Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2011:BP4660

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02138
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.4 SvArt. 345 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op laatste woord in hoger beroep zonder nieuwe onderzoekshandelingen

In deze zaak stond het recht van de verdachte op het laatste woord centraal. De verdachte was in hoger beroep verschenen en had op de eerste terechtzitting het laatste woord gehad. De procedure werd geschorst en op een latere datum voortgezet zonder dat er nieuwe onderzoekshandelingen plaatsvonden.

De verdachte stelde dat het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak nietig waren omdat uit het proces-verbaal van de tweede zitting niet bleek dat hem opnieuw het recht op het laatste woord was gelaten. De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 345 Sv Pro en de jurisprudentie, waaronder HR LJN BN0011, het niet noodzakelijk is het laatste woord opnieuw te verlenen als dit al op een eerdere zitting is gedaan en er geen nieuwe onderzoekshandelingen zijn verricht.

De Hoge Raad verwierp het beroep van de verdachte en bevestigde dat het hof het onderzoek op de tweede zitting kon sluiten zonder het recht op het laatste woord opnieuw te verlenen. De overige middelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; het hof mocht het onderzoek sluiten zonder het recht op het laatste woord opnieuw te verlenen.

Uitspraak

12 april 2011
Strafkamer
nr. 10/02138
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 mei 2010, nummer 23/001771-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de daarop gebaseerde uitspraak nietig zijn nu uit het van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep opgemaakte proces-verbaal van 22 april 2010 niet blijkt dat aan de verdachte het recht is gelaten om het laatst te spreken.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2010 en 22 april 2010 houdt het volgende in:
"19 april 2010
(...)
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De voorzitter deelt vervolgens mede dat het onderzoek wordt onderbroken tot de terechtzitting van 22 april 2010 te 09.30 uur.
22 april 2010
De voorzitter hervat het op 19 april 2010 onderbroken onderzoek ter terechtzitting. Het hof is ongewijzigd samengesteld, als griffier fungeert mr. M.N. Maris en het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door de advocaat-generaal mr. R. Smits.
De verdachte en zijn raadsman zijn wederom verschenen.
De ter terechtzitting aanwezige verdachte geeft blijk de Nederlandse taal niet of niet voldoende te beheersen doch wel volledig de Engelse taal. Daarom vindt het onderzoek ter terechtzitting plaats met bijstand van M.A. van der Kleij, wonende te Zeist, zijnde een in het register bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Engelse taal.
Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen, is door de tolk vertolkt.
De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt de verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 6 mei 2010 te 13.30 uur."
2.3. Noch art. 345 Sv Pro noch enige andere rechtsregel verzet zich ertegen dat na afloop van het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek op een nadere terechtzitting gesloten wordt verklaard (vgl. HR 16 november 2010, LJN BN0011, NJ 2010/626). Indien de verdachte het laatste woord reeds heeft gehad en op de nadere terechtzitting geen nieuwe onderzoekshandelingen zijn verricht, behoeft hem het laatste woord niet opnieuw te worden verleend. Gelet op de weergave van het verhandelde op de terechtzittingen van 19 april 2010 en 22 april 2010 heeft de verdachte het laatste woord gehad zodat het Hof met de sluiting van het onderzoek op 22 april 2010 kon volstaan.
2.4. Het middel faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 april 2011.