IV. De middelen en de bespreking daarvan
9. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd en ter zitting voorgedragen standpunt van de verdediging “dat er geen sprake is van heling van een fiets en van verdachte geen nader onderzoek gevergd had mogen worden”. De steller van het middel voert daarbij in het bijzonder aan dat het hof onder de gegeven omstandigheden niet “als feit van algemene bekendheid [had] mogen aannemen dat de fiets gestolen was op grond van het enkele feit dat de sleutel van het originele slot ontbrak”.
10. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleiden “het hof de verdediging een responsiemogelijkheid heeft onthouden aangaande en voor het eerst bij arrest aangenomen feit van algemene bekendheid waardoor het beginsel van fair trial is geschonden”.
11. Aangezien beide middelen met deels overlappende klachten opkomen tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde, en in het bijzonder klagen over het door het hof in zijn bewijsoverweging aangemerkte feit van algemene bekendheid, lenen de middelen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ik bespreek eerst de klachten over het door het hof als feit van algemene bekendheid aangemerkte gegeven dat “een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt”. Daarna volgt een bespreking van de resterende klachten, die de middelen richten tegen de motivering van de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling.
Bespreking van de klachten over het door het hof aangemerkte feit van algemene bekendheid
12. Bij de bespreking van deze klachten kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 339, tweede lid, Sv bepaalt dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid betreffen gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen; voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde.Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.De rechter is niet verplicht om een gegeven dat evident van algemene bekendheid is bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake te brengen. Als echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een gegeven dat van algemene bekendheid is, dient de rechter dat gegeven bij de behandeling ter terechtzitting aan de orde te stellen. Daarmee wordt voorkomen dat de rechter zijn beslissing (mede) baseert op gegevens die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven zodat zij zich daarover ook niet hebben kunnen uitlaten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van art. 359, tweede lid, Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid.
13. Hetgeen de verdediging ter terechtzitting met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 naar voren heeft gebracht, kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.
14. Het hof heeft geoordeeld dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt. Nu het hof niet heeft verwezen naar een bron waaruit dat gegeven kan worden afgeleid, is volgens het hof kennelijk sprake van een algemene ervaringsregel die eenieder geacht moet worden te kennen. Ook ligt in het oordeel van het hof besloten dat de wetenschap van deze ervaringsregel geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Aangezien het hof de juistheid van, en de bekendheid met, de algemene ervaringsregel niet ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld, is het hof voorts kennelijk van oordeel dat zonder meer duidelijk is dat de voormelde ervaringsregel betrekking heeft op een gegeven van algemene bekendheid. Voor zover deze oordelen besloten liggen in de bewijsoverweging van het hof geven zij – in het licht van wat hiervoor in randnummer 12 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
15. Dan de vraag naar de begrijpelijkheid van de in de bewijsoverweging besloten liggende oordelen. Dat een aangetroffen fiets onder bepaalde omstandigheden op grond van algemene ervaringsregels als uit enig misdrijf afkomstig kan worden aangemerkt, is zonneklaar. Zo zal dat het geval zijn als een nieuwe fiets op een ongebruikelijke plaats en tijdstip, en voor een te lage prijs, te koop wordt aangeboden terwijl op die fiets duidelijke braaksporen zichtbaar zijn. Dan is immers redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar dat de kenmerken van de fiets, en de omstandigheden waaronder de fiets te koop wordt aangeboden, erop duiden dat de fiets van misdrijf afkomstig is en is voorts duidelijk dat eenieder geacht moet worden van deze uit de algemene ervaring volgende kennis op de hoogte te zijn. Dat feit van algemene bekendheid biedt dan grond voor het oordeel dat (het niet anders kan zijn dan dat) een onder dergelijke omstandigheden aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betreft als bedoeld in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr.
16. Zo duidelijk als in het hiervoor gegeven voorbeeld ligt het in de voorliggende zaak niet. In de onderhavige zaak heeft het hof namelijk enkel de vaststelling dat de bij de verdachte aangetroffen fiets in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt ten grondslag gelegd aan het oordeel dat het een feit van algemene bekendheid betreft dat een onder die omstandigheden aangetroffen fiets uit enig misdrijf afkomstig is. Deze door het hof in aanmerking genomen omstandigheid kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat die fiets op basis van een algemene ervaringsregel uit enig misdrijf afkomstig is. Weliswaar is het – zoals de verdachte blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring die het hof als bewijsmiddel 4 heeft gebezigd – “wel raar dat er geen sleutel was en het slot open was”, maar een redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar gegeven dat de fiets om die reden van misdrijf afkomstig was, kan ik daarin nog niet zien, laat staan dat ten aanzien van dat gegeven zonder meer kan worden gesteld dat het voor eenieder bekend moet worden geacht.
17. Voor een begrijpelijk oordeel van het hof waren nadere vaststellingen nodig over de manier waarop, en de omstandigheden waaronder, de fiets bij de verdachte is aangetroffen die er – zoals in het hiervoor in randnummer 15 gegeven voorbeeld – onmiskenbaar op wijzen dat de fiets een door misdrijf verkregen goed betrof. Nu deze nadere vaststellingen ontbreken, is niet zonder meer begrijpelijk het oordeel van het hof dat sprake is van een evident feit van algemene bekendheid zodat de in de bewijsoverweging genoemde ervaringsregel ter terechtzitting niet ter sprake behoefde te worden gebracht. Dat brengt mee dat de middelen terecht zijn voorgesteld voor zover zij klagen over het door het hof in de motivering van de bewezenverklaarde schuldheling betrokken feit van algemene bekendheid dat “een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt”.
18. Deze terecht voorgestelde klachten behoeven echter alleen tot cassatie te leiden als de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling niet toereikend is gemotiveerd na weglating van het deel van de bewijsoverweging van het hof over het aangemerkte feit van algemene bekendheid.Het antwoord op de vraag of deze klachten mijns inziens daadwerkelijk tot cassatie moeten leiden, zal ik hierna geven bij de bespreking van de twee resterende klachten over de motivering van het onder feit 1 bewezenverklaarde.
Bespreking van de twee resterende klachten over de motivering van de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling
19. Bij de bespreking van de resterende klachten kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr bepaalt – onder meer – dat hij die een goed voorhanden heeft terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zich schuldig maakt aan schuldheling. Voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat het goed dat de verdachte voorhanden had een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Als het gaat om heling van een goed dat van het misdrijf diefstal afkomstig is, zal bij de bewijsmiddelen vaak een aangifte van diefstal van het betreffende goed zijn opgenomen.In het geval dat een bewijsmiddel ontbreekt waaruit direct kan worden afgeleid dat het een van diefstal afkomstig betreft, kan de rechter evenwel op basis van uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden komen tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het betreffende goed van diefstal afkomstig, en dus door misdrijf verkregen, is.
20. Voor een bewezenverklaring van schuldheling is voorts vereist dat is vastgesteld dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het goed dat hij voorhanden had door misdrijf was verkregen. Van het hier bedoelde vermoeden is sprake als de verdachte grof of aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest ten aanzien van de herkomst van het goed.De voor een bewezenverklaring van schuldheling vereiste onvoorzichtigheid bestaat in het geval dat de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezenverklaard.Voorts geldt dat voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte het in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr bedoelde vermoeden had “ten tijde van het voorhanden krijgen” van het door misdrijf verkregen goed.Wat van de verdachte aan in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De eerste ‘resterende’ klacht (“door misdrijf verkregen goed”)
21. De middelen bevatten de klacht dat niet zonder meer uit de door het hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft bewezenverklaard, de bij de verdachte aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betrof.
22. In de onderhavige zaak blijkt niet direct uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de fiets die de verdachte voorhanden had door misdrijf was verkregen. In zijn bewijsoverweging is het hof klaarblijkelijk van de misdadige herkomst van de fiets uitgegaan op basis van de vaststellingen dat i) de bij de verdachte aangetroffen fiets in goede staat verkeerde en ii) het slot van de betreffende fiets open was, maar niet was voorzien van een sleutel.Het is de vraag of dat volstaat voor een toereikende motivering van de bewezenverklaring wat betreft het onderdeel dat de fiets een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Bij de beantwoording van deze vraag is in het bijzonder van belang wat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld over de kenmerken van het betreffende slot op de fiets waarmee de verdachte is aangetroffen. Ik licht dat hieronder toe.
23. Uit het door het hof als bewijsmiddel 2 gebezigde proces-verbaal van bevindingen van een opsporingsambtenaar blijkt dat het aangetroffen geopende slot een vast aan de fiets bevestigd ‘U slot’ was waaraan geen braakschade was toegebracht. Wat precies met een ‘U slot’ is bedoeld, volgt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof gaat op de kenmerken van het slot in zijn bewijsoverweging ook niet nader in. Om die reden is niet duidelijk in hoeverre het ontbreken van de sleutel in het geopende slot indicatief is voor het van misdrijf afkomstig zijn van de fiets waaraan dat slot vast is bevestigd. Die onduidelijkheid is erin gelegen dat met de term ‘U slot’ redelijkerwijs meerdere typen sloten kunnen zijn bedoeld. Zo kan daarmee een vast aan een fiets bevestigd ringslot (meestal afkomstig van het merk AXA) zijn bedoeld.Als dat het geval is, zou daarin steun kunnen worden gevonden voor de bewijsoverweging van het hof, omdat een ringslot doorgaans met een sleutel wordt geopend en de sleutel dan in de regel vast in het slot bevestigd blijft zo lang het ringslot open is. Het ontbreken van een sleutel in een geopend ringslot kan zodoende een indicatie zijn dat met het slot van de fiets is ‘geknoeid’ zodat deze vaststelling door het hof bij de motivering van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde “door misdrijf verkregen goed” kan worden betrokken. In dat geval bestaat ruimte voor het aannemen van een begrijpelijk bewijsoordeel dat (het niet anders kan zijn dan dat) een onder dergelijke omstandigheden aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betreft als bedoeld in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. Of een dergelijk bewijsoordeel ook daadwerkelijk begrijpelijk zal worden geacht, is overigens allerminst zeker, nu eveneens verdedigbaar is dat daarvoor bijkomende, uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden nodig zijn, zoals schade aan het slot en/of de fiets, een weg gevijld framenummer van de fiets, en/of het verkrijgen van de fiets onder verdachte omstandigheden.
24. Als evenwel met de term ‘U slot’ is bedoeld te verwijzen naar een beugelslot met U-vorm dat vast aan het frame van een fiets kan worden bevestigd, draagt dat niet bij aan de begrijpelijkheid van de bewijsoverweging van het hof. Een dergelijk beugelslot moet immers van het frame van de fiets worden losgemaakt om de fiets met het slot daadwerkelijk vast te zetten, bijvoorbeeld doordat het slot door het wiel van de fiets wordt gestoken. Een beugelslot kan daardoor als geopend worden beschouwd als het niet het wiel of een ander deel van de fiets vastzet, maar enkel vast aan het frame van de fiets is bevestigd op de plek die bestemd is voor bevestiging van het slot tijdens het gebruik van de fiets als vervoermiddel. In dat geval behoeft het vast aan de fiets bevestigde U-vormige beugelslot echter niet te zijn voorzien van een daarin gestoken sleutel. In de regel is dat volgens mij zelfs niet het geval. Van een dergelijk geopend ‘U slot’ waarin geen sleutel is gestoken kan dus niet worden gesteld dat het zonder meer steun geeft aan de conclusie dat de fiets waaraan het vast is bevestigd van misdrijf afkomstig is. Heeft het hof in de bewijsvoering bedoeld te verwijzen naar een U-vormig beugelslot, dan is onbegrijpelijk waarom het ontbreken van de sleutel in het geopende slot een indicatie is dat de fiets van misdrijf afkomstig is.
25. Aangezien met de term ‘U slot’ niet evident enkel een vast aan de fiets bevestigd ringslot kan zijn bedoeld, en het hof geen nadere vaststellingen over de kenmerken van het geopende slot heeft gedaan, is de bewezenverklaring mijns inziens ontoereikend gemotiveerd wat betreft het tenlastegelegde onderdeel “door misdrijf verkregen goed”. Voor zover de middelen hierover klagen, zijn zij terecht voorgesteld.
26. Dat brengt mee dat geen grond bestaat om cassatie achterwege te laten vanwege de terecht voorgestelde klachten die de middelen richten tegen het in de bewijsoverweging van het hof aangemerkte feit van algemene bekendheid, welke overweging in het arrest is opgenomen naar aanleiding van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdediging daarover ter terechtzitting heeft ingenomen.
27. Nu uit het vorenstaande volgt dat cassatie vanwege de hiervoor besproken klachten van de middelen naar mijn inzicht is aangewezen, zou de resterende klacht van de middelen onbesproken kunnen blijven. Niettemin bespreek ik voor volledigheid die klacht hieronder nog kort.
De tweede ‘resterende’ klacht (“redelijkerwijs had moeten vermoeden”)
28. De middelen bevatten ten slotte de klacht dat uit de door het hof gebruikte bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft bewezenverklaard, de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat de bij hem aangetroffen fiets door misdrijf was verkregen.
29. Zoals ik hiervoor in randnummer 20 reeds heb opgemerkt, komt het aan op de uit de bewijsvoering af te leiden omstandigheden van het geval bij de beantwoording van de vraag of de verdachte heeft gehandeld met de grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid die voor een bewezenverklaring van schuldheling is vereist. In de onderhavige zaak heeft het hof niet onbegrijpelijk uit de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van de verdachte kunnen afleiden dat de verdachte heeft erkend dat het slot van de fiets open was en niet was voorzien van een sleutel. Anders dan in HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647 en in HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:213 doet zich in deze zaak daarom niet het geval voor waarin de bewijsvoering van het hof te weinig grond biedt voor het oordeel dat de verdachte wist van ‘gerommel’ met een slot ten tijde van het gebruiken van een geleend vervoermiddel dat door misdrijf was verkregen. 30. Biedt de uit de bewijsmiddelen af te leiden wetenschap van de verdachte over het geopende slot en de ontbrekende sleutel voldoende grond voor het oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets door misdrijf was verkregen? Dat is volgens mij niet zonder meer het geval gelet op HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611. In dit arrest uit 2018 slaagde naar het oordeel van de Hoge Raad het middel dat klaagde over de motivering van het bewezenverklaarde onderdeel “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”.Het hof was in die zaak uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij een – naar bleek: als gestolen geregistreerde – elektrische fiets had geleend en dat hij had gezien dat het (ring)slot van die fiets ontbrak. Volgens de Hoge Raad kon in dat licht niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de elektrische fiets in die mate was tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld. 31. Uit HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611 volgt mijns inziens dat de uit de bewijsmiddelen blijkende wetenschap van de verdachte dat het ringslot van een elektrische fiets ontbrak niet zonder meer voldoende is voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van het voor schuldheling vereiste handelen met aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van een geleende fiets. Als dat het geval is, dan komt het mij voor dat de in de onderhavige zaak blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde wetenschap van de verdachte dat de fietssleutel ontbreekt in het geopende slot van een geleende niet-elektrische fietsevenmin voldoende grond biedt voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van de vereiste onvoorzichtigheid.Dat brengt mee dat de middelen ook terecht zijn voorgesteld voor zover zij klagen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bij hem aangetroffen fiets door misdrijf was verkregen.