Uitspraak
gevestigd te Schiedam,
gevestigd te Utrecht,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 oktober 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de verplichting tot betaling van pensioenpremies die de oude werkgever onbetaald heeft gelaten, overgaat op de nieuwe werkgever bij overgang van een onderneming volgens art. 7:663 BW Pro. GOM Schoonhouden B.V. had werknemers van VBG overgenomen en betwistte de verplichting tot betaling van achterstallige pensioenpremies aan het bedrijfstakpensioenfonds (BPF).
De rechtbank en het gerechtshof hadden reeds geoordeeld dat de pensioenverplichtingen overgaan op de verkrijger en dat het pensioenfonds een eigen vorderingsrecht heeft. GOM stelde in cassatie onder meer dat pensioenverplichtingen niet tot de over te dragen rechten en verplichtingen behoren en dat het pensioenfonds geen eigen vorderingsrecht heeft.
De Hoge Raad oordeelde dat pensioenverplichtingen die voortvloeien uit verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet Bpf 2000 wel degelijk onder de overgangsregeling van art. 7:663 BW Pro vallen. Ook verplichtingen tot betaling van vóór de overgang onbetaald gelaten pensioenpremies gaan over op de verkrijger. Daarnaast heeft het pensioenfonds een zelfstandig recht om deze premies bij de nieuwe werkgever te vorderen, wat noodzakelijk is voor effectieve rechtsbescherming van werknemers en het waarborgen van pensioenuitkeringen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van GOM en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. GOM werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot betaling van achterstallige pensioenpremies bij overgang van onderneming overgaat op de verkrijger en dat het pensioenfonds een eigen vorderingsrecht heeft.