Art. 81 lid 1 ROWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling cassatieberoep inzake aannemingsovereenkomst en vaststellingsovereenkomst met fatale termijn
Krimpense Kozijnen Handel B.V. (KKH) stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 januari 2020, waarin het hof een geschil behandelde over een aannemingsovereenkomst en een vaststellingsovereenkomst waarbij een fatale termijn was overeengekomen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de kantonrechter te Dordrecht en arresten van het hof Den Haag voor het gedingverloop in de feitelijke instanties. De klachten van KKH tegen het arrest van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze kunnen niet leiden tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad ziet geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep wordt verworpen en KKH wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, met een specificatie van verschotten en salaris, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en KKH wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01329
Datum26 maart 2021
ARREST
In de zaak van
KRIMPENSE KOZIJNEN HANDEL B.V., gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
EISERES tot cassatie,
hierna: KKH,
advocaat: J. van Weerden,
tegen
1. [verweerder 1], wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2], wonende te [woonplaats],
3. [verweerster 3] V.O.F., gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: A. Knigge.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 5833301 \ CV EXPL 17-2362 van de kantonrechter te Dordrecht van 18 mei 2017 en 18 januari 2018;
de arresten in de zaak 200.242.848/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2018 en 7 januari 2020.
KKH heeft tegen het arrest van het hof van 7 januari 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat en S. Hogendoorn.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van KKH heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt KKH in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien KKH deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 26 maart 2021.