Conclusie
2. [betrokkene 2],
3. [betrokkene 3],
4. [betrokkene 4],
5. [betrokkene 5],
6. [betrokkene 6],
7. [betrokkene 7],
8. [betrokkene 8],
9. [betrokkene 9],
10. [betrokkene 10],
11. [betrokkene 11],
12. [betrokkene 12],
13. [betrokkene 13],
14. [betrokkene 14],
15. [betrokkene 15],
advocaat: mr. R.J. van Galen,
advocaat: mr. M. Littooij
1.Feiten en procesverloop
b. Woningborg N.V. (hierna: Woningborg) is een verzekeringsmaatschappij. Zij is aangesloten bij het Garantie Instituut Woningbouw (GIW). Het GIW stelt zich onder meer ten doel om de consument bescherming te bieden in geval van een faillissement van een bij het GIW aangesloten ondernemer. [A] was via Woningborg aangesloten bij het GIW. Een bij het GIW aangesloten ondernemer is verplicht door het GIW vastgestelde modelcontracten te gebruiken.
9. Indien meerwerk overeengekomen wordt, zal de volgende betalingsregeling gelden:
“(…) De insolventiewaarborg
i. De curator heeft kopieën in het geding gebracht van de voor elk van de Kopers geldende eindfactuur tot betaling van de resterende 75% van het meerwerk.
“(...)
Als al zou moeten worden geoordeeld dat de Kopers in hun brief aan de curator van 6 januari 2011 geen duidelijke keuze voor ontbinding hebben gemaakt, dan volgt in elk geval uit art. 6:88 lid 1 BW Pro dat zij niet meer kunnen kiezen voor ontbinding en dat voor de Kopers de vordering tot schadevergoeding resteert (rov 7.8). Voorts overwoog het hof dat het ervoor moet worden gehouden dat [A] bij geen van de Kopers het meerwerk op faillissementsdatum had voltooid (rov. 7.10). In het licht van de termijnregeling in art. 5 lid 9 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomsten betekent dit dat de facturen voor het meerwerk noch op de factuurdatum noch op de faillissementsdatum (geheel of gedeeltelijk) opeisbaar waren (rov. 7.11.1-7.12.2). Voorts oordeelde het hof dat een eventuele toewijzing van de vorderingen van de curator hooguit betrekking kan hebben op het bedrag per Koper, dat de tegenprestatie vormt voor daadwerkelijk door [A] vóór de faillissementsdatum ten behoeve van die Koper verricht meerwerk (rov. 7.14.1). Het hof overweegt dat het voornemens is een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, namelijk of een curator die een aannemingsovereenkomst niet gestand doet, op grond van art. 37 lid 1 Fw Pro het recht verliest om nakoming te vorderen van betalingsverplichtingen voor termijnen die op de faillissementsdatum nog niet opeisbaar waren (rov. 7-15-7.18). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.Inleiding tot de beantwoording van de prejudiciële vragen
In die zaak heb ik in mijn conclusie beargumenteerd dat art. 37 Fw Pro restrictief moet worden uitgelegd, in die zin dat het recht op nakoming door de curator niet vervalt voor zover het gaat om de verplichtingen van de wederpartij die de tegenprestatie vormen van de vóór datum faillissement reeds door de schuldenaar verrichte prestaties. Art. 37 lid 1 Fw Pro heeft dus alleen betrekking op toekomstige prestaties.
In de onderhavige zaak heeft het hof echter vastgesteld dat de werkzaamheden waarvoor betaling wordt gevorderd - afzonderlijk opgedragen meerwerk -
nietwaren afgerond op de faillissementsdatum (tussenarrest 30 september 2014, rov. 7.11.1-7.12.1). Derhalve geeft de aannemingsovereenkomst in beginsel geen aanspraak op betaling van de resterende 75% voor het meerwerk (art. 5 lid Pro 9, zie bij de feitenvaststelling onder punt 1.1 sub d).
welzouden zijn afgerond op de faillissementsdatum, zij de resterende 75% van het bedrag voor het meerwerk aan de curator verschuldigd zouden zijn geweest, ook al heeft de curator de overeenkomst niet gestand gedaan (zie ook rov. 10.4.2 van het tussenarrest van 24 maart 2015). [3] Hierover bestaat in deze zaak dus geen discussie (zij het dat de curator van mening is dat de werkzaamheden wel waren afgerond, maar dit standpunt is door het hof verworpen in zijn tussenarrest van 30 september 2014).
Overigens nemen de Kopers in hun schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van de prejudiciële vragen van het hof een ander standpunt in. [4] Voor de weerlegging van dat standpunt verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak X c.s./Peters q.q.
Ook het hof nam aan dat art. 37 Fw Pro zo moet worden uitgelegd, dat het verlies van de curator om nakoming te vorderen bij niet-gestanddoening van de overeenkomst geen betrekking heeft op vorderingen die de tegenprestatie vormen van reeds vóór datum faillissement door de schuldenaar verrichte prestaties. Het hof gaat echter een stap verder en lijkt - helemaal duidelijk is dit niet [6] - van oordeel te zijn dat art. 37 Fw Pro ook kan worden toegepast op vorderingen die op het moment van faillietverklaring volgens de aannemingsovereenkomst nog níet zijn verschuldigd. Het hof vindt daarvoor een aanknopingspunt in art. 7:763, slotzin, BW. Die bepaling ziet op de tussentijdse beëindiging van de aannemingsovereenkomst bij overlijden of arbeidsongeschiktheid van de aannemer. In dat geval is de opdrachtgever voor de reeds verrichte arbeid en gemaakte kosten een naar redelijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden te bepalen vergoeding verschuldigd. Analoog hieraan, zo redeneert het hof, moet ook hier tussentijds worden afgerekend en is de opdrachtgever een vergoeding verschuldigd voor de werkzaamheden die vóór het faillissement zijn verricht, ook al is de factuur voor de betreffende termijn nog niet verschuldigd.
ex nuncontbinding van rechtswege (zie daarover mijn conclusie in de zaak X c.s./Peters q.q. onder punt 2.8). [9]
Kortom, indien op grond van de overeenkomst geen vorderingsrecht bestaat op faillissementsdatum kan de curator niet door zich enkel te beroepen op art. 37 Fw Pro betaling vorderen van vóór het faillissement verrichte werkzaamheden.
Lid 1.Het nieuwe eerste lid vat de eerste zin en het eerste deel van de tweede zin van het huidige eerste lid in één bepaling samen. Volgens deze bepaling verliest de curator het recht nakoming te vorderen als hij zich niet binnen de hem gestelde redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen. Derhalve wordt het huidige stelsel van ontbinding van rechtswege verlaten. Er is geen reden waarom de wederpartij niet ook in geval van faillissement de keuze zou worden gelaten of hij, indien de curator niet wil nakomen, gehele of gedeeltelijke ontbinding met aanvullende schadevergoeding
dan wel vervangende schadevergoedingwenst. De bevoegdheid tot ontbinding of tot omzetting in een vordering tot vervangende schadevergoeding komt hem toe terstond nadat de termijn ongebruikt is verstreken en daardoor vaststaat dat de curator zijnerzijds niet zal nakomen; men zie ook de artikelen 6.1.6.10 onder a en 6.1.8.5. De curator kan zich zekerheid omtrent de bedoelingen van de wederpartij verschaffen door aan deze de termijn van artikel 6.1.8.13
(art. 6:88 BW Pro- A-G)te stellen.
Vervangende schadevergoeding
volledigevervangende schadevergoeding. Die aanspraak op 'volledige vervangende schadevergoeding' betekent dat de schuldeiser hetgeen hij reeds ontvangen heeft van de schuldenaar, dient te restitueren. [16] De schuldeiser wijst door het vorderen van vervangende schadevergoeding immers de prestatie af; dit treft ook hetgeen reeds is gepresteerd. [17] Voor zover het gaat om een prestatie die naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt, treedt daarvoor een verbintenis tot waardevergoeding in de plaats (art. 6:272 BW Pro).
De curator heeft dus recht op A en de Kopers op B-C. Deze bedragen kunnen met elkaar worden verrekend op grond van art. 53 Fw Pro. Op deze manier kan de overeenkomst worden afgewikkeld, waarmee ‘uitbalancering’ plaatsvindt van de prestaties die over en weer zijn verricht.
De factois het resultaat immers dat de curator aanspraak krijgt op betaling voor werkzaamheden waarvoor in het geval dat er geen faillissement was geweest, de aannemer géén recht zou hebben gehad (vergelijk hiervoor bij punt 2.8). In de door mij gekozen benadering wordt deze finale afrekening echter gerechtvaardigd door het leerstuk van vervangende schadevergoeding. Op die manier is dogmatisch inpasbaar dat de curator een vorderingsrecht heeft dat de aannemer zonder faillissement niet zou hebben gehad.
Hetzelfde geldt in het geval dat geen omzetting of ontbinding van de overeenkomst plaatsgevonden, maar wel sprake is van een op de faillissementsdatum reeds bestaande vordering die de tegenprestatie vormt van een reeds vóór datum faillissement verrichte prestatie van de schuldenaar. Ook dan is de vraag of tevens sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, louter van theoretische aard. De door mij bepleite restrictieve uitleg van art. 37 Fw Pro brengt immers mee dat het recht op nakoming van de curator niet vervalt voor zover het gaat om de verplichtingen van de wederpartij die de tegenprestatie vormen van de vóór datum faillissement reeds door de schuldenaar verrichte prestaties, mits daarvoor een vorderingsrecht bestaat uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. [23] In de meeste gevallen is toepassing van het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking dus weinig relevant. Alleen indien er én geen vorderingsrecht is van de curator in verband met een vóór datum faillissement verrichte (voltooide) prestatie van de schuldenaar én de wederpartij geen keuze heeft gemaakt voor ontbinding of omzetting (en de curator dat ook niet heeft afgedwongen), komt de vordering tot schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking in beeld. Slechts dan heeft de curator geen andere grondslag om de wederpartij aan te spreken tot betaling voor gedeeltelijk uitgevoerde werkzaamheden.
Deze benadering lijkt mij minder juist. De termijnenregeling geeft een betalingsschema gedurende de bouwwerkzaamheden, maar veronderstelt dat de werkzaamheden worden voltooid. De termijnenregeling pakt nu zo uit dat er een voordeel voor de koper ontstaat, maar de regeling is natuurlijk niet met dat doel in de overeenkomst opgenomen. Anders gezegd: met de termijnenregeling is niet beoogd de wederpartij een voordeel in de schoot te werpen. [28] Het is dan ook moeilijk te verdedigen dat de verrijking van de wederpartij gerechtvaardigd wordt door de overeenkomst. Daarbij komt dat het consumentbeschermende aspect van de termijnenregeling gelegen is in de gehoudenheid van de opdrachtgever tot voorfinanciering te voorkomen (vgl. onder punt 2.15). Die bescherming wordt niet doorkruist door een voortijdige afrekening tussen partijen van hun uit de aannemingsovereenkomst voortvloeiende wederzijdse verplichtingen.
Slechts indien een aannemingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd, dat partijen met de termijnenregeling hebben beoogd om geen ruimte te laten voor een schadevergoeding als hier aan de orde, moet worden aangenomen dat de verrijking van de wederpartij gerechtvaardigd wordt door de overeenkomst. In een enigszins vergelijkbare situatie (tussentijdse beëindiging van de werkzaamheden door de aannemer, maar buiten faillissement) overwoog het hof Amsterdam dat noch uit de tekst van de aannemingsovereenkomst noch uit de inhoud van de strekking van die overeenkomst viel af te leiden dat partijen met de regeling van de betalingsvoorwaarden hadden beoogd om geen ruimte te laten voor een schadevergoeding van de aannemer. [29] De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking werd dan ook toegewezen. Deze benadering lijkt mij de juiste. Het komt dan dus aan op uitleg van de overeenkomst, aan de hand van de Haviltex-maatstaf.
ex nunc, zoals onder art. 37 Fw Pro (oud) het geval was. Zo'n afwikkeling van de overeenkomst zou hebben geleid tot het 'uitbalanceren' van de wederzijdse prestaties van partijen. Er zou dan juist
geenvermogensverschuiving plaatsvinden: tegenover de door de failliet verrichte prestaties zou immers evenredige betaling door de wederpartij komen te staan. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat art. 37 Fw Pro ertoe strekt een vermogensverschuiving van failliet naar wederpartij te rechtvaardigen.
nietzo is dat een verrijking van de opdrachtgever/ koper van een woning in een geval als het onderhavige, ten koste van een verarming van de failliet c.q. de boedel, niet ongerechtvaardigd kan zijn. Dat is wel het geval. De verrijking wordt niet steeds gerechtvaardigd door (de termijnregeling in de) overeenkomst en ook niet door de wet. De prejudiciële vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord.
nadatop de vordering tot vergoeding van de waarde van de werkzaamheden waarvoor nog niet is betaald, in mindering is gebracht de schade die de koper heeft geleden door het faillissement, en dan met name de meerkosten die hij heeft moeten maken doordat een derde de woning heeft moeten afbouwen. Vergelijk het arrest HR 22 juni 2007, NJ 2007/451 (
[B/C]): [32]
per saldois bevoordeeld. Om dat vast te stellen zal niet alleen moeten worden gekeken naar de waarde van de prestatie waarvoor nog niet is betaald (de door [A] verrichte meerwerkzaamheden), maar ook naar de schade die aan de zijde van de Kopers bestaat. Daarvoor verwijs ik naar punt 2.17.
Partiële ontbinding2.24 Het hof vraagt zich ten slotte nog af of het voor de beantwoording van de prejudiciële vraag verschil maakt en zo ja in welke zin, indien punt (iv) van de vraag wordt aangepast in die zin dat de consument opteert voor partiële ontbinding voor de toekomst. [33]
Het ligt in de rede dat in een geval als het onderhavige de wederpartij/koper kiest voor partiële ontbinding in temporele zin, aldus dat partijen voor de toekomst van hun prestaties zijn bevrijd. De failliet hoeft dan geen verdere werkzaamheden meer te verrichten, waartegenover de wederpartij voor dát gedeelte geen betaling meer is verschuldigd. Zijn betalingsverplichting voor reeds verrichte werkzaamheden blijft echter gewoon in stand. De aannemingsovereenkomst bestaat dus nog steeds, maar met een gewijzigde (verminderde) inhoud. [35]