Het hof stelt vast dat het bewijs tegen de verdachte niet in overwegende of belangrijke mate is gebaseerd op verklaringen van [betrokkene 2]. De kern van het bewijs wordt geleverd door:
- De verklaring van [medeverdachte] omtrent zijn eigen aanwezigheid in de woning en de aanwezigheid van de verdachte daar toen er geweld tegen het slachtoffer werd toegepast.
- De verklaring van [medeverdachte] omtrent het telefonisch contact met de verdachte waarin de verdachte aangaf dat hij naar de woning kon komen.
- De zendmastgegevens waaruit blijkt dat de telefoons van zowel de verdachte als [medeverdachte] de zendmast aan de [a-straat] aanstraalden toen zij om 19.42 en 20.17 uur telefonisch contact met elkaar hadden.
- De wijze van aantreffen van het overleden slachtoffer en de medische bevindingen omtrent het toegepaste geweld.
- Het opgenomen gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 2] op 24 januari 2015 om 15.10 uur.
- Het opgenomen telefoongesprek tussen [medeverdachte] en zijn (half)zus [betrokkene 5] op 30 december 2014.
- De verklaring van [getuige 3] over wat zij van [medeverdachte] heeft gehoord en over het telefonisch contact met hem op 10 december 2014 omstreeks 19.52 uur en de daarop betrekking hebbende historische telefoongegevens.
De in de bewijsmiddelen aangehaalde verklaring van [betrokkene 2] is voor dat bewijs ondersteunend. Daarmee staat niets aan het gebruik van die verklaring in de weg.
Ad e.
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 2] juridisch onbetrouwbaar zijn en dus van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat de door [betrokkene 2] verstrekte informatie al via de media verspreid was en daardoor bij [betrokkene 2] bekend kon zijn. Het hof heeft kennis genomen van de uitzending van Opsporing Verzocht aangaande het onderhavige geweldsdelict. Deze uitzending is via internet voor eenieder op te roepen en te bekijken. In deze uitzending wordt geen enkele informatie gegeven over de wijze waarop het slachtoffer is aangetroffen, noch over de aard van de letsels of een veronderstelde toedracht. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de politie zeer terughoudend is met het verstrekken van min of meer gedetailleerde informatie zoals hiervoor aangeduid (daderinformatie) in zaken waar geen dader bekend is of gevonden is. Dat [betrokkene 2] via de media wel over dergelijke informatie beschikte ligt daarmee niet voor de hand. De verdediging heeft niet onderbouwd dat daar wel van moet worden uitgegaan. Het hof passeert daarmee deze stelling van de verdediging.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat [betrokkene 2] beschikte over dossierkennis. De verdediging heeft ter onderbouwing van deze stelling slechts gewezen op een telefoongesprek waarin zij spreekt over wat [betrokkene 3] heeft gezegd over haar ([betrokkene 3]) verhoren. De verklaring van
[betrokkene 2] over wat er in de woning van het slachtoffer gebeurd zou zijn baseert [betrokkene 2] op hetgeen de verdachte haar verteld zou hebben. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd en dat ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de door [betrokkene 2] gedane mededelingen slechts gebaseerd zijn op tevoren bij [betrokkene 2] aanwezige dossierkennis. Het hof passeert ook deze stelling van de verdediging.
De stelling dat de verklaringen van [betrokkene 2] ook niet kunnen kloppen omdat de verdediging heeft aangetoond dat de verdachte op het veronderstelde tijdstip niet in de woning van het slachtoffer kan zijn geweest, moet worden gepasseerd. Het hof heeft hiervoor reeds besproken dat de door de raadsman besproken tijdlijn die conclusie niet rechtvaardigt. Het hof verwijst daarnaar.
Tenslotte stelt de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 2] niet consistent zijn en worden betwist door de verdachte, [betrokkene 1] ([betrokkene 1]) en [betrokkene 4]. Naar het oordeel van het hof maakt deze betwisting echter nog niet dat deze verklaringen onjuist zijn.
Hetgeen [betrokkene 2] heeft verklaard (politieverklaring d.d. 12 februari 2015) over hetgeen de verdachte haar verteld heeft over wat gebeurd is in de woning van het slachtoffer, vindt op diverse onderdelen ook elders steun (bijvoorbeeld het binnenlaten van de Antiliaan, de plas bloed op de grond en het schoonmaken, dat het slachtoffer vanaf de grond in een stoel gezet is, het meenemen van spullen door de Antiliaan). Het hof is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [betrokkene 2] over hetgeen zij van de verdachte gehoord heeft. Dat [betrokkene 2] op (minder belangrijke) onderdelen in haar verklaringen wellicht niet steeds consistent is geweest, maakt dat niet anders. Het hof is van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [betrokkene 2] als onbetrouwbaar van het bewijs uit te sluiten.
Ad f.
Nu het hof de gestelde onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] van de hand heeft gewezen, valt de grond weg waarom in de visie van de verdediging ook de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] buiten beschouwing zouden moeten blijven. Het hof gebruikt de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] overigens alleen voor zover zij verklaren over wat zij van de verdachte zelf gehoord hebben. Dat de genoemde getuigen later wellicht op onderdelen anders hebben verklaard dan door hen eerder is gedaan, maakt die eerdere verklaringen, die veel korter na het gebeuren waarover is verklaard zijn afgelegd, echter nog niet onjuist of ongeloofwaardig. Ook de omstandigheid dat de verdachte de juistheid van die verklaringen betwist, betekent niet dat de verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden gepasseerd. Het hof concludeert dat er geen reden is om de gewraakte verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ter zijde te stellen.
[…].”
33. In de toelichting op het middel wordt ten eerste aangevoerd dat niet valt in te zien op grond waarvan het hof het als een feit van algemene bekendheid hanteert dat de politie zeer terughoudend is met het verstrekken van min of meer gedetailleerde informatie over een zaak. Ten tweede zou de verwerpende motivering van het hof ten aanzien van de door [betrokkene 2] tussentijds opgedane dossierkennis tekortschieten, omdat het hof in respons op dat verweer kennelijk veronderstelt dat “alleen indien de verklaring ‘slechts’ (in de zin van uitsluitend) is gebaseerd op tevoren bij [betrokkene 2] aanwezige dossierkennis, sprake zou kunnen zijn van een kansrijk verweer”. En ten derde wordt in dit verband geklaagd dat het hof bij het tot het bewijs kunnen bezigen van de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] een negatieve maatstaf hanteert, terwijl uitsluitend de maatstaf in positieve zin kan zijn “in hoeverre geloof kan worden gehecht aan de verklaringen en in hoeverre het hof mede op grond daarvan tot wettig en overtuigend bewijs is gekomen”.
34. Het hof heeft in wellicht wat ongelukkig gekozen bewoordingen overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat de politie terughoudend is met het verstrekken van informatie. Wat daarvan zij, in deze overweging ligt het niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat het hof het onaannemelijk acht dat de politie op het bedoelde moment en in die fase van het onderzoek dergelijke specifieke daderinformatie zou hebben prijsgegeven. Met betrekking tot de verklaring van getuige [betrokkene 2] is door het hof overwogen dat “het bewijs tegen de verdachte niet in overwegende of belangrijke mate is gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene 2]”. Daarna heeft het hof het bewijsmateriaal besproken dat naar zijn oordeel de kern vormt van het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde feit. Dat het hof kennelijk veronderstelt dat alleen wanneer de verklaring van [betrokkene 2] uitsluitend zou zijn gebaseerd op een tevoren bij [betrokkene 2] aanwezige dossierkennis sprake zou zijn van een kansrijk verweer, ontgaat mij. Ten aanzien van het veronderstelde gebruik van een ‘negatieve maatstaf’ merk ik op dat door het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] voor het bewijs, reeds daarin besloten ligt het (positieve) oordeel van het hof dat het die desbetreffende onderdelen daarvoor betrouwbaar acht. Uit het feit dat een verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, kan immers al worden afgeleid dat de rechter die verklaring betrouwbaar vindt.Daarbij zij nog opgemerkt dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad bij de beoordeling van dergelijke klachten de beperkte ruimte voor toetsing van de bewijsvoering in cassatie als uitgangspunt heeft te gelden. De feitenrechter is vrij om het beschikbare materiaal tot het bewijs te gebruiken wat hij betrouwbaar acht en het materiaal dat voor het bewijs niet van belang is terzijde te schuiven. Dat personen op (minder belangrijke) onderdelen wellicht niets steeds consistent hebben verklaard, doet daaraan niet af. Het hof heeft bij de vaststelling van de gebeurtenissen op 10 december 2014 (ook) verklaringen betrokken die steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Door het hof is met betrekking tot de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] uitvoerig gemotiveerd waarom het deze verklaringen betrouwbaar acht en waarom deze kunnen dienen tot steunbewijs. Hieruit leid ik af dat het hof zich er kennelijk bewust van is geweest dat de verklaringen van hen op onderdelen (enigszins) uiteenlopen. Hoe dan ook, het betrouwbaarheidsverweer is door het hof op toereikende gronden verworpen.