Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
5.3.3 De toetsing
3.Het middel
De auto is oorspronkelijk overigens wel eigendom geweest van de zoon [betrokkene 1]. Hij kocht hem op 31 juli 2017 (productie 2, 3a, 3b en 3c) voor € 19.000,00 en verkocht de auto aan klager op 3 november 2017 voor € 17.500.00 (productie 4) waarbij het kenteken op 2 november 2017 overgeschreven werd (vrijwaring, productie 5 en tenaamstelling klager productie 6). De auto had op dat moment voorschade (productie 7).
De betaling van klager geschiedde contant. Klager beschikte regelmatig over behoorlijke bedragen contant spaargeld aangezien hij naast zijn maandelijkse uitkering een jaarlijkse vergoeding van de SVB betreffende zijn verleden als verzetsdeelnemer en oorlogsgetroffenen (1940/1945) van circa € 9.100,00 (productie 8) ontvangt.
Klager is dan ook van mening dat het strafvorderlijk belang niet vergt dat de personenauto in beslag blijft en hij wenst daarom weer in het genot van de auto te worden gesteld.”
De raadsman voert aan:
Cliënt is buiten redelijke twijfel de rechthebbende op de in beslag genomen personenauto. Hij heeft deze personenauto op 3 november 2017 gekocht van zijn zoon, [betrokkene 1], waarna het kenteken werd overgeschreven op naam van cliënt. De personenauto dient aan cliënt te worden terug gegeven, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend in de strafzaak tegen zijn zoon, [betrokkene 1], een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
De officier van justitie brengt naar voren:
De klager verklaart: