Conclusie
[5]Hij ontkende en is nadien blijven ontkennen dat hij [slachtoffer] kende, dat hij haar heeft verkracht en vermoord. Als bij sporenonderzoek zijn sperma is aangetroffen, moet dat het gevolg zijn geweest van seks met wederzijdse instemming, aldus de verdachte.
[6]Vanwege zijn (“ruige”) leefwijze in die tijd kan hij zich daarvan echter niets herinneren.
[14]In eerste en tweede aanleg is in deze strafzaak uitvoerig stilgestaan bij het gebruik van dergelijke software, en bij de beperkingen ervan. Dat betreft de volgende applicaties:
LRmixStudio en
MixCal, beide ontwikkeld door (medewerkers van) het Nederlands Forensisch Instituut (NFI),
TrueAllele, ontwikkeld door het Amerikaanse Cybergenetics (met als
chief scientific officerM.W. Perlin), en
STRmix, mede ontwikkeld door J.S. Buckleton, van het Nieuw-Zeelandse Institute of Environmental Science and Research, ook kortweg: ESR.
[15]Voor zover die niet kan worden gekwantificeerd, wordt die – zo mogelijk – uitgedrukt in een ‘verbale schaal’.
[25]De buitenzijde van die jas was van 100% polyester, zoals niet ongewoon bij skikleding, glad dus.[26] In de bewijsmotivering ligt als ’s hofs oordeel besloten dat het onwaarschijnlijk is dat zo’n haar lang op die jas zit, bijvoorbeeld ook nog na een fietstocht (van huis naar werk). Anders zou je bij sporenonderzoek aan die jas meer haren verwachten aan te treffen van verschillende personen, en dat was niet het geval. Het spoor past dus veel beter bij een recente depositie ervan.
[27]
[30]Voor een numerieke weergave van de bewijswaarde, moet volgens NFI-deskundige Dieltjes gedacht worden aan een likelihood ratio van boven de tienduizend.[31]
[32]In de bewijsmotivering bespreekt het hof tevens verweren met betrekking tot een substantieel aantal andere biologische sporen waarin door met name Eikelenboom bij DNA-analyse telkens een of meer autosomale of Y-chromosomale DNA-kenmerken zijn aangetroffen die niet passen in het DNA-profiel van de verdachte, van [betrokkene 1] of het slachtoffer. Ook hierin ziet de verdediging ontlastend bewijs.
[33]Ik kom hierop voor zover nodig terug.
Aan de aangetroffen DNA-kenmerken die volgens de verdediging zouden wijzen op een andere dader of daders kan het hof geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu uit de bevindingen van de deskundigen is gebleken dat die sporen geen of nauwelijks bewijskracht hebben. Daartegenover staat de hoge mate van bewijskracht die wordt toegekend aan de bevindingen die betrekking hebben op verdachte. Er zijn geen tactische en technische aanwijzingen in het dossier die wijzen op een andere dader of daders dan verdachte.”
[34]
[36]
[37]Vaginaal aanwezig sperma vergaat na ongeveer een week en anaal aanwezig sperma veelal na de laatste ontlasting, aldus Eikelenboom (IFS).
[38]
[39]Hierin vond het hof geen (enkele) aanwijzing voor de hiervoor bedoelde ‘vrije seksuele moraal’. Het hof acht op basis hiervan niet aannemelijk geworden dat de verdachte, die naar eigen zeggen het slachtoffer niet kende en niet op jonge meisjes valt, met wederzijdse instemming seks heeft gehad met [slachtoffer] in het weekend en de week vóór de dag van haar verdwijning, vrijdag 6 oktober 1995.
[40]
[41]Eikelenboom, de deskundige van de verdediging, concludeerde dat er “op grond van het biologische sporen- en DNA-onderzoek (…) steun [is] voor de hypothese dat de verdachte en [betrokkene 1] sperma aan de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) hebben bijgedragen.”
[42]Die conclusie is op goede gronden getrokken. Een likelihood ratio van (bijna) 60.000 lijkt weinig in verhouding tot de gigantische likelihood ratio’s die zijn berekend met andere applicaties, maar dat is het in absolute zin allerminst. Als in een (fictief) geval vier getuigen volgens een daarvan opgemaakt proces-verbaal elk afzonderlijk de verdachte bij gelegenheid van een onberispelijk uitgevoerde Osloconfrontatie zouden aanwijzen als degene van wie zij zeggen te hebben waargenomen dat hij in de vroege ochtend van 6 oktober 1995 onverhoeds bij [slachtoffer] achterop de fiets is gesprongen, is de totale bewijswaarde van die vier verklaringen nog géén 1% van die ongeveer 60.000, en dan ben ik volgens rechtspsychologen waarschijnlijk veel te optimistisch. Buiten de wereld van DNA-onderzoek op bronniveau en dactyloscopie is een likelihood ratio van 60.000 (uitzonderlijk) groot. Daarbij is nog wel van belang om op te merken dat de verdachte in dit geval niet is getraceerd door een zoekslag in de nationale DNA-databank. De belangstelling van justitie voor hem werd gewekt door de (mogelijke) gelijkenissen tussen een door hem begaan ander delict en de zaak van [slachtoffer] . Pas daarna vond het vergelijkend DNA-onderzoek plaats waarvan het resultaat het gerezen vermoeden steunde. Die chronologie maakt voor de gerapporteerde likelihood ratio’s van de DNA-sporen weliswaar niets uit,[43] maar wel voor de kans dat de verdachte werkelijk heeft bijgedragen aan de DNA-sporen.
[44]De NFI-deskundige Koopman sloot zich volgens het hof hierbij aan.[45] Het is dus maar zeer de vraag of het verhoor van Perlin ter terechtzitting, waar de verdediging in hoger beroep tevergeefs om heeft verzocht, ook maar iets uitmaakt voor de kernvraag die het hof bevestigend heeft beantwoord.
eerste middelvalt uiteen in twee onderdelen. Ten eerste wordt geklaagd over de afwijzing van het verzoek tot het oproepen van Perlin als deskundige. De tweede klacht luidt dat het hof heeft verzuimd om de deskundigen De Blaeij, Koopman, Eikelenboom, Buckleton en Perlin ambtshalve op te roepen, als gevolg waarvan het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden.
14. Op pagina 22 tot en met 30 bespreekt de rechtbank in haar vonnis de diverse computermodellen die door deskundigen zijn gebruikt voor de statistische analyses van het DNA. De rechtbank overweegt dat deskundige Eikelenboom een deel van zijn onderzoek heeft uitbesteed aan Cybergenetics. Hierbij is het programma TrueAllele gebruikt. De rechtbank heeft er kennelijk waarde aan gehecht dat Eikelenboom niet op alle vragen zelf antwoord heeft kunnen geven, maar verwees naar de maker van dit programma: Mike Perlin[bedoeld zal zijn: Mark Perlin, D.A.].
De raadsman deelt dienaangaande het volgende mede.
[46]als volgt gemotiveerd (p. 15-16):
Door de verdediging is verzocht M.W. Perlin op te roepen ten einde hem te horen als deskundige. Hiertoe is aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de rechtbank het computerprogramma TrueAllele als onbetrouwbaar aanmerkt. In de visie van de verdediging heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met een e-mailbericht van Perlin van 10 november 2015 waarin hij ingaat op enkele kritiek- en vraagpunten die in de bespreking ter zitting in eerste aanleg naar voren zijn gebracht.
[48]
[49]Eikelenboom heeft inzage gegeven in de antwoorden van Perlin op vragen van Eikelenboom over de werking van TrueAllele die opkwamen naar aanleiding van dat debat. De rechtbank zag mede hierin aanleiding voor de aanstelling én het verhoor ter terechtzitting van een derde deskundige, Buckleton. De rechtbank is niet over één nacht ijs gegaan.[50]
Dan/Moldavië:
[62]
de overblijvende pieken zouden kunnen worden toegedicht aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan;
er is een aanwijzing voor een derde persoon, maar niet bekend is wanneer dit celmateriaal is achtergelaten;
er zijn geen aanwijzingen voor meer dan drie personen;
de derde persoon kan een man zijn, maar ook een vrouw.
tweede en derde middelbehelzen motiveringsklachten over de bewezenverklaring en de verwerping van verweren. Het
tweede middelkomt onder meer op tegen (1) de (hierboven in paragraaf 76 geciteerde) motivering van de verwerping van het bewijsverweer over de aanwezigheid van celmateriaal van een onbekende derde (man) in de bemonsteringen, alsmede tegen (2) de verwerping van het verweer dat er geen eenduidig verband is tussen de DNA-sporen en de misdrijven. Het
derde middelklaagt over de bewezenverklaring van de bestanddelen (seksueel) ‘binnendringen’ en ‘dwang’ (tot het ondergaan van seksueel binnendringen) in de onder 1 tenlastegelegde verkrachting. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
[70],[71]
[75]Ik verwijs wederom naar paragraaf 76 hierboven.
[76]Twee mogelijke oorzaken voor die extra kenmerken zijn in ogenschouw genomen. Dat zijn:
[78]Hypothesen over het ontstaan van die sporen, in dit verband vaak scenario’s genoemd, dienen zich aan. Dat begint al bij de tenlastelegging. Die is immers opgesteld met een scenario in gedachten. Eventueel presenteert de verdediging op haar beurt ook een scenario; bijvoorbeeld een scenario waarin (i) de sporen niet van de verdachte afkomstig zijn, dan wel (ii) de sporen niet zijn gerelateerd aan het delict. Vervolgens toetst de rechter die scenario’s. Vragen die opkomen zijn: hoe waarschijnlijk is het scenario op zichzelf? In hoeverre vindt het scenario steun in de sporen? Verwacht je deze sporen aan te treffen als het scenario waar is? En hoe verhoudt dit alles zich tot de andere scenario’s?
[80]Met het derde middel komt hij op tegen de bewezenverklaring van de bestanddelen (seksueel) ‘binnendringen’ en ‘dwang’ (tot het ondergaan van seksueel binnendringen) in de onder 1 tenlastegelegde verkrachting. Daarvoor bestaat geheel geen bewijs, aldus vat ik de toelichting op het middel samen.
vierde middelklaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2017 en het bestreden arrest aan nietigheid lijden, omdat verscheidene processtukken zich niet bij de stukken van het geding bevinden.
(i) de pleitaantekeningen van mr. Knoester en mr. Van der Hut ter gelegenheid van de regiezitting d.d. 17 maart 2017, welke blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep (p.7-8) aldaar zijn voorgedragen;
vijfde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.
Daarover lijkt verschil van inzicht mogelijk. Zo verdedigde mijn ambtgenoot Harteveld dat de beperking weliswaar toelaatbaar is, en tevens bepalend is voor de omvang waarin de zaak bij een geslaagd beroep van de insteller van het cassatieberoep dient te worden teruggewezen, maar ook meende hij dat die begrenzing van de omvang van het cassatieberoep niet aan de benadeelde partij de mogelijkheid ontneemt om een schriftuur in te dienen en die door de Hoge Raad te doen beoordelen.[88] In vergelijkbare zin begrijp ik Van Dorst.[89]