Conclusie
Nummer20/03524 P
De procedure
De hoofdzaak en de ontnemingszaak
“medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, en 2.
“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”. Het hof en de rechtbank hebben in de hoofdzaak bewezen verklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan de exploitatie van een hennepkwekerij, waarbij het ging om een grote hoeveelheid hennep. Daarbij nodigde de betrokkene anderen uit om te komen knippen en hij wist dat de stroom illegaal werd afgetapt. De betrokkene heeft deze feiten ten overstaan van de rechtbank en het hof bekend. [1]
Vooropstellingen over de verdeling van voordeel over medebegunstigden
De klacht in cassatie
“dat anderen hem hebben gevraagd om de kwekerij op te zetten en hem hebben geholpen met het opbouwen van de kwekerij, terwijl hij uit angst de namen van deze personen niet durft te noemen.”Bovendien volgt volgens de steller van het middel uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat de betrokkene op die zitting heeft verklaard
“dat hij drie (andere) medeverdachten heeft benaderd om een bijdrage te leveren aan het telen van hennep door middel van het knippen van henneptoppen”.