ECLI:NL:HR:2011:BP0438

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03950
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 SvArt. 283 SvArt. 287 SvArt. 288 SvArt. 315 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot horen van getuigen in hoger beroep strafzaak

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin zijn verzoek tot het horen van bepaalde getuigen werd afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat de afwijzende beslissingen van het hof op grond van de artikelen 328 en 331 Sv in verbinding met artikel 315 Sv Pro zijn genomen, welke bepalingen ook in hoger beroep van toepassing zijn.

Echter, artikel 322, vierde lid, Sv is niet van toepassing op deze beslissingen, zodat nu het onderzoek ter terechtzitting op 30 juni 2009 opnieuw is aangevangen, de bestreden einduitspraak niet mede berust op de eerdere afwijzingen. Hierdoor blijven de middelen die zich richten tegen deze beslissingen onbesproken.

De overige middelen van cassatie kunnen niet leiden tot vernietiging van het arrest en behoeven geen nadere motivering. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verdachte en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat het verzoek tot het horen van getuigen terecht is afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het verzoek tot het horen van getuigen blijft afgewezen.

Uitspraak

31 mei 2011
Strafkamer
nr. 09/03950
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 juli 2009, nummer 22/006334-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep voor zover het is gericht tegen de ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2007 gegeven beslissingen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het vierde, het vijfde, het zesde en het negende middel
2.1. De middelen bevatten de klacht dat het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2007 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het verzoek tot het horen van de in de middelen genoemde getuigen heeft afgewezen.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2009 houdt het volgende in:
"Het hof beveelt dat het ter terechtzitting van 19 januari 2009 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, nu de samenstelling van het hof gewijzigd is en de raadsman niet instemt met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond."
2.3. Het bestreden arrest houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2009.
2.4. Art. 322, vierde lid, Sv, dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, luidt:
"Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of Pro artikel 288 in Pro stand."
2.5. De in de middelen bedoelde afwijzende beslissingen van het Hof zijn beslissingen op de voet van de art. 328 en Pro 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv Pro, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op die beslissingen heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking. Nu het onderzoek ter terechtzitting op 30 juni 2009 opnieuw is aangevangen en de bestreden einduitspraak niet mede berust op de in de middelen bedoelde beslissingen moeten de middelen onbesproken blijven.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 31 mei 2011.