Conclusie
namens de verdachte voorgestelde middelklaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit en bevat twee klachten. Volgens de eerste klacht is de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de genoemde geldbedragen “afkomstig uit enig misdrijf” zijn onvoldoende met redenen omkleed, althans is zij in zoverre onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De tweede klacht luidt dat de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte “wist” dat die geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren onvoldoende met redenen is omkleed, althans dat zij in zoverre onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
- telkens een voorwerp, te weten geldbedrag(en) heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet,
Feit 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair: VerduisteringHet hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat
verdachtezich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering. Verdachte dient daarom van het onder 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair te worden vrijgesproken. Wel is komen vast te staan dat [A] verduistering heeft gepleegd, hetgeen van belang is voor het aan verdachte ten laste gelegde witwassen. De feiten zullen om die reden gezamenlijk worden besproken.
Overweging met betrekking tot het bewijsAlgemeen (met betrekking tot verduistering en (gewoonte)witwassen
2005Op 7 februari 2005 brengt [A] een prospectus uit met betrekking tot de uitgifte van 400.000 obligaties van elk € 100,-- (maximale omvang van de beoogde emissie 40 miljoen) met een looptijd van twintig jaren. Als doel staat in het prospectus omschreven de aankoop/verkoop van vastgoed, ontwikkeling van vastgoed en exploitatie van vastgoed.
De algemene kosten hebben betrekking op de exploitatie van [E] en [F] . Hieronder vallen kosten als: salarissen, managementvergoeding, kosten van ING-bank. de bewaarder, etc... Om deze kosten te betalen wordt er maandelijks 0,2% van het netto belegd vermogen door [A] aan [C] / [E] betaald, (exclusief het belegd hypothecair vermogen)”.
De directie bestaat volgens dit prospectus uit:
Vanaf 25 februari 2005 worden er diverse leningsovereenkomsten opgesteld tussen [A] en [C] waarbij [A] geldbedragen uitleent aan [C] tegen een rente van 12% per jaar. Uit onderzoek van bankrekeningen (volgens de verbalisant is dit onderzoek niet volledig geweest wegens het niet beschikbaar hebben van alle bankrekeningoverzichten) volgt dat in 2005 door [A] in ieder geval een bedrag van € 720.108,-- is overgemaakt aan [C] . Rente over de uitgeleende gelden is niet betaald, maar is in rekening courant geboekt.
2007
Vanaf december 2006 is [betrokkene 9] namens PWC betrokken geweest bij de controle van de jaarrekeningen van [E] , [A] en [F] over de jaren 2006, 2007 en 2008. Bij de rechter-commissaris heeft zij hierover verklaard dat [medeverdachte 1] haar belangrijkste aanspreekpunt was en dat er gevraagd is om de controle van de jaarrekeningen te doen en de beoordeling van het prospectus van 8 december 2006. Zij heeft de accountantsverklaring bij dat prospectus afgegeven. In het kader van de controle van de jaarrekening over 2006 is de intercompany-lening tussen [E] en [C] besproken met het management inclusief [medeverdachte 1] . Dat was toen een belangrijk onderwerp. Daarbij is aan de orde geweest wat [C] met de ontvangen lening heeft gedaan, hoe deze activiteiten linken naar de activiteiten van [A] / [E] , aan welke voorwaarden (groei/omvang) moet worden voldaan om de lening te kunnen terugbetalen en op welke wijze die lening in twee jaren zou worden terugbetaald. In juni 2007 was het – volgens haar en gegeven de initiatieven van [E] en de markt op dat moment in vergelijkbare initiatieven – aannemelijk dat [C] de lening zou kunnen terugbetalen. De intercompany-lening tussen [E] en [C] is ook beoordeeld als onderdeel van de controle van de jaarstukken over 2007 en daarbij is het plan van de directie besproken om tot terugbetaling te komen. Op basis daarvan is de goedkeurende verklaring er gekomen. Voor PWC waren er twee momenten waarop duidelijk werd dat voor 2008 geen goedkeurende verklaring kon worden afgegeven, namelijk: in december 2008/januari 2009 toen werd meegedeeld dat [medeverdachte 1] was vertrokken en de status van de initiatieven met betrekking tot de terugbetaling van de lening aan [C] werd besproken en in juni 2009 tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Bij de controle van de jaarrekeningen van [A] is het prospectus er steeds weer bij gepakt. [betrokkene 9] had geen (gecontroleerde) stukken van het eigen vermogen van [C] en ze heeft niet de feitelijke uitstroom van gelden gezien vanuit [C] .
Haar is verteld dat de gelden van [C] zijn besteed ten behoeve van het opzetten van de organisatie.
Op 25 augustus 2009 vindt er een onderzoek plaats bij [A] door DNB. Als aanleiding wordt onder andere aangegeven dat in de ontvangen jaarrekeningen over 2008 aanwijzingen waren aangetroffen dat [A] voor eigen rekening kredietuitzettingen zou hebben verricht (anders dan het doorlenen aan de dochtervennootschap) en daarmee mogelijk in strijd met de Wft zou hebben gehandeld. Tevens trof DNB enkele niet uit de toelichting te verklaren afboekingen op leningen aan. Volgens DNB heeft medeverdachte [medeverdachte 4] tijdens het onderzoek ter plaatse in augustus 2009 verklaard, dat er geen managementvergoeding meer zou worden betaald.
Op 28 september 2009 wordt de ontheffing ingetrokken. Op 16 oktober 2009 geeft DNB in een e-mail aan [A] aan dat [A] , als gevolg van de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in de huidige vorm te staken en af te wikkelen. In beginsel resulteert de constatering van een overtreding in de verplichting voor [A] om de gelden die zij onder zich houdt aan de inleggers terug te betalen. [A] kan zich immers niet meer beroepen op de ontheffing.
Op 5 november 2009 wordt er een dienstverleningsovereenkomst opgesteld tussen de [D] (hierna [D] ) en [E] . De overeenkomst is voor akkoord getekend door [medeverdachte 4] namens [E] , [A] , [F] en [G] en door [verdachte] namens [D] . In de overeenkomst staat dat aan [D] de opdracht wordt verstrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden.
In de bijlage staat: “
Inclusief managementondersteuning door [verdachte] en [medeverdachte 2] € 43.900 per maand exclusief BTW”. Vervolgens factureert [D] kosten aan [C] en later rechtstreeks aan [A] .
In het jaar 2009 is door de obligatiehouders ingelegd een bedrag van € 1.750.802,--. [3] Volgens onderzoek bankrekeningen (niet volledig) is in 2009 in ieder geval overgemaakt aan [C] (al dan niet via [F] , [G] , [E] ) een bedrag van € 1.488.000,--.
2010Op 19 maart 2010 heeft DNB besloten [betrokkene 5] , kantoorhoudend te Nijmegen, te benoemen tot (stille) curator als bedoeld in artikel 1:76 Wft Pro.
In 2010 stuurt [D] diverse facturen aan [A] . Op 5 augustus 2010 worden vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft [D] in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 € 84.719,-- ontvangen van [C] en € 490.523,-- van [A] . Op 7 december 2010 is [C] failliet verklaard.
Voor wat betreft de € 490.523- die in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 rechtstreeks van [A] aan [D] in verband met kosten is overgemaakt heeft te gelden dat dit heeft plaatsgevonden in dezelfde wetenschap bij [A] en onder dezelfde feitelijke omstandigheden: aanwending van een zeer aanzienlijk van beleggers ontvangen obligatiegelden ter financiering van de verliezen van [C] dan wel rechtstreekse maar gelijksoortige kosten van [D] . Daar komt nog bij dat zich inmiddels de nodige ontwikkelingen hadden voorgedaan, waaruit moet worden afgeleid dat [A] verplicht was de gelden onder zich te houden om aan de inleggers terug te betalen. Het hof neemt hierbij de overweging van de rechtbank over.
“Begin december 2008 bestond de directie van [A] en [C] onder meer uit[medeverdachte 2] , commercieel directeur,
In die wetenschap is [verdachte] namens [D] op 5 november 2009 een contract aangegaan met [A] en gelieerde vennootschappen, waarbij een dienstverleningsovereenkomst is gesloten en aan [D] de opdracht is vertrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden, “inclusief managementondersteuning door [verdachte] en [medeverdachte 2] “tegen een vergoeding van € 43.900,-- per maand exclusief BTW.
Het hof vult aan dat bij de kamer van koophandel [verdachte] staat vermeld als algemeen directeur met volledige volmacht bij [D] over de periode 1 juli 2010 tot en met 19 augustus 2011.
Getuige [getuige 7] heeft onder meer verklaard:
[medeverdachte 2] zit in diverse bedrijven, maar overal onzichtbaar. We hebben het veel over [medeverdachte 2] gehad, maar het gaat in feite over drie mensen: [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] . Het is een drie-eenheid. Ze hebben elkaar nodig.In zijn e-mail van 2 mei 2009 aan [getuige 7] schrijft [medeverdachte 2] onder meer:
zonder zijn toestemming geen rechtshandelingen mag verrichten. Verder schrijft hij in die brief dat [medeverdachte 4] met geen enkel woord heeft gezegd dat de maandelijkse vergoedingen aan [A] voor het verrichten van de administratie zo hoog waren als later is gebleken. In december 2010 schrijft [betrokkene 5] aan DNB dat [medeverdachte 4] bij die eerste bespreking heeft gezegd dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ervan wisten dat hij(hof: [medeverdachte 4] )
het er niet mee eens was met de betalingen aan [D] en daarbij is gezegd dat [D] niet meer zou factureren. Over de werkzaamheden van [verdachte] en [medeverdachte 2] zegt [betrokkene 5] in die brief: “Het is aperte flauwekul dat in de periode nadat ik de opdracht verkreeg door de heren [verdachte] en [medeverdachte 2] nog aan ‘productontwikkeling, verkoopactiviteiten, intermediair bezoek en klantbezoek, communicatievraagstukken en Juridische ondersteuning” zou zijn gedaan.”Op grond van de vorengenoemde dienstverleningsovereenkomst heeft [D] diverse facturen aan [A] gestuurd, waarop betaling heeft plaatsgevonden. Bij de laatste betaling zijn op 5 augustus 2010 vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft [D] in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 van [A] een bedrag van € 490.523,— ontvangen.Tussen 26 maart 2010 en 24 augustus 2011 ontvangt [O] ( [O] ), een aan [verdachte] gelieerde vennootschap, van [D] een totaal bedrag van € 166.300,-- onder de omschrijving “feeperiode 7”. [medeverdachte 2] en zijn toenmalige vriendin [betrokkene 10] ontvangen een totaal bedrag van € 168.500,— onder dezelfde omschrijving fee periode 7”.Uit de vorenstaande gang van zaken leidt het hof af dat [verdachte] , als directeur van de [D] , waarvan hijzelf, verdachte en [medeverdachte 4] via [N] de eigenaren waren, met [A] , waar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zeggenschap hadden, op 5 november 2009 een dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan vergoedingen konden worden uitbetaald.
Feitelijk werd € 52.241,-- per maand door [A] aan de [D] betaald. Uit de maandelijkse facturen die door [D] aan [A] werden gezonden, blijkt dat in het bedrag van 52.241,-- steeds een management fee van € 11.000,- voor [verdachte] en een management fee van € 11.000,-- voor [medeverdachte 2] was begrepen. Op deze wijze werd van november 2009 tot en met augustus 2010 een bedrag van € 490.523,- aan het vermogen van [A] onttrokken. Op het laatst zijn nog gelijktijdig vier facturen van de [D] door middel van een spoedboeking voldaan.
ij
Het hof is derhalve van oordeel dat het gronddelict verduistering door [A] is gepleegd. De hierboven omschreven gang van zaken waarbij gelden stelselmatig op grote schaal werden aangewend voor een ander doel kan aan [A] worden toegerekend en ook het bij (feitelijke) bestuurders van [A] betrokken opzet op verduistering kan aan [A] worden toegerekend.
Het hof stelt vast dat op grond van de door [D] uitgeschreven facturen van [A] een bedrag van € 490.523,- is ontvangen. [A] heeft dit bedrag door middel van verduistering verkregen.
[O] ( [O] ), een aan [verdachte] gelieerde vennootschap, ontving van [D] een totaal bedrag van € 166.300,-- onder de omschrijving “fee periode 7”.
ConclusieHet hof stelt vast dat de facturen door [D] zijn uitgeschreven aan [A] en dat de betalingen die daarop volgden door [D] zijn ontvangen. Door [D] is een totaal bedrag van € 166.300,- aan [O] ( [O] ), een aan [verdachte] gelieerde vennootschap, door geboekt. Het hof leidt hieruit af dat [D] geldbedragen ter beschikking heeft gehad, heeft verworven, overgedragen en omgezet die afkomstig waren van de verduistering gepleegd door [A] . Verdachte was directeur van [D] en had het ook middellijk voor het zeggen als mede-eigenaar van [N] , zijnde enig aandeelhouder van [D] .
Verdachte wist dat [A] deze gelden verduisterd had. Hij is immers eerst als interim aangesteld om bij [A] de buitensporige kosten te reduceren. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat hij het vreemd vond dat alle kosten in de moedermaatschappij ( [C] ) zaten en de gelden binnenkwamen bij de dochter ( [A] ).
Het hof is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezen verklaarde periode, de hoeveelheid witgewassen geldbedragen en de verschillende verrichte witwashandelingen, de verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”
door de intrekking van de ontheffingsprake was van verduistering. [5] Kennelijk gaat de steller van het middel ervan uit dat de wederrechtelijke toe-eigening van de geldbedragen erin bestond dat die geldbedragen in strijd
met DNBgemaakte afspraken werden beheerd. [6]
door de beleggerswerd gegeven. Dat oordeel berust onder meer op de vaststelling dat per einde 2009 nog niet de helft van het tot dan ingelegde vermogen van beleggers in onroerend goed was geïnvesteerd, terwijl een zeer aanzienlijk deel van de inleg, méér dan 8 miljoen euro, door [A] is aangewend ter financiering van het verlieslijdende [C] (verder ook: [C] ). Of en in hoeverre DNB daarvan op de hoogte was en maatregelen heeft getroffen om [A] te corrigeren, doet er niet aan toe of af dat [A] de bedoelde gelden heeft beheerd in strijd met de afspraken die daarover met degenen aan wie deze gelden toebehoorden – de beleggers – waren gemaakt en deze gelden heeft aangewend voor andere doelen dan waarvoor zij zijn overgedragen.
Conclusie’, waarin het hof ter onderbouwing van de vaststelling dat de verdachte wist – waaronder ook is te verstaan het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans – dat [A] de geldbedragen had verduisterd op drie omstandigheden wijst, te weten: (i) dat verdachte eerst als interim is aangesteld om bij [A] de buitensporige kosten te reduceren, (ii) hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij het vreemd vond dat alle kosten in de moedermaatschappij ( [C] ) zaten en de gelden binnenkwamen bij de dochtermaatschappij ( [A] ), en (iii) dat de verdachte heeft verklaard te hebben geweten dat de financiering van [C] en de betalingen aan [D] op dezelfde voet (namelijk uit de inleg van gelden door obligatiehouders) werden voortgezet, waaruit kan worden afgeleid dat hij wist dat obligatiegelden in strijd met hun doelbinding werden aangewend. Tegen elk van deze drie omstandigheden wordt in de toelichting op het middel opgekomen.
namens de benadeelde partij voorgestelde middelklaagt dat de beslissing van het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
deelbeslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij van het cassatieberoep kunnen worden uitgezonderd. Omdat de laatste vraag in de onderhavige zaak niet aan de orde is, laat ik deze verder buiten bespreking en volsta hier met enkel een verwijzing naar de onderdelen 1.10. en 1.11 van de in randnummer 28 aan te halen conclusie van A-G Knigge. Wel van belang is hier de kwestie of de
gehelebeslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij van het cassatieberoep kan worden uitgezonderd en wat daarvan de consequenties zijn voor de beoordeling van een schriftuur van de betrokken benadeelde partij. Daarover het volgende.
Cassatie in strafzakennog een stapje verder door er op te wijzen dat een door de verdachte ingesteld cassatieberoep zich – van rechtswege – niet tegen de ontzegging van de vordering van de benadeelde partij kan richten. [23] Zie ik het goed, dan heeft de Hoge Raad de toelaatbaarheid van de beperking van het cassatieberoep (kort gezegd: uitsluiting beslissing op vordering benadeelde partij) al meermalen dienovereenkomstig – zij het impliciet – aanvaard. In HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3148,
NJ2014/517 constateerde de Hoge Raad dat het beroep blijkens de cassatieakte twee beperkingen bevatte. Ten eerste was het niet gericht tegen de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van twee benadeelde partijen. Daarnaast overwoog de Hoge Raad dat het beroep – ten tweede – niet was gericht tegen “alle deelvrijspraken, gegeven onder 2”. Van deze
laatstebeperking stelde de Hoge Raad de ontoelaatbaarheid vast, daarbij verwijzend naar zijn arrest HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610,
NJ2018/59, m.nt. Mevis. Zijn ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak had vervolgens enkel betrekking op het gedeelte van de uitspraak dat aan zijn oordeel was onderworpen. Kennelijk, zo maak ik daaruit op, was de Hoge Raad aan de
eerstebeperking dus niet voorbijgegaan. In HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1221 was hetzelfde aan de hand. [24] Aan de Hoge Raad bleek toen op grond van de cassatieakte dat het cassatieberoep niet was gericht tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Ditmaal vernietigde de Hoge Raad de bestreden uitspraak, maar alleen “voor zover aan zijn oordeel onderworpen”, dus kennelijk met inachtneming van de in de akte vermelde beperking.