Conclusie
(hierna: [verzoekster] )
advocaat: T.T. van Zanten
(hierna: het Pensioenfonds)
advocaat: M.E. Bruning
1.Inleiding
rechten van werknemers in dienst van de schuldenaar die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten in de zin van art. 7:610 BW Pro’.
business rescue culture’. [7] De Europese Herstructureringsrichtlijn van 20 juni 2019 is daarvan een illustratie (zie nader onder 3.22-3.23). [8]
Is op grond van artikel 369 lid 4 Fw Pro het in afdeling 2, titel 4 Faillissementswet bepaalde (de WHOA) van toepassing op vorderingen van de bedrijfspensioenfondsen in de zin van de wet Bpf 2000 betreffende achterstallige pensioenpremies?”
3.De Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA)
De voorgestelde Wet homologatie onderhands akkoord (hierna: WHOA) ziet primair op ondernemingen die vanwege een te zware schuldenlast insolvent dreigen te raken maar beschikken over bedrijfsactiviteiten die nog wel levensvatbaar zijn. Doel is het reorganiserend vermogen van deze ondernemingen te versterken.”
van aandeelhoudersworden gewijzigd (eveneens art. 370 lid 1 Fw Pro). Zo kan het akkoord wijzigingen aanbrengen in voorwaarden voor dividendaanspraken of kunnen aandelen worden ingetrokken of overgedragen aan financiers. [30] Verder biedt de WHOA de schuldenaar de mogelijkheid om lopende overeenkomsten eenzijdig te beëindigen als de wederpartij niet instemt met een voorgestelde wijziging of beëindiging en de rechter het akkoord homologeert (art. 373 Fw Pro).
financial distress. [32] Door de mogelijkheid om lopende overeenkomsten te wijzigen of te beëindigen, biedt de WHOA ook gelegenheid om operationeel te herstructureren. [33] Hierbij gaat het om het wegnemen van
operational distress, die ontstaan is als gevolg van verlieslatende activiteiten van de onderneming. [34] Wel is de WHOA in veel mindere mate toegesneden op operationele herstructurering, onder meer vanwege de beperking dat het aanpassen van arbeidsovereenkomsten niet mogelijk is (zie par. 4 hierna). [35]
pacta sunt servanda’, zie ook art. 3:296 BW Pro). [41]
de taart te vergroten’. [44] Dit is ook neergelegd in de wettelijke regeling, die vereist dat het aan het akkoord ten grondslag liggende herstructureringsplan ‘redelijk’ dient te zijn, in de zin dat de betrokken vermogensverschaffers bij het akkoord gebaat zijn, of er in ieder geval niet op achteruit gaan als het akkoord tot stand komt [45] (zie nader onder 3.54-3.55).
Scheme of Arrangement’ en de Amerikaanse ‘
Chapter 11’-procedure; [69] verschillende kernelementen van die regelingen zijn overgenomen in de WHOA. [70] Daarnaast zet ook de Europese wetgever in op het bevorderen van een ‘
rescue culture’ in Europa, waarin de sanering en reorganisatie van levensvatbare ondernemingen centraal staat. [71] Tijdens de aanloop naar de WHOA heeft dit geleid tot Europese aanbevelingen inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie [72] en vervolgens tot de Herstructureringsrichtlijn van 20 juni 2019. [73]
tweede paragraafregelt de aanbieding van het akkoord en de stemming over het akkoord (de eerste twee fasen van het proces, zie onder 3.14).
schuldenaar verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan’. Het gaat dus om de situatie van dreigende insolventie; [81] de schuldenaar is nog in staat om aan zijn lopende verplichtingen te voldoen, maar voorziet tegelijkertijd dat er geen realistisch perspectief bestaat om een toekomstige insolventie af te wenden indien zijn schulden niet worden geherstructureerd. [82]
zijn schuldeisers en zijn aandeelhouders, of een aantal van hen, een akkoord aanbieden dat voorziet in de wijziging van hun rechten dat door de rechtbank overeenkomstig artikel 384 kan Pro worden gehomologeerd.’ Het akkoord hoeft dus niet te zien op alle schuldeisers en aandeelhouders, maar kan zich ook beperken tot een aantal van hen, dat wil zeggen tot één of meerdere groepen (klassen) van schuldeisers en aandeelhouders. [84] Op dit punt wijkt de WHOA af van de regeling voor het faillissements- en het surseanceakkoord waar alle schuldeisers in het akkoord worden betrokken (zie ook onder 3.9). [85]
kanworden gehouden met andere factoren die van invloed kunnen zijn op de manier waarop schuldeisers en aandeelhouders het akkoord beoordelen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de verschillende fiscale gevolgen die het akkoord heeft voor de betrokken schuldeisers en aandeelhouders. [90] De verplichte klassenindeling geldt echter alleen bij verschillende rechten bij faillissement. [91]
De omstandigheid dat een schuldenaar een traject is gestart om een akkoord tot stand te brengen beperkt de Belastingdienst niet in het gebruik van alle hem ten dienste staande fiscale én civiele aansprakelijkheidsbepalingen (waaronder de bestuurdersaansprakelijkheid). Zo blijven [bij]voorbeeld de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid van deelnemers in een fiscale eenheid betreffende de omzetbelasting van toepassing op alle bestaande (al dan niet geformaliseerde) belastingschulden. Ook het fiscale (bodem)voorrecht van de Belastingdienst blijft van toepassing.”
algemene afwijzingsgrondenuit lid 2), [109] en
aanvullende afwijzingsgrondenuit lid 3 en 4). [110]
redelijkis.
no creditor worse off’beginsel. [112] De bepaling is grotendeels geïnspireerd op de ‘
best interest of creditors test’ uit de Amerikaanse chapter 11-herstructureringsprocedure, waarbij het erom gaat dat een individuele schuldeiser of aandeelhouder op basis van het akkoord niet slechter af mag zijn dan bij vereffening in faillissement. [113]
van de schuldenaarzou ontvangen. [114] Er valt wel iets voor te zeggen dat eventuele uitkeringen van derden (zoals een borg of een medeschuldenaar, of het UWV onder de loongarantieregeling, waarover par. 7) buiten beschouwing zouden moeten blijven. Dat is dan in lijn met het bepaalde in art. 370 lid 2 Fw Pro, dat het akkoord geen invloed heeft op aansprakelijkheid van derden, zekerheid en regres/subrogatie (zie onder 3.39). Ook sluit dat aan bij de criteria voor
verplichteklassenindeling uit art. 374 Fw Pro (zie onder 3.34-3.36). Hetzelfde geldt voor de weigeringsgrond uit art. 384 lid 4 onder Pro c Fw. Die houdt in dat homologatie kan worden geweigerd als de klasse die niet met het akkoord heeft ingestemd, bestaat uit schuldeisers die in faillissement een uitkering in geld tegemoet kunnen zien en deze schuldeisers in het akkoord niet de mogelijkheid geboden krijgen om te kiezen voor een bedrag in geld ter grootte van het bedrag in contanten dat zij naar verwachting in geval van faillissement zouden hebben ontvangen (‘
cash out-optie’). [115] Ook daar is dus beslissend wat de positie van de schuldeiser zou zijn bij faillissement van de schuldenaar
kande rechtbank het verzoek om homologatie afwijzen. De rechter lijkt hierbij een discretionaire bevoegdheid toe te komen. [116] Tollenaar constateert terecht dat dit een wijziging is ten opzichte van het voorontwerp. [117] Van den Sigtenhorst schrijft dat een beperkt nadeel vermoedelijk niet zal leiden tot afwijzing van het homologatieverzoek, nu de memorie van toelichting spreekt van een ‘
aanmerkelijk slechtere’ positie van de betreffende schuldeiser. [118] Ook Vriesendorp & Van Kesteren menen dat de rechter hier een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Volgens hen zou homologatie op de voet van art. 384 lid 3 Fw Pro alleen moeten worden geweigerd, als de desbetreffende vermogensverschaffer ‘
overduidelijk meer kan verwachten van het faillissement van de schuldenaar dan hem wordt geboden in het akkoord’. [119]
cash out-optie’, onder c).
4.De werknemersuitzondering uit art. 369 lid 4 Fw Pro
alleschuldeisers van de schuldenaar. [126]
(30) Niettemin moeten de lidstaten kunnen vaststellen dat de aanstelling van een deskundige op het gebied van herstructurering altijd noodzakelijk is in bepaalde omstandigheden, zoals wanneer: (…) het herstructureringsplan maatregelen omvat die van invloed zijn op de rechten van werknemers (…)
Het akkoord kan geen wijzigingen aanbrengen in de rechten van werknemers op basis van de arbeidsovereenkomst en Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (artikel 369, vierde lid). De rechtspositie van werknemers kan niet worden gewijzigd door een akkoord en blijft dus geborgd.”
De WHOA biedt de schuldenaar ook de mogelijkheid om lopende overeenkomsten eenzijdig te beëindigen als de wederpartij niet instemt met een voorgestelde vrijwillige wijziging of beëindiging (artikel 373). Denk bijvoorbeeld aan een huurovereenkomst die als een molensteen rond de nek van de onderneming hangt.
Arbeidsovereenkomsten kunnen niet worden aangepast (artikel 369, vierde lid).”
Uit het vierde lid volgt dat het akkoord geen wijzigingen kan aanbrengen in verplichtingen van de schuldenaar jegens zijn werknemers op basis van een arbeidsovereenkomst. Daarvoor dient een specifieke regeling die met de Wet Werk en Zekerheid en de Wet arbeidsmarkt in balans is gestroomlijnd.”
De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat een akkoord geen wijzigingen kan aanbrengen in de rechten van werknemers (artikel 369, vierde lid). Als bij een herstructurering ook een reorganisatie van het personeelsbestand nodig is, dient dit te gebeuren op basis van het reguliere arbeidsrecht dat is neergelegd in Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wanneer als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden arbeidsplaatsen komen te vervallen, kan de werkgever het UWV om toestemming vragen om arbeidsovereenkomsten op te zeggen. Op grote reorganisaties is vaak een sociaal plan van toepassing. Een sociaal plan is doorgaans een overeenkomst tussen de werkgever en één of meerdere vakorganisaties, de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, waarin de personele gevolgen van een reorganisatie worden geregeld. Het plan kan inhouden dat medewerkers worden ontslagen, maar ook regels bevatten over de herplaatsing van werknemers of de aanpassing van de arbeidsvoorwaarden. In het plan wordt ook vastgelegd welke rechten de betrokken werknemers hebben. Dit betreft bijvoorbeeld het recht op vergoedingen, begeleidingsfaciliteiten of scholing. Wanneer als gevolg van een reorganisatie meer dan 20 werknemers worden ontslagen, moet de werkgever dit op basis van artikel 3 van Pro de Wet melding collectief ontslag melden bij het UWV en bij de belanghebbende verenigingen van werknemers.”
Uitkeringsgerechtigde/Gemeente Amsterdam [140] inderdaad niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, zullen zij tekstueel niet onder de uitzondering van art. 369 lid 4 Fw Pro vallen. Van der Pijl wijst er echter terecht op dat het Europese werknemersbegrip, dat zich aan het ontwikkelen is, ruimer is dan het Nederlandse werknemersbegrip. [141] Dat zou kunnen betekenen, zo schrijft Van der Pijl, dat ook zelfstandigen, zeker de schijnzelfstandigen, onder omstandigheden kunnen betogen dat zij moeten worden aangemerkt als werknemers in de zin van de Herstructureringsrichtlijn en dat derhalve hun rechten, waaronder die uit art. 13 van Pro de Richtlijn, [142] niet aangetast kunnen worden door de eventuele homologatie van een akkoord. [143]
Nu het akkoord geen wijzigingen kan aanbrengen in verplichtingen van de schuldenaar jegens zijn werknemers, worden werknemers niet aangemerkt als stemgerechtigde schuldeisers.”
Smallsteps. [158] Volgens de NOvA zou het uitsluiten van de mogelijkheid van het aanpassen van de arbeidsovereenkomsten in het kader van de WHOA kunnen worden heroverwogen. [159] VNO-NCW en MKB-Nederland kunnen moeilijk begrijpen dat van alle partijen offers worden gevraagd om een onderneming van een faillissement te behoeden, behalve van de werknemers van de onderneming. [160]
communis opiniote bestaan dat dit sterke contrast genuanceerd dient te worden. [162] Hoe dat er echter uit zou moeten zien, is een fundamentele en rechtspolitieke vraag, die om een integrale benadering van het krachtenveld vraagt. Terecht merkt Mennens op dat het antwoord daarop in eerste instantie uit de politiek moeten komen, en, zo zou ik daaraan willen toevoegen, niet van de rechter. In de aanloop naar de WHOA is door de minister en het parlement deze vraag echter afgehouden. Om niet te zeggen: de hete aardappel is weer doorgeschoven. [163] De kloof tussen ontslag binnen en buiten faillissement is onder de WHOA immers volledig gehandhaafd door de positie van werknemers in een pre-insolventieakkoord ongemoeid te laten. [164]
Het in deze afdeling bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van verplichtingen van de schuldenaar die voortvloeien uit ten tijde van het aanbieden van het akkoord bestaande arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 610 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.”
verplichtingen van de schuldenaar(die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten), in plaats van de huidige tekst, waarin het gaat om
rechten van werknemers(die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten). In de tweede plaats bevatte de concept-tekst een clausulering dat de arbeidsovereenkomsten bestonden ten tijde van het aanbieden van het akkoord. In de huidige tekst staat die clausulering niet.
Uit dit lid volgt dat het akkoord niet de wijziging van een arbeidsovereenkomst kan inhouden. Daarvoor dient het daartoe bestemde traject, dat recent met de Wet Werk en Zekerheid is gestroomlijnd.”
De aanleiding om te reageren is dat:
Zowel op basis van de [WHOA] als het wetsvoorstel inzake de [WCO I] zijn we van mening dat deze pensioenpremievorderingen volgen uit ‘rechten van werknemers die volgen uit een arbeidsovereenkomst’ zoals genoemd in artikel 369, vierde lid van de Faillissementswet.”
5.Bedrijfstakpensioenfondsen en de af te dragen premies
a. de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking tussen een werkgever en een werknemer met betrekking tot pensioen in geval van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op basis van een verplichtstelling; en
Evenals in de PSW wordt in het wetsvoorstel de situatie waarin de werkgever en de werknemer geen afspraken maken betreffende pensioen, maar wel sprake is van een verplichtstelling op basis van de Wet Bpf 2000, gelijkgesteld met de situatie waarin er sprake is van een pensioenovereenkomst.”
Voor de rechten en plichten over en weer tussen werkgever en werknemer maakt het echter niet uit, of zij het pensioen feitelijk zelf overeenkomen, dan wel dat de hun vertegenwoordigende organisaties dat doen. Dit wetsvoorstel gaat uit van de fictie dat de werkgever en werknemer in een bedrijfstak waar een verplichtgestelde regeling geldt een pensioenovereenkomst hebben gesloten.”
geldt de fictie dat de werkgever en werknemer een pensioenovereenkomst hebben gesloten. [185] De daaruit voortvloeiende rechten en plichten van werknemer en werkgever staan op één lijn staan met de rechten en plichten die werknemer en werkgever zouden hebben als zij zelf een pensioenovereenkomst zouden hebben gesloten.
Pensioen dat voor werknemers als onderdeel van de arbeidsovereenkomst wordt overeengekomen is een arbeidsvoorwaarde en heeft een beloningskarakter.”
GOM-arrest (waarover nader onder 5.23): [191]
3.11 Bij de hier aan de orde zijnde uitleg van de art. 7:663 en Pro 7:664 BW dient voorts de omstandigheid te worden betrokken dat de werknemer die zowel voor als na de overgang van de onderneming verplicht deelneemt in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds, in die zin geen belang heeft bij het instellen van een vordering tot premiebetaling tegen de overdragende werkgever of de verkrijger, dat de verplichting van het pensioenfonds om aangesloten werknemers – als zij aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoen – pensioenuitkeringen te doen, bestaat onafhankelijk van het antwoord op de vraag in hoeverre door de werkgever de verschuldigde premie is voldaan. (…)”
GOM-arrest (mijn onderstreping): [192]
Aldus heeft het incidenteel niet betalen van de premie niet direct financieel nadeel voor de werknemer, maar dat kan wel ontstaan (minder premie zal hoe dan ook gevolgen hebben voor de financiële huishouding van een pensioenfonds en kan ook gevolgen hebben voor de nakoming van voorwaardelijke verplichtingen, zoals voorwaardelijke toeslagen).”
jegens de werknemersverplicht tot betaling van pensioenpremies aan het bedrijfstakpensioenfonds. Dat heeft de Hoge Raad in zijn algemeenheid (niet alleen voor de situatie van aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds maar ook voor een ‘gewone’ pensioenovereenkomst) overwogen in rov. 3.10 van het
GOM-arrest (mijn onderstreping): [199]
Verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst ter zake van pensioen hebben als bijzonderheid dat daarbij in de regel sprake is van een driehoeksverhouding tussen de werknemer, de werkgever en een pensioenuitvoerder als bedoeld in art. 23 lid 1 in Pro verbinding met art. 1 Pw Pro.De werkgever is uit hoofde van de pensioenovereenkomst (of daarmee gelijk te stellen rechtsbetrekking in geval van verplichte deelneming op grond van de Wet Bpf 2000, zie hiervoor in 3.5) jegens de werknemer verplicht tot premiebetaling aan de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder heeft daarnaast een eigen recht jegens de werkgever op betaling van de premie. (…)”
GOM-arrest (zie hiervoor onder 5.13).
in hun rechtsverhouding met de werkgeverrecht op hebben dat hun werkgever pensioenpremies afdraagt. Zo schrijft Mouthaan, die meent dat een pensioenpremieachterstand niet onder de werknemersuitzondering valt: ‘
Ten eerste is de premieachterstand geen recht van een werknemer maar van het bpf.’ [200] Ook Van den Sigtenhorst schrijft dat het ‘
niet aannemelijk is’ dat vorderingen van pensioenfondsen uitgesloten zijn van de werking van de WHOA, omdat het ‘
immers geen rechten van de werknemers betreft’. [201]
uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingvan de werkgever jegens de werknemer. Dat volgt uit de hiervoor besproken regel, dat onder art. 2 lid 2 Pw Pro de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer met betrekking tot pensioen in geval van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, gelijkgesteld wordt met een pensioenovereenkomst (zie onder 5.6-5.9). Zie ook Lutjens (mijn onderstreping): [202]
In geval van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is er op grond van art. 4 Wet Pro Bpf 2000 een gehoudenheid de statuten en reglementen van het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds na te leven. De premiebetalingsplicht is veelal in het uitvoeringsreglement opgenomen. Er is dan sprake van een op de wet gebaseerde verplichting tot premiebetaling.Dit gegeven staat er niet aan in de weg dat er tevens sprake is van een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting jegens werknemers. Op grond van de tussen de werkgever en de werknemer bestaande arbeidsovereenkomst ontstaat immers de verplichting tot deelneming in en premiebetaling aan het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds. Dat de wettelijke regeling de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst invult of aanvult, betekent niet dat daarom de verplichtingen niet – mede – uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. De omstandigheid dat art. 2 lid Pro 2, onder a, PW de rechtsbetrekking uit een verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds met een pensioenovereenkomst gelijkstelt, onderstreept dat in deze rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer de verplichtingen uit hoofde van de Wet Bpf 2000 bestaan.”
GOM-arrest uitdrukkelijk overwogen voor de situatie van overgang van onderneming. In deze zaak had schoonmaakbedrijf GOM, dat verplicht deelneemt in een bedrijfstakpensioenfonds een andere schoonmaakonderneming, VBG, gekocht. De werknemers gingen op grond van overgang van onderneming (art. 7:662 e.v. BW) van rechtswege mee over en vielen – zowel voor als na de overname – onder hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds. GOM werd door het bedrijfstakpensioenfonds aangesproken voor de betaling van premies die VBG vóór de overname onbetaald had gelaten. Het hof oordeelde dat GOM op grond van art. 7:663 BW Pro gehouden was de achterstallige premies van VBG aan het bedrijfstakpensioenfonds te voldoen. Naar aanleiding van de hiertegen aangevoerde cassatieklachten overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende (mijn onderstreping): [203]
3.5. Uit dit samenstel van de art. 7:663, 7:664 lid 1 en 7:664 lid 2 BW en de daarop gegeven toelichting volgt dat het geval waarin de overdragende en de verkrijgende werkgever beiden verplicht deelnemen in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet Bpf 2000, valt onder de werking van art. 7:663 BW Pro.Dit betekent dat verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet Bpf 2000 moeten worden aangemerkt als verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:663 BW Pro. Dit strookt met het stelsel van de Pensioenwet (Pw), waarin een pensioenovereenkomst wordt gedefinieerd als “hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen” (art. 1 Pw Pro) en met een pensioenovereenkomst wordt gelijkgesteld “de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking tussen een werkgever en een werknemer met betrekking tot pensioen in geval van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op basis van een verplichtstelling” (art. 2 lid Pro 1, aanhef en onder a, Pw).”
GOM-arrest zijn ingestoken vanuit de regelgeving voor overgang van onderneming. Naar mijn mening gelden die overwegingen echter breder en moet
in zijn algemeenheidworden aangenomen dat verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds moeten worden aangemerkt als verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Ook Lutjens acht het aannemelijk dat het oordeel van de Hoge Raad in het
GOM-arrest van algemene betekenis is: [205]
Het is van belang op te merken dat de Hoge Raad dit oordeel geeft op basis van het geval waarin de overdragende en de verkrijgende werkgever beiden verplicht deelnemen in hetzelfde verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds. Dat was namelijk de situatie in het GOM-arrest. Het is aannemelijk dat het oordeel van de Hoge Raad gelet op de argumentatie gebaseerd op het stelsel van de Pensioenwet van algemene betekenis is en geldt voor alle andere situaties waarin sprake is van verplichtingen voortvloeiende uit de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds.”
GOM-arrest, en dat hij meent dat die overwegingen
nietkunnen worden doorgetrokken naar andere situaties. De opmerking van Verburg waarop dat standpunt van [verzoekster] is gebaseerd (in zijn noot onder het arrest [206] ), luidt dat het oordeel van de Hoge Raad in het
GOM-arrest een ‘
beperkt uitstralingseffect’ heeft. Die opmerking heeft echter betrekking op Verburgs eerdere constatering, dat ‘
het oordeel van de Hoge Raad […] beperkt [is] tot situaties als bedoeld in art. 7:664 lid 2 BW Pro: voor en na de transactie betrokkenheid van hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds’, en dus niet, zo bedoelt hij kennelijk, op élke situatie waarin sprake is van overgang van onderneming. Dat Verburg dat bedoelt, blijkt ook de verwijzing naar de conclusie van A-G Timmerman in dezelfde zin. [207]
GOM-arrest over de kwalificatie van verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds dus van algemene betekenis. Dan is de consequentie dat óók in het kader van de WHOA moet worden aangenomen dat verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds kwalificeren als verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Daarmee vallen zij onder de werknemersuitzondering van art. 369 lid 4 Fw Pro.
(….) maar de vervolgvraag is of pensioenpremies verschuldigd aan de pensioenuitvoerder zijn aan te merken als rechten van werknemers uit een arbeidsovereenkomst.
.Dit artikel zelf maakt ook geen uitzondering voor bepaalde rechten en werknemersbelang is er mee gemoeid dat – ook – de pensioenpremies buiten het akkoord blijven.
GOM-arrest aan het slot van rov. 3.11, namelijk dat (als de achterstallige premies onbetaald zouden blijven) de belangen van de werknemers indirect kunnen worden geschaad als het pensioenfonds wegens een te lage dekkingsgraad zou overgaan tot korting op de pensioenen. Het niet afdragen van premies kan dus gevolgen hebben voor de rechten van werknemers. Dat vanwege het beginsel ‘geen premie, wel pensioen’ (zie onder 5.12-5.16) een werknemer niet onmiddellijk getroffen wordt in een individuele pensioenaanspraak, maakt dat niet anders.
GOM-arrest, namelijk dat door het niet voldoen aan de verplichting van de werkgever/schuldenaar ‘
indirect ook de belangen van de werknemers zelf kunnen worden geschaad’ (zie onder 5.14).
6.Maakt de werknemersuitzondering de WHOA minder effectief?
En in de tweede plaats[A-G: het eerste argument is dat de wetgever niet lijkt te hebben beoogd om vorderingen van het bedrijfstakpensioenfonds van de WHOA uit te sluiten, zie hierna onder 8.6]
omdat het de WHOA veel minder effectief zou maken en zelfs dwangakkoorden en herstructureringen zou kunnen frustreren. Indien de vorderingen van een bedrijfstakpensioenfonds niet onder de WHOA zouden vallen, dan zou het bedrijfstakpensioenfonds onder meer middels een dwangbevel op vrij efficiënte wijze executoriaal beslag kunnen leggen op het vermogen van een rechtspersoon. Verder zou de in art. 376 Fw Pro genoemde afkoelingsperiode in dat geval naar mijn mening niet van toepassing zijn op het bedrijfstakpensioenfonds. Art. 369 lid 4 Fw Pro bepaalt namelijk dat, indien de in dat artikel genoemde uitzonderingssituatie zich voordoet, de gehele afdeling niet van toepassing is (en dus ook art. 376 Fw Pro niet). Het risico zou dan bestaan dat een bedrijfstakpensioenfonds een herstructurering zouden kunnen frustreren door middels een dwangbevel tot executie over te gaan teneinde zijn vordering op de rechtspersoon te verhalen. Ook zou het bedrijfstakpensioenfonds dan mogelijk kunnen aansturen op een faillissement. Bedrijfstakpensioenfondsen behoren doorgaans tot de grotere schuldeisers van een rechtspersoon en het uitsluiten van bedrijfstakpensioenfondsen zou in de praktijk aan succesvolle herstructureringen in de weg kunnen staan. Het kan naar mijn mening daarom niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om vorderingen van bedrijfstakpensioenfondsen van de WHOA uit te sluiten.”
altijdal met een dwangbevel achterstallige premies kunnen innen, dus ook in de periode die voorafgaat aan het aanbieden van een WHOA-akkoord, waarin de onderneming al in betalingsproblemen verkeert. Bedrijfstakpensioenfondsen kunnen dus ook het afkondigen van zo’n afkoelingsperiode vóór zijn. Daarbij dient te worden bedacht dat betalingsonmacht op de voet van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 aan het bedrijfstakpensioenfonds dient te worden gemeld, juist zodat het fonds zich kan beraden op zijn positie (zie ook onder 5.16).
7.Loongarantieregeling
(3) Er zijn voorzieningen nodig om werknemers bij insolventie van de werkgever te beschermen en hun een minimum aan bescherming te bieden, in het bijzonder om de honorering van hun onvervulde aanspraken te garanderen met inachtneming van de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de Gemeenschap. Daartoe moeten de lidstaten een fonds oprichten dat de honorering van de onvervulde loonaanspraken van de betrokken werknemers waarborgt.
bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is’, over een periode van maximaal een jaar voorafgaand aan het einde van de opzegtermijn. Uit art. 61 WW Pro volgt dat als bijkomende voorwaarde voor het overnemen van betalingen die de werkgever aan derden is verschuldigd, geldt dat de werknemer ‘
geldelijk nadeel kan ondervinden’ doordat de werkgever die bedragen niet heeft betaald.
GOM-arrest dat onbetaald gebleven premies indirect de belangen van werknemers kunnen schaden (zie ook onder 5.14).
aan derden verschuldigd’ als gevolg van het akkoord. [222]
8.Conclusie en beantwoording van de prejudiciële vraag
GOM-arrest van de Hoge Raad volgt dat dit recht van de werknemer voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst (zie onder 5.21-5.27). De werknemer kan jegens de werkgever nakoming van dit recht afdwingen (zie onder 5.18).
GOM-arrest, namelijk dat door het niet voldoen aan de verplichting van de werkgever/schuldenaar ‘
indirect ook de belangen van de werknemers zelf kunnen worden geschaad’ (zie onder 5.14).