Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] als getuigen te horen onbegrijpelijk is.
tweede middelklaagt over de afwijzing van het verzoek tot een schriftkundig onderzoek naar de echtheid van de handtekening onder de arbeidsovereenkomst van de verdachte.
derde middelklaagt dat (ik citeer het middel) “het hof de verdediging het recht op het voeren van verweer met betrekking tot de volledigheid van de stukken heeft ontzegd op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, althans niet zonder meer begrijpelijk zijn” en dat “als gevolg van de uitwerking van dat standpunt (…) het hof het verweer strekkende tot vrijspraak, dat steunde op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, [heeft] verworpen op grond van een motivering die evenmin zonder meer begrijpelijk is”.
Vervolgens worden, zo begrijp ik, door de steller van het middel drie klachten opgevoerd. De eerste klacht houdt in dat het hof de verdediging het recht heeft ontzegd om zich te beroepen op het achterwege blijven van nader onderzoek en op het ontbreken van (de relevante delen van) de administratie van [A] B.V. in het dossier. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn ambtshalve bevoegdheid om tot verificatie te komen van de drie standpunten van de verdediging. De derde klacht houdt in dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op de drie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging.
vierde middelklaagt dat het hof bij de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, terwijl op die schending wel een beroep is gedaan.
vijfde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.