Conclusie
[verweerder 1]
[verweerder 2]
[verweerster 3] v.o.f.
inclusiefBTW zijn overeengekomen, althans dat ten onrechte is aangenomen dat de e-mail van de gemachtigde van KKH van 29 september 2016 een volledige en accurate weergave van de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst verschaft. Volgens de toelichting zijn partijen een bedrag van € 9.000
exclusiefBTW overeengekomen, zoals de deskundige (correct en volledig) in zijn rapport onder 7 heeft geschreven. Het betreft hier immers twee ondernemers en aangezien zij de omzetbelasting kunnen verrekenen, spreekt men in deze gevallen altijd over bedragen exclusief BTW, aldus [verweerders]
2.Bespreking van het cassatieberoep
subonderdeel 1.1de klacht dat het hof ten onrechte de door [verweerders] bij mva/mvg inc. 44 ingenomen stelling heeft betrokken in haar beoordeling. De rechtsklacht is dat dit verweer (er is geen concrete termijn voor het aanleveren van een planning besproken) een gedekt verweer is. Dit gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting over gedekt verweer en kan bovendien niet voor het eerst in cassatie aangekaart worden.
subonderdeel 1.1.3stelt KKH dat uit het in eerste aanleg gevoerde verweer van [verweerders] (weergegeven in randnummer 1.1.2. van de procesinleiding in cassatie) onmiskenbaar volgt dat [verweerders] zich op het standpunt stellen dat zij zich gebonden achten aan het aanleveren van een planning op maandag 3 oktober 2016. In randnummer 1.1.6 komt KKH niet verder dan dat het in appel gevoerde verweer “zich niet op logische wijze laat verenigen” met het verweer in eerste aanleg dat het niet uiterlijk op 3 oktober 2016 aanleveren van een planning een te geringe tekortkoming is om ontbinding te rechtvaardigen. We zullen hierna zien dat dat de lat van een gedekt verweer niet haalt. Daarmee is namelijk nog geen ander verweer op dit punt ondubbelzinnig prijsgegeven, zoals we zullen zien.
subonderdeel 1.1.5een betoog moet worden gelezen met de strekking dat het hof art. 348 Rv Pro ambtshalve zou moeten toepassen [9] , faalt dit eveneens. In lijn met de rechtspraak van Uw Raad betreffende berusting lijkt hier de partijautonomie voorop te moeten staan [10] . Afstand van een verweer vindt plaats tussen partijen en binnen het domein waarin zij vrij zijn hun onderlinge rechtsbetrekkingen en de grenzen van de rechtsstrijd te bepalen [11] . Ambtshalve toepassing past daar niet in [12] . Ook van A-G Rank-Berenschot ziet dit zo [13] . In de literatuur [14] is overigens ook een afwijkende visie te vinden, ook besproken in deze conclusie van A-G Rank-Berenschot (punt 2.9), waarop verwerping met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro is gevolgd.
subonderdeel 1.2met een voortbouwende klacht die vertrekt vanuit de bij de bespreking van onderdeel 1A geconstateerde onjuiste rechtsopvatting over gedekt verweer. Daar ketst ook deze klacht op af.
subonderdeel 1.4formuleren [verweerders] de algemene klacht dat ten onrechte of onbegrijpelijkerwijs is geoordeeld dat KKH uit [verweerder 1] opmerking: “Data start/planning volgt z.s.m.” niet heeft mogen begrijpen dat [verweerder 1] instemde met een aan te leveren planning per 3 oktober 2016 en al helemaal niet met die datum als fatale termijn.
subonderdelen 1.5.2 en 1.5.3, nu de gedachtegang van het hof op het aangevallen punt goed te volgen is.
subonderdeel 1.6(uitgewerkt in
subonderdeel 1.6.1) is onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd de passage uit rov. 12 dat als een verzoek – en niet als een overeengekomen fatale termijn – moet worden geduid de passage aan het slot van de e-mail van 29 september 2016 van de advocaat van KKH. Daarin staat dat hij “graag” uiterlijk maandag, dus 3 oktober 2016, van [verweerder 1] vernam wat de exacte planning wordt voor de achterzijde. [verweerders] hebben dit ook als een verzoek mogen begrijpen, aldus het hof. De klacht is dat deze uitleg een niet voor de hand liggende inconsistentie oplevert: vastgelegd wordt dat er op 3 oktober 2016 een planning moest zijn, maar anderzijds zou dit slechts een verzoek betreffen (“graag”).
subonderdeel 1.7.1met een nadere uitwerking in
subonderdeel 1.7.2mist feitelijke grondslag. KKH klaagt dat het hof haar stelling over de herhaaldelijke maning tot spoed niet als relevante omstandigheid zou hebben meegewogen, maar dat doet het hof juist wel – zij het niet met het resultaat dat KKH voor ogen heeft – en dat laatste maakt het oordeel nog niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.7.3slaagt niet. Gelet op de door het hof als context beschreven afspraak dat de oplevering van de achterzijde “ruim vóór de 3e week november 2016” diende plaats te vinden, kon het hof oordelen dat het (eerdere) manen tot spoed door KKH niet kan leiden tot de conclusie dat het aanleveren van een planning op 3 oktober 2016 als fatale termijn was overeengekomen. Dit is een feitelijk en goed te volgen oordeel.
subonderdeel 1.7.4meent KKH dat het hof buiten de grenzen van het debat is getreden, omdat geen van de partijen het standpunt heeft ingenomen dat de noodzaak tot een planning niet bestond. Ook deze klacht faalt. Hiermee miskent KKH dat het hof beziet of de door KKH gestelde spoed verandering brengt in het daarvoor geformuleerde oordeel dat de e-mail van 29 september 2016 van de advocaat van KKH eindigt met een zin die niet duidt op een overeengekomen fatale termijn. Anders gezegd: het hof heeft de vrijheid de e-mailtekst in het licht van de stelling van KKH zelfstandig uit te leggen, zelfs al is die uitleg door geen van de partijen aangevoerd of verdedigd [22] . De uitleg van het hof is in mijn ogen niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.7.5, hoefde het hof niet (nader) te expliciteren waarom de planning niet noodzakelijk al op 3 oktober 2016 moest worden aangeleverd. Uit het oordeel van het hof blijkt immers duidelijk (impliciet) waarom: als er vóór de derde week van november moet zijn opgeleverd, is een zodanig vroege planning (zes weken eerder) niet per se nodig naar het oordeel van het hof en dat is op zich goed te volgen. De klacht is tevergeefs.
inclusiefBTW, maar dat moet worden uitgegaan van een overeengekomen bedrag van € 9.000
exclusiefBTW. In de ogen van het hof is hier – heel kort gezegd – nu er sprake is van een overeenkomst tussen professionele partijen die BTW kunnen verrekenen en tussen wie het gebruikelijk is om prijzen exclusief BTW te hanteren, sprake van een kennelijke, aanvankelijk onopgemerkt gebleven, vergissing dat is bevestigd: inclusief BTW. Dat heeft het hof uitvoerig gemotiveerd en daar is volgens mij niets onbegrijpelijks of onjuist aan. Daar ketsen alle klachten op af, die ik niettemin hieronder inhoudelijk zal bespreken.
subonderdeel 2.1.1dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat de bevestigings-e-mail zijdens KKH’s advocaat spreekt van inclusief BTW.
subonderdeel 2.1.2een bewijsaanbod is gedaan om te bewijzen wat tijdens de bespreking van 29 september 2016 is afgesproken, maakt dit niet anders. Daarvoor geldt net als we hebben gezien bij Onderdeel 1B dat het hof dit als niet voldoende specifiek in appel mocht passeren; er is niet aangeboden te bewijzen dat inclusief BTW is overeengekomen.
subonderdeel 2.2.1verwijst KKH daartoe naar mva inc. 13, waar zij respondeert op incidentele grief III, waarover [verweerders] bij mva/mve inc 105 hadden toegelicht dat hier exclusief BTW was overeengekomen onder verwijzing naar de betreffende passage uit het deskundige-rapport. KKH stelt bij mva inc. 13 daar tegenover dat haar advocaat bij e-mail van 29 september 2016 inclusief BTW heeft opgenomen en dat dat door deskundige [betrokkene 1] en [verweerder 1] vervolgens is bevestigd. Tussen haakjes stelt KKH hier nog over: “waarom [betrokkene 1] in zijn deskundige-rapport van 20 december iets anders aangeeft, begrijpt KKH niet.” Volgens de klacht behoren deze stellingen ook tot de uit hoofde van de devolutieve werking van het appel te bespreken stellingen, maar is dat door het hof nagelaten.
uitdrukkelijk is besproken, of door haar is bedongendat het nu bij deze meerwerkafspraak opeens, in afwijking van de aannemingsovereenkomst, over bedragen inclusief BTW zou gaan. Dat is ook niet uit mva inc. 13 te halen en een bouwsteen in de redenering van het hof is verder dat [betrokkene 1] rapportage ook over exclusief BTW spreekt. Het hof overweegt daarover dat niet valt in te zien waarom deze aan zijn opdrachtgever SRK uitgebrachte rapportage bewust de bereikte overeenstemming onjuist zou weergeven. Dat KKH niet zou begrijpen waarom dit anders in zijn rapport staat (exclusief BTW) dan door hem bevestigd in oktober 2016 (inclusief BTW), passeert het hof expliciet. Om dan in rov. 21, verder “Haviltexend”, toe te voegen dat KKH had behoren te begrijpen dat de weergave in de e-mail van haar gemachtigde eind september 2016 (inclusief BTW) op een vergissing berust die door [betrokkene 1] vervolgens (aanvankelijk) onopgemerkt is gebleven. Daar is niets onbegrijpelijks aan, de hier besproken klacht is tevergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.2.2kan niet slagen, nu deze klacht een herhaling van zetten is dat hier sprake is van een gedekt verweer. Dat zagen we stranden bij de bespreking van Onderdeel 1A.
subonderdeel 2.4.2) klaagt dat hiermee niet is ingegaan op de stelling bij mva inc. 13 dat KKH de weergave van [betrokkene 1] in zijn rapport niet begrijpt (exclusief BTW overeengekomen voor het meerwerk). Zoals we bij de bespreking van Onderdeel B hebben gezien, mist dit feitelijke grondslag. Het hof is in rov. 20 hierop ingegaan en heeft de stellingname van KKH terzake verworpen. Hetgeen in
subonderdeel 2.4.2wordt aangegeven als wat uit mva inc. 13 zou volgen, mist ook feitelijke grondslag; dat daarin zou worden verklaard waarom [betrokkene 1] zich op de door het hof besproken wijze heeft uitgelaten, volgt niet uit deze vindplaats.
Subonderdeel 2.4.4voegt daar aan toe dat niet duidelijk wordt gemaakt waarom deze afwezigheid van belang zou zijn, nu [verweerder 1] ondernemer is en bekend moet worden geacht met het gebruik onder ondernemers van prijzen exclusief BTW in hun onderlinge zakelijke verkeer.
In het licht van dit alles” de betwisting van KKH van de stelling dat partijen € 9.000 exclusief BTW zijn overeengekomen, onvoldoende is toegelicht en onderbouwd, en dat daarom aan de betwisting voorbij gegaan wordt. Het hof bouwt daarbij voort op eerdere hiervoor besproken tevergeefs aangevallen overwegingen. De in
subonderdeel 2.5.1hiertegen geformuleerde klacht bouwt louter voort op “de hiervoor bestreden delen van de redenering” van het hof en deelt in het lot van de hiervoor besproken klachten.
subonderdelen 2.5.2 en 2.5.3verder dat het hof op het punt van in- of exclusief BTW een te strenge eis zou hebben gesteld aan de stelplicht van KKH, althans dat de overweging onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd.