Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Inleidende beschouwingen naar aanleiding van de vragen
niet in de woning kunnen blijven wonen,dit in verband met de aard en omvang van de renovatiewerkzaamheden en eventueel de persoonlijke omstandigheden van de huurder.
onzelfstandigewoonruimte. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit is omdat de kosten van verhuizing en inrichting bij onzelfstandige woonruimte in het algemeen veel lager zijn dan bij zelfstandige woonruimte en bovendien de hoogte van die kosten sterk uiteen kan lopen, zodat ook niet een lagere minimumbijdrage voor onzelfstandige woonruimte in aanmerking kwam. [13]
renovatieen dat de werkzaamheden die nodig zijn voor die renovatie, verhuizing noodzakelijk maken; op een verhuizing die noodzakelijk is vanwege dringende werkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden, ziet de regeling niet. [14]
als zodanig.De specialis van art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW maakt dergelijke subtiliteiten echter overbodig. De huurder heeft eenvoudig recht op vergoeding van de kosten die de verhuizing meebrengt, waaronder ook van de kosten van herinrichting van de gerenoveerde woning.
anderewoning. [28] Voortzetting van de huurovereenkomst in de zin van lid 2 wordt weliswaar ruim opgevat, in de zin dat ook sloop en vervangende nieuwbouw eronder vallen, maar de veronderstelling is daarbij wel dat behalve de functie ook de
plaatsvan het gehuurde gelijk blijft. [29] Het geval van verhuizing naar een woning van dezelfde verhuurder op een andere locatie, is dus niet een geval van voortzetting van de huurovereenkomst.
die kostenook werkelijk maakt. Ik lees dit zo dat de wetgever niet alleen onder ogen heeft gezien de vanzelfsprekende mogelijkheid dat de werkelijke verhuis- en inrichtingskosten van de huurder minder dan € 5000 (geïndexeerd) bedragen, maar ook de mogelijkheid dat de huurder
in het geheelzulke kosten niet maakt.
met voortzettingvan de huurovereenkomst plaatsvindt, is voor de toepasselijkheid van de regeling van art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW niet vereist. In plaats daarvan volstaat dat de verhuizing in verband met een voorgenomen renovatie noodzakelijk is. In die zin is het toepassingsbereik van art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW ruimer dan lid 2 van hetzelfde artikel. [36] Deze uitleg van art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW is niet van betekenis voor het geval van opzegging van de huurovereenkomst in verband met renovatie op de voet van art. 7:274 lid 1 onder Pro c en lid 3 BW, omdat voor dat geval art. 7:275 leden Pro 3, 4 en 5 BW reeds een inhoudelijk gelijke regeling van de verhuis- en inrichtingskosten bevatten (met een minimumbijdrage van gelijke hoogte). De bedoelde uitleg van art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW is wel van belang in het geval de huurder vrijwillig aan beëindiging van de huurovereenkomst meewerkt en daarom de verhuurder geen beëindigingsvordering aanhangig behoeft te maken. Is de reden voor die vrijwillige beëindiging renovatie en was verhuizing in verband met die renovatie noodzakelijk, dan heeft de huurder dus recht op de minimumbijdrage.
niet noodzakelijkis, de huurder als gevolg van de renovatie voor inrichtingskosten komen te staan, namelijk kosten van herinrichting van de gerenoveerde woning, zoals in het al genoemde geval van de gordijnen die niet meer passen. Dat art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW nu niet van toepassing zijn, is onmiskenbaar. Volgens wat hiervoor 3.14 is gezegd, is ook niet vanzelfsprekend dat de huurder bij wijze van schadevergoeding wegens een gebrek/tekortkoming op vergoeding van deze kosten aanspraak kan maken; de kosten zijn een gevolg van de renovatie als zodanig. Ik meen dat de omstandigheid dat de renovatie de huurder op kosten jaagt terwijl de verhuurder in die kosten niet wil bijdragen, echter wel een omstandigheid is die bij de toets van de redelijkheid van het renovatievoorstel volgens art. 7:220 lid 2 BW Pro kan worden meegewogen (lid 2 ziet op alle renovaties met voorzetting van de huurovereenkomst en niet alleen op renovaties die verhuizing noodzakelijk maken; in deze zin is lid 2 dus juist weer
ruimerdan lid 5). Op indirecte wijze kan dus tóch een bijdrageplicht van de verhuurder bestaan. Ik zeg ‘kan’, maar mogelijk is dit te voorzichtig. Voor de vraag wat redelijk is, is immers mede van belang wat geldt in het in de wet geregelde geval dat in verband met renovatie verhuizing wél noodzakelijk is, namelijk dat de inrichtingskosten van de huurder voor rekening van de verhuurder komen (voor zover zij niet in verband met eigen schuld voor rekening van de huurder dienen te blijven). Uiteraard geldt in dit verband niet een minimumbijdrage.
niet in de woning kunnen blijven wonen(hiervoor 3.9)
.Een aanbod van een wisselwoning/logeerwoning door een verhuurder is vanzelfsprekend een krachtige aanwijzing dat de desbetreffende renovatie en het blijven wonen in de verhuurde woning inderdaad niet verenigbaar zijn. In het stelsel zoals dat door de wetgever is bedoeld, leidt dit onontkoombaar tot de verschuldigdheid van de verhuiskostenvergoeding. In datzelfde stelsel bedraagt die vergoeding steeds ten minste het bedrag van de minimumbijdrage. Als we sommige verhuizingen ‘verplaatsingen’ gaan noemen, maken we dus een keuze die met de wetsgeschiedenis van art. 7:220 leden Pro 5 en 6 BW niet goed verenigbaar is. Door sommige auteurs wordt de toelaatbaarheid van een zodanige keuze dan ook stellig ontkend. [40] Hetzelfde gebeurt in enkele rechterlijke uitspraken; [41] de rechtspraak is dus verdeeld.
met toestemming van de huurderde oorspronkelijk verschuldigde prestatie geheel of gedeeltelijk vervangt. Aldus wordt niet de dwingendrechtelijke aanspraak van de huurder op de minimumbijdrage opzijgezet. Nee, inbetalinggeving is volgens de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever te beschouwen als nakoming van de
oorspronkelijke verbintenis; [43] inbetalinggeving is dus niet een vorm van afstand van recht (van de oorspronkelijke verbintenis). [44] Ik citeer de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer bij het regeringsontwerp van de met het huidige art. 6:45 BW Pro corresponderende ontwerpbepaling art. 6.1.6.15: [45]
toestemming van de huurder.De verhuurder behoort het voorstel om de krachtens de wet verschuldigde prestatie van de minimumbijdrage in natura na te komen, niet in ondoorzichtige bepalingen van het renovatievoorstel te verstoppen. Doet hij dit wel, dan zal de huurder die vervolgens alsnog beter over zijn rechten wordt geïnformeerd, terecht zich op het standpunt kunnen stellen dat zijn toestemming ontbrak, met als gevolg dat de verhuurder de minimumbijdrage van art. 7:220 lid 6 BW Pro alsnog zal moeten voldoen.
Haviltex-maatstaf bepalend, als tweezijdige formulering van de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en Pro 3:35 BW). Een vraag van uitleg doet zich voor indien het aanbod van de verhuurder van een logeerwoning niet alle verhuis- en inrichtingskosten aan de zijde van de huurder verhindert. Hiervoor zijn reeds genoemd de kosten van herinrichting van de gerenoveerde woning, kosten van opslag van inboedelgoederen en de kosten van verhuizing van een aangepaste stoel of een aangepast bed. Voor de verhuurder is in zo’n geval het veiligst (en voor de huurder het duidelijkst) om naast de logeerwoning ook een voorziening aan te bieden die resterende verhuis- en inrichtingskosten voor de huurder voorkómt. Het gehele arrangement kan dan gelden als inbetalinggeving voor de volgens art. 7:220 lid 5 BW Pro verschuldigde bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten, de minimumbijdrage van lid 6 daaronder begrepen.
Haviltex-maatstaf van de wederzijdse redelijke verwachtingen is bepalend, met als randvoorwaarde dat de huurder van zijn uit de regeling van art. 7:220 leden Pro 5, 6 en 7 BW voortvloeiende rechten geen afstand kan doen. Maar de toepassing van die maatstaf en randvoorwaarde in concrete gevallen lijkt me echter niet per se eenvoudig en de uitkomst veelal onzeker. Daarom zei ik dat veiliger en duidelijker is dat de verhuurder een voorziening aanbiedt die resterende verhuis- en inrichtingskosten voor de huurder voorkómt.
extra kostenvan de huurder (vergelijk hiervoor 3.20). [46] Een dergelijke welwillende behandeling van de goedbedoelende verhuurder is niet willekeurig. Met onder meer de minimumbijdrage heeft de wetgever van verhuurders willen vergen dat zij huurders die in verband met een renovatie genoodzaakt zijn te verhuizen, ruimhartig tegemoetkomen. Dat de verhuurder die ruimhartigheid ook daadwerkelijk ten toon heeft gespreid, is dan van belang als men komt te staan voor de vraag of mag worden aangenomen dat ruimhartigheid in de door de wetgever bepaalde vorm, door ruimhartigheid in andere vorm is vervangen (inbetalinggeving).
4.Beantwoording van de vragen
niet in de woning kunnen blijven wonen(hiervoor 3.9 en 3.32)
.