die opzegging ten grondslag liggende redenen ervoor zorgen dat een contracteerplicht niet of (nog) minder snel kan worden aangenomen.
bij ING Bank” (bij andere banken kunnen Yin Yang c.s. immers niet terecht).
snellereen contracteerplicht voor de bank kan worden aangenomen. [53] Bijvoorbeeld indien een bank de contractuele relatie met een klant om bepaalde redenen rechtsgeldig heeft mogen opzeggen, maar nadien is gebleken dat de omstandigheden waarop de opzegging was gebaseerd niet (in die mate) aan de orde waren of – op basis van nieuwe feiten en inzichten – in een ander perspectief zijn komen te staan. In dergelijke gevallen kan, alle omstandigheden van het geval
ex nuncbeoordeeld, de maatschappelijke functie van de bank meebrengen dat de bank een nieuwe contractuele relatie met de klant moet aangaan. De bank behoort immers ook rekening te houden de belangen van de ex-klanten, die door een eerdere (rechtsgeldige) opzegging van deelname aan het maatschappelijk verkeer kunnen zijn uitgesloten en daardoor groot nadeel kunnen ondervinden.
ex tuncmoesten worden beoordeeld (naar het moment waarop ING de opzeggingen heeft gedaan, in maart/april 2017), [54] heeft het hof het sepot en de schikking niet (ten volle) in de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de opzeggingen kunnen meenemen. Bij de (
ex nunc) beoordeling van de vraag of ING is gehouden om nieuwe contractuele relaties met Yin Yang c.s. aan te gaan, kan en moet dat wel. Gelet op de ontwikkelingen sinds de opzeggingen acht ik het niet onjuist dat het hof de eerdere (rechtsgeldige) opzeggingen door ING onvoldoende heeft geacht om te oordelen dat ING,
ex nuncbeoordeeld, geen nieuwe contractuele relatie met Yin Yang c.s. hoeft aan te gaan.
ex tunc) en anderzijds de vraag of een nieuwe contractuele relatie moet worden aangegaan (
ex nunc) [55] moeten worden beoordeeld. Bij een
ex-tunctoetsing moet de situatie ten tijde van de opzeggingen als uitgangspunt worden genomen en bij een
ex nunc-toetsing de huidige situatie. Dit maakt dat, bij het beoordelen van de vraag of ING is gehouden nieuwe contractuele relaties met Yin Yang c.s. aan te gaan, andere/nieuwe omstandigheden kunnen worden meegewogen, die bij het beoordelen van de opzeggingen (nog) niet (in dezelfde mate) konden worden meegewogen. Het gevolg hiervan is dat tot uiteenlopende uitkomsten kan worden gekomen, afhankelijk van de weg die wordt gekozen ((enkel) de geldigheid van een opzegging bestrijden of (ook) het aangaan van een nieuwe contractuele relatie vorderen). Dit terwijl de inzet van het geding in beide gevallen hetzelfde is, namelijk: een contractuele relatie met de bank. Ik vind dit echter geen groot bezwaar, gelet op het resultaat dat met deze systematiek kan worden bereikt, namelijk dat een partij, wier contractuele relaties met de bank (
ex tuncbeoordeeld) rechtsgeldig zijn opgezegd, de mogelijkheid heeft om toch weer een (eventueel wat ‘eenvoudiger’) contractuele relatie met de bank aan te gaan, indien de (bijzondere) omstandigheden (
ex nuncbeoordeeld) daartoe nopen. Het bestaan van dit ‘achterdeurtje’ lijkt mij met name gewenst gelet op de grote gevolgen die een opzegging voor de betreffende ex-klant kan meebrengen.
de factotoe leidt dat banken ook ten aanzien van niet-consumenten een contracteerplicht hebben, [56] kan ik niet plaatsen. Slechts in een beperkt aantal gevallen zal immers sprake zijn van dermate (bijzondere) omstandigheden, zoals de omstandigheden in deze zaak, dat op grond daarvan een contracteerplicht voor de bank kan worden aangenomen.
minder hard” wordt geraakt, onvoldoende om begrijpelijk te maken dat ING géén overeenkomst voor het afstorten van contant geld met Yin Yang c.s. hoeft aan te gaan, maar wél een betaalrekening moet faciliteren. Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat voornoemde drie omstandigheden niet relevant zijn bij de belangenafweging in het kader van de betaalrekening, is het oordeel van het hof onjuist en onbegrijpelijk omdat alle omstandigheden van het geval van belang zijn en ING ook in dat verband een beroep heeft gedaan op de hierover onder (a)-(c) genoemde omstandigheden.
een minder groot risico op witwassen is verbonden”, waardoor het belang van ING om het risico op witwassen te vermijden minder hard wordt geraakt.
minder groot risico op witwassen” in de vijfde alinea van rov. 3.12 dat het hof de omstandigheden, die maken dat ING het wél een te groot risico op witwassen mocht achten om een nieuwe overeenkomst voor het afstorten van contant geld met Yin Yang c.s. aan te gaan, ook heeft meegenomen in zijn oordeel ten aanzien van de betaalrekening. Volgens het hof zijn deze omstandigheden echter onvoldoende om te kunnen rechtvaardigen dat ING, ook bij het verstrekken van een betaalrekening zónder mogelijkheid tot het storten van contant geld, het risico op witwassen te groot acht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat bij een betaalrekening waarop geen contant geld kan worden gestort in beginsel aan de hand van bankafschriften kan worden herleid waar het geld op de betaalrekening vandaan komt. Daarbij komt dat het in het geval van Yin Yang c.s. extra opvalt als er ongebruikelijke (omvangrijke) transacties op de betaalrekening plaatsvinden, omdat – zoals Yin Yang c.s. stellen en waar ING Yin Yang c.s. aan mag/kan houden – betalingen van bezoekers van Saunaclub Yin Yang tot het vaste entreebedrag van € 60 zijn beperkt (plus gemiddeld € 2,50 aan extra kosten sterke drank). [57] Dit maakt het mogelijk voor ING om extra goed te monitoren of op de betaalrekening van Yin Yang c.s. ongebruikelijke transacties plaatsvinden, wat het risico op witwassen (nog verder) verkleint.
Omstandigheid (a): zonder motivering valt niet in te zien waarom de bevindingen tijdens de doorzoeking in 2016 en de daaropvolgende media-aandacht niet afdoen aan de door het hof aangenomen onevenredigheid en niet eraan bijdragen dat sprake is van onaanvaardbare reputatie- en integriteitsrisico’s voor ING.
Omstandigheid (b): het is onbegrijpelijk en onjuist dat het hof heeft geoordeeld dat het voorshands onvoldoende aannemelijk is dat daadwerkelijk heeft plaatsgevonden waarvan [de bestuurders] verdacht zijn geweest.
Omstandigheid (c): zonder motivering valt niet in te zien waarom het feit dat ING slechts wordt verplicht een betaalrekening te faciliteren, relevant is voor de omvang van de reputatie- en integriteitsrisico’s die ING loopt in verband met de tijdelijke sluiting van Saunaclub Yin Yang en de daarmee verbonden negatieve media-aandacht.
Omstandigheid (d): het hof heeft miskend dat het gebrek aan vertrouwen van ING in Yin Yang c.s. als klant voor ING voldoende is om Yin Yang c.s. geheel als klant te weigeren, dus ook ten aanzien van een betaalrekening.
Omstandigheid (a). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in de eerste alinea van rov. 3.14 heeft geoordeeld dat aan de onevenredigheid niet afdoet dat in 2016 een doorzoeking van Saunaclub Yin Yang heeft plaatsgevonden en dit de nodige aandacht van de pers heeft gehad. Het strafrechtelijke onderzoek naar Yin Yang c.s. is immers, zoals het hof ook heeft overwogen, in een sepot geëindigd en volgens het OM was niet gebleken van feiten en omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat verwijtbaar gebruik is gemaakt van de bedrijfsrekeningen van Yin Yang c.s. (randnummers 1.17 en 1.19 hiervoor). Nu de doorzoeking in de ogen van het OM niets (materieels) heeft opgeleverd, is het niet onbegrijpelijk dat het hof de doorzoeking en de daaropvolgende media-aandacht onvoldoende heeft geacht om aan het onevenredigheidsoordeel af te doen.
Omstandigheid (b). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in de eerste alinea van rov. 3.14 heeft geoordeeld dat het voorshands onvoldoende aannemelijk is dat daadwerkelijk heeft plaatsgevonden waarvan [de bestuurders] verdacht zijn geweest. Met betrekking tot de verdenking van witwassen geldt dat uit het strafrechtelijk onderzoek niet is gebleken van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het OM erop zouden kunnen wijzen dat er verwijtbaar gebruik is gemaakt van de bedrijfsrekeningen van Yin Yang c.s. (randnummers 1.17 en 1.19 hiervoor). Met betrekking tot de verdenking van het zonder vergunning uitvoeren van wisseltransacties geldt dat deze verdenking in een schikking is geëindigd en het OM aan het Landelijk Bureau Bibob heeft laten weten dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een negatief advies zouden moeten leiden (randnummer 1.18 hiervoor). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof (oordelend in kort geding) van de bevindingen van het OM is uitgegaan en niet, in strijd daarmee, heeft geoordeeld dat wél voorshands voldoende aannemelijk is dat [de bestuurders] zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen en het zonder vergunning uitvoeren van wisseltransacties.
Omstandigheid (c). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in de tweede alinea van rov. 3.14 heeft overwogen dat de eenjarige sluiting van Saunaclub Yin Yang (op last van de burgemeester van Roermond) en de daaropvolgende negatieve media-aandacht voor ING slechts relatief geringe integriteits- en reputatierisico’s meebrengt, indien ING slechts wordt verplicht een betaalrekening aan Yin Yang c.s. te verschaffen, zonder de mogelijkheid om daarop contant geld te storten. In dit kader geldt dat Saunaclub Yin Yang werd gesloten wegens overtreding van art. 13b van de Opiumwet, omdat er bij de doorzoeking in 2016 drugs in de auto’s en kluisjes van bezoekers van de saunaclub waren aangetroffen. [58] De aanwezigheid van drugs in 2016 heeft weinig van doen met het door ING in 2020 beschikbaar stellen van een betaalrekening aan Yin Yang c.s., zeker niet nu op de betaalrekening geen contant geld mag worden gestort. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat áls de tijdelijke sluiting van Saunaclub Yin Yang al integriteits- en reputatierisico’s voor ING met zich brengt, deze risico’s relatief gering zijn. Dit zou anders kunnen zijn als Saunaclub Yin Yang was gesloten wegens (bijvoorbeeld) witwassen, want een dergelijke gebeurtenis hangt samen met de bankrekening die Yin Yang c.s. bij ING aanhouden, waardoor het publiek ING (als bankier van Yin Yang c.s.) daarop mede zal aankijken. Het hof heeft overigens niet miskend dat ook geringe reputatie- en integriteitsrisico’s voor een bank voldoende grond (kunnen) zijn om een cliënt te weigeren. Volgens het hof is echter in dit geval het geringe reputatie- en integriteitsrisico van ING onvoldoende om eraan af te doen dat onevenredigheid bestaat tussen de belangen van Yin Yang c.s. en de belangen van ING. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk (randnummers 4.38 en 4.39 hiervoor).
Omstandigheid (d). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in de derde alinea van rov. 3.14 heeft overwogen dat ING onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het objectief gerechtvaardigd is dat ING het vertrouwen in Yin Yang c.s. heeft verloren dat is vereist voor het aanbieden van een betaalrekening zonder faciliteiten voor het storten van contant geld. In dit kader is van belang dat het hof, specifiek ten aanzien van het beschikbaar stellen van een betaalrekening zonder faciliteit voor het storten van contant geld, een afweging heeft moeten maken tussen de belangen van Yin Yang c.s. en de belangen van ING. Zeker gelet op het grote belang van Yin Yang c.s. bij het kunnen beschikken over een betaalrekening (rov. 3.12), mocht het hof van ING verwachten dat zij concreet zou onderbouwen waarom zij ook onvoldoende objectief gerechtvaardigd vertrouwen in Yin Yang c.s. als cliënten heeft als aan hen slechts een betaalrekening ter beschikking zou worden gesteld, zonder de mogelijkheid om daarop contant geld af te storten. Dat het hof in dit kader het betoog van ING, dat zij een algemeen gebrek aan vertrouwen in Yin Yang c.s. heeft, onvoldoende heeft geacht, is niet onbegrijpelijk. De overige door ING naar voren gebrachte omstandigheden maken dit niet anders (randnummers 4.44 e.v. hiervoor en randnummers 4.54 e.v. hierna).
Stelling (a). Uit de vierde alinea van rov. 3.12 blijkt dat het hof (de inhoud van) de schriftelijke afwijzingen van andere door Yin Yang c.s. benaderde banken in zijn oordeel heeft meegenomen. Het hof heeft uit die afwijzingen niet, zoals ING betoogt, de conclusie getrokken dat de andere banken de door Yin Yang c.s. genomen maatregelen ook onvoldoende achtten. Het hof heeft in plaats daarvan overwogen dat de afwijzingen de indruk wekken dat Yin Yang c.s. in veel gevallen al met een afwijzing werden geconfronteerd, voordat zij de kans kregen nader inzicht te verschaffen in hun bedrijfsvoering en de daaraan verbonden risico’s. Deze overweging van het hof is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de beknopte inhoud en toon van de afwijzingen. [59]
Stelling (b). Uit de eerste alinea van rov. 3.14 blijkt dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat [de bestuurders] verdacht zijn geweest van het zonder vergunning uitvoeren van wisseltransacties. Nu deze verdenking in een schikking is geëindigd en het OM aan het Landelijk Bureau Bibob heeft laten weten dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een negatief advies zouden moeten leiden (randnummer 1.18 hiervoor), is het niet onbegrijpelijk dat het hof daaraan de conclusie heeft verbonden dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat daadwerkelijk heeft plaatsgevonden waarvan [de bestuurders] verdacht zijn geweest. Het hof heeft in dit kader voorbij mogen gaan aan de stelling van ING dat zij door de wisseltransacties aan onaanvaardbare reputatie- en integriteitsrisico’s is blootgesteld. Niet valt immers in te zien welke risico’s ING heeft gelopen nu het OM geen verontrustende feiten of omstandigheden heeft geconstateerd.
Stelling (c). Het hof heeft voorbij mogen gaan aan de stelling van ING dat de boekhouding van Yin Yang c.s. niet klopte, omdat uit het strafrechtelijk onderzoek dat het OM naar Yin Yang c.s. heeft uitgevoerd niet is gebleken van feiten en omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat er verwijtbaar gebruik is gemaakt van de bedrijfsrekeningen van Yin Yang c.s. (randnummers 1.17 en 1.19 hiervoor). Daarbij komt dat de verwijten van ING met betrekking tot de boekhouding van Yin Yang c.s. met name verband houden met de grote hoeveelheid contant geld die er in Yin Yang c.s. omgaat. Dit verwijt gaat niet meer op, nu de betaalrekening die ING aan Yin Yang c.s. beschikbaar moet stellen geen faciliteit voor het storten van contant geld hoeft te bevatten.
Stelling (d). Het hof heeft voorbij mogen gaan aan de stelling van ING dat Yin Yang c.s. na de sluiting van Saunaclub Yin Yang nog aanzienlijke hoeveelheden contanten in ongebruikelijke coupures bij ING hebben afgestort, waardoor ING is blootgesteld aan onaanvaardbare reputatie- en integriteitsrisico’s en het vertrouwen van ING in Yin Yang c.s. is geschaad. Uit het strafrechtelijk onderzoek dat het OM naar Yin Yang c.s. heeft uitgevoerd, is niet gebleken van feiten en omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat er verwijtbaar gebruik is gemaakt van de bedrijfsrekeningen van Yin Yang c.s. (randnummers 1.17 en 1.19 hiervoor). Daarom valt niet in te zien welke (substantiële) reputatie- en integriteitsrisico’s ING heeft gelopen. Dat het afstorten van grote hoeveelheden ongebruikelijke coupures het vertrouwen van ING in Yin Yang c.s. heeft geschaad, is voorts niet van belang bij de vraag of ING een betaalrekening aan Yin Yang c.s. moet verschaffen, omdat deze betaalrekening geen faciliteit voor het storten van contant geld hoeft te bevatten.
Stelling (e). Uit rov. 3.8, in samenhang gelezen met rov. 3.12, blijkt dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat Yin Yang c.s. niet bereid zijn de persoonsgegevens van hun bezoekers te registreren. Het hof heeft deze omstandigheid onvoldoende zwaarwegend bevonden om de belangenafweging in het kader van de betaalrekening in het voordeel van ING te laten uitvallen. Zoals toegelicht in randnummers 4.47 en 4.48 hiervoor, is dat niet onbegrijpelijk.
5.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
subonderdeel 2.1-Iaop dat het onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het witwasrisico voor ING te groot is. Binnen het wettelijk kader van de Wft en de Wwft mogen integriteitsgevoelige bedrijfstakken immers niet categoraal van het betalingsverkeer worden uitgesloten. Volgens Yin Yang c.s. komt het oordeel van het hof
de factowel neer op een categorale uitsluiting. In de
subonderdelen 2.1-Ib en 2.1-IIbetogen Yin Yang c.s. dat het hof heeft miskend dat het risico op witwassen in dit specifieke geval zeer gering is. Saunaclub Yin Yang is immers geen privé- of seksclub volgens het traditionele concept, maar een erotisch ontmoetingscentrum, waarbij de betalingen van bezoekers zijn beperkt tot het vaste entreebedrag van € 60 (plus gemiddeld € 2,50 aan extra kosten voor sterke drank). Ook heeft het hof volgens Yin Yang c.s. miskend dat de eventueel wel aanwezige witwasrisico’s zoveel mogelijk zijn uitgebannen, omdat Yin Yang c.s. alle mogelijke maatregelen hebben getroffen, méér maatregelen dan gebruikelijk in de relaxbranche. In
subonderdeel 2.1-Icbetogen Yin Yang c.s. dat het onbegrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan een saunaclub, zoals Saunaclub Yin Yang, grotere risico’s op witwassen zijn verbonden dan aan andere ondernemingen waar relatief kleine bedragen contant geld worden betaald, zoals supermarkten, bakkers, slagers, restaurants en bouwmarkten. Volgens Yin Yang c.s. heeft het hof daarnaast miskend dat Yin Yang c.s. de mogelijkheid moeten hebben om hun bezoekers te laten kiezen of ze giraal of contant willen betalen.
moeten” hebben om de bezoekers van Saunaclub Yin Yang de keuze te laten om giraal of contant te betalen.
subonderdelen 2.1-III en 2.1-XIdat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat ING het witwasrisico te groot mocht achten. Het OM – bij uitstek uitgerust om integriteitsrisico’s diepgaand te onderzoeken – heeft namelijk geen feiten of omstandigheden gevonden die erop zouden kunnen wijzen dat er verwijtbaar gebruik is gemaakt van de bedrijfsrekeningen van Yin Yang c.s. (randnummer 1.17 hiervoor). Bovendien hebben Yin Yang c.s. vele en vergaande maatregelen getroffen om tegemoet te komen aan de angst van ING dat sprake is van een integriteitsrisico, waaronder het geven van volledige openheid van zaken, het invoeren van een nieuw kassasysteem, het niet langer accepteren van coupures van € 500 en € 200, het invoeren van een anti-witwasprotocol en het aanbieden van een Wwft-cursus aan het personeel.
subonderdelen 2.1-IIIa en 2.1-IVadat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.9 heeft geoordeeld dat het onvoldoende is voor een ander oordeel, indien banken aan andere bedrijven in de relaxbranche minder strenge eisen stellen. Volgens Yin Yang c.s. is de wijze waarop andere banken hun relatie met cliënten in de relaxbranche vormgeven relevant voor het vaststellen van het toetsingskader van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Yin Yang c.s. hebben in dit kader een overzicht van verschillende branchegenoten overgelegd, die alle over een betaalrekening beschikken en zonder problemen contant geld bij hun bank kunnen afstorten.
onvoldoende” is voor een ander oordeel. Het hof heeft dus – anders dan Yin Yang c.s. betogen – niet geoordeeld dat dergelijke eisen niet relevant (zouden kunnen) zijn, of niet zouden (kunnen) meewegen. Volgens het hof weegt het simpelweg niet zwaar genoeg om af te kunnen doen aan het oordeel van het hof dat ING het risico op witwassen redelijkerwijs te groot kon achten. Dat (feitelijke) oordeel is, voor zover het in cassatie kan worden getoetst, niet onjuist of onbegrijpelijk (randnummers 5.5 e.v. hiervoor). In dit kader speelt ook mee dat ING enige vrijheid heeft in de wijze waarop zij de open normen in de Wwft implementeert, zodat geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de wijze waarop andere banken die normen interpreteren.
subonderdelen 2.1-IIIb en 2.1-IVbdat het onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat Yin Yang c.s. onvoldoende zouden hebben gesteld dat er geen relevante verschillen bestaan tussen Yin Yang c.s. en hun branchegenoten. Volgens Yin Yang c.s. is het oordeel van het hof bovendien innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof Yin Yang c.s. in rov. 3.8, onder c, als een bedrijf in de integriteitsgevoelige relaxbranche heeft gegeneraliseerd en – haaks daarop – in rov. 3.9 heeft geoordeeld dat de onderneming van Yin Yang c.s. onvoldoende vergelijkbaar is met andere in dezelfde branche gedreven ondernemingen.
Freikörperkulturkunnen exploiteren. Het gaat niet aan dit risico, dat inherent is aan het bedrijfsmodel dat Yin Yang c.s. hebben gekozen, bij ING te leggen.
hetgeen Yin Yang c.s. overigens in dit verband hebben aangevoerd”. Uit de klachten in dit onderdeel blijkt immers dat hetgeen Yin Yang c.s. hebben aangevoerd juist wél tot een ander oordeel kan (en zou moeten) leiden.
subonderdeel 2.2-Iadat het hof heeft miskend dat er een verschil bestaat tussen de situatie waarin een partij een jarenlange contractuele relatie met de bank heeft gehad en de situatie waarin een partij nog niet eerder klant bij de bank is geweest. In het eerste geval is volgens Yin Yang c.s. eerder plaats voor een uitzondering op het beginsel van contractvrijheid dan in het tweede geval.
subonderdeel 2.2-Ibdat ING zonder goede grond de overeenkomst tot het afstorten van contant geld heeft opgezegd, waardoor de postcontractuele goede trouw vereist dat ING zich niet op de opzegging mag beroepen, dan wel dat zij misbruik van recht maakt door dat wel te doen. Volgens Yin Yang c.s. had het hof de rechtsgronden in deze zin moeten aanvullen en ING moeten veroordelen tot het voortzetten dan wel opnieuw aangaan van de overeenkomst tot het afstorten van contant geld.