ECLI:NL:HR:2014:2682

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2014
Publicatiedatum
17 september 2014
Zaaknummer
13/03975
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 4 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-toepassing houdsterverliesregeling bij liquidatie deelneming binnen boekjaar

In deze zaak stond centraal of een verlies geleden door een houdstermaatschappij in het jaar waarin een deelneming werd geliquideerd, kan worden aangemerkt als houdsterverlies in de zin van artikel 20, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belanghebbende hield tot 8 augustus 2008 een deelneming van 100% in een GmbH, die op die datum werd geliquideerd. Gedurende het jaar 2008 heeft belanghebbende geen andere deelnemingen of activiteiten ontplooid en leed zij een verlies van € 56.393.

Het Hof had geoordeeld dat perioden van non-activiteit na ontbinding van deelnemingen niet onder het begrip “het houden van deelnemingen” vallen. Hierdoor kon het verlies niet worden aangemerkt als houdsterverlies, omdat niet gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar deelnemingen werden gehouden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de houdsterverliesregeling twee cumulatieve vereisten kent: een feitelijke werkzaamheid die bestaat uit het houden van deelnemingen en een temporele eis dat deze werkzaamheid gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar plaatsvindt.

De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met de houdsterverliesregeling beoogde de budgettaire derving door aftrekbare deelnemingskosten te beperken en dat het houden van deelnemingen als zodanig als feitelijke werkzaamheid moet worden beschouwd. Periodes zonder deelnemingen, zoals na liquidatie, tellen niet mee voor de temporele eis. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën werd ongegrond verklaard en de kosten van het geding werden aan de Staatssecretaris opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de houdsterverliesregeling niet van toepassing is bij liquidatie van een deelneming binnen het boekjaar.

Uitspraak

19 september 2014
nr. 13/03975
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 4 juli 2013, nr. 12/00009, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/697) betreffende de ten aanzien van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) voor het jaar 2008 gegeven beschikking waarin is vastgesteld dat op het verlies van dat jaar het bepaalde in artikel 20, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing is, alsmede de beschikking waarbij het saldo van de boekwaarde van de vorderingen en schulden op verbonden lichamen als bedoeld in artikel 20, lid 4, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vastgesteld. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 maart 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft als doel het verrichten van houdster- en financieringsactiviteiten.
2.1.2.
Tot en met 8 augustus 2008 had belanghebbende een als deelneming in de zin van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) aan te merken belang van 100 percent in [A] GmbH. De liquidatie van deze deelneming is op 8 augustus 2008 voltooid. Belanghebbende heeft geen andere deelnemingen en evenmin heeft zij in het onderhavige jaar (2008) andere activiteiten ontplooid.
2.1.3.
In 2008 heeft belanghebbende een verlies geleden ten bedrage van € 56.393.
2.2.
Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of vorenbedoeld verlies dient te worden aangemerkt als houdsterverlies in de zin van artikel 20, lid 4, van de Wet. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van het Hof kunnen perioden van non-activiteit na ontbinding van deelnemingen niet worden begrepen onder het begrip “het houden van deelnemingen”. Bij deze grammaticale uitleg van het begrip “houden van deelnemingen” kunnen volgens het Hof, gelet op het temporele element van artikel 20, lid 4, van de Wet, de verliezen van belanghebbende niet worden aangemerkt als houdsterverliezen in de zin van dat artikel, omdat belanghebbende niet (nagenoeg) het gehele jaar deelnemingen heeft gehouden. Voor de opvatting dat het temporele element slechts van belang is indien een houdstervennootschap naast houdsteractiviteiten tevens andere activiteiten ontplooit, ziet het Hof in de tekst, de geschiedenis van de totstandkoming, respectievelijk het doel en de strekking van artikel 20, lid 4, van de Wet onvoldoende aanknopingspunten.
2.3.
Het middel keert zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen. Het strekt ten betoge dat belanghebbende zich in het onderhavige boekjaar alleen heeft beziggehouden met het houden van deelnemingen zodat het onderhavige verlies daaraan toe te rekenen is en doel en strekking van de houdsterverliesregeling worden miskend indien het verlies niet als houdsterverlies wordt aangemerkt.
2.4.1.
Artikel 20 van Pro de Wet voorziet erin dat een door een belastingplichtig lichaam in enig jaar geleden verlies in beginsel wordt verrekend met door hem in een ander jaar behaalde winst. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, lid 4, van de Wet is de mogelijkheid van verliesverrekening evenwel beperkt in gevallen waarin de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend heeft bestaan uit (onder meer) het houden van deelnemingen (de ‘houdsterverliesregeling’).
2.4.2.
De houdsterverliesregeling is in de Wet opgenomen als een van de maatregelen ter voorkoming van ongewenste neveneffecten van het arrest van het Hof van Justitie van 18 september 2003, Bosal Holding B.V., C-168/01, ECLI:EU:C:2003:479
,BNB 2003/344, en de daarop gevolgde keuze van de wetgever voor het aftrekbaar maken van alle deelnemingskosten, alsmede ter (gedeeltelijke) dekking voor de budgettaire derving die door het aftrekbaar worden van deelnemingskosten zou ontstaan (zie Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 8, blz. 5).
2.4.3.
In de onderhavige zaak ligt de vraag voor of het in deze bepaling gebezigde begrip “feitelijke werkzaamheid (…) bestaat uit het houden van deelnemingen” mede omvat werkzaamheden na de voltooiing van de liquidatie van een deelneming.
2.4.4.
Volgens de bewoordingen van artikel 20, lid 4, van de Wet vindt de houdsterverliesregeling toepassing indien voldaan is aan twee cumulatieve vereisten: een eis betreffende de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige en een temporele eis. Deze temporele eis is tijdens de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling niet nader toegelicht.
De houdsterverliesregeling maakt geen onderscheid al naar gelang sprake is van actief of passief gehouden deelnemingen. Bij laatstvermelde deelnemingen zullen de daarop betrekking hebbende werkzaamheden in omvang gering of zelfs verwaarloosbaar kunnen zijn. Tegen deze achtergrond moet ervan worden uitgegaan dat de wetgever heeft beoogd voor de toepassing van de temporele eis het houden van een deelneming als zodanig als de feitelijke werkzaamheid aan te merken. Daarvan uitgaande is voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de temporele eis slechts de periode van belang waarin de deelneming wordt gehouden. Een periode waarin (nog) geen deelneming werd gehouden of een periode waarin geen deelneming (meer) wordt gehouden kan daarom niet in aanmerking worden genomen als periode waarin de “feitelijke werkzaamheid (…) bestaat uit het houden van deelnemingen”.
2.4.5.
Uit het hiervoor in 2.4.1 tot en met 2.4.4 overwogene volgt dat het Hof bij zijn oordelen is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en dat het middel, dat deze oordelen bestrijdt, in zijn geheel faalt.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2014.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 478.