Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Van de Kolk/Nederland; [1]
schutznormin de weg staat aan een geslaagd beroep op schending van het recht op toegang tot rechtsbijstand indien het gaat om het verhoor van een medeverdachte;
de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand aan elk politieverhoor[zijn]
gewezen op hun recht om geen vragen te beantwoorden. Daarnaast hebben zij tijdig gebruik kunnen maken van hun recht om een advocaat te raadplegen. Het hof wijst erop dat de medeverdachten voorafgaand aan hun eerste verklaring hebben kunnen spreken met hun raadslieden – en dit ook in de meeste gevallen hebben gedaan – en dat zij ook na het afleggen van de belastende verklaringen contact hebben gehad met hun raadslieden”. [2]
voorafgaande aanhet politieverhoor (hierna ook: het consultatierecht), en (2) het recht op bijstand van een raadsman
tijdenshet politieverhoor (hierna ook: het recht op verhoorbijstand). Na de uitspraak van het EHRM in de zaak Salduz [5] in 2008 onderschreef de Hoge Raad alleen het consultatierecht: de (aangehouden) verdachte dient de gelegenheid te krijgen om voorafgaand aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen. Wordt die gelegenheid binnen redelijke grenzen onvoldoende geboden, dan levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Dat verzuim zal in de regel leiden tot bewijsuitsluiting op de grond dat een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. [6] In 2015 vulde de Hoge Raad het recht van de verhoorde verdachte op toegang tot rechtsbijstand aan, wederom naar aanleiding van EHRM-rechtspraak, en aanvaarde voortaan ook het recht op de aanwezigheid van een raadsman tijdens het politieverhoor, tenzij dwingende redenen daaraan in de weg staan. Uiteraard kan de verdachte afstand doen van dat recht. Niet naleving van het recht op verhoorbijstand zal in beginsel eveneens een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv opleveren, zij het dat de Hoge Raad een dergelijk verzuim in de regel minder ernstig acht dan de veronachtzaming van het consultatierecht. Aan dit verzuim hoeft dan ook niet noodzakelijk hetzelfde rechtsgevolg – bewijsuitsluiting – verbonden te worden. De Hoge Raad gunde in zijn uitspraak de strafrechtspraktijk een overgangsperiode. Vanaf 1 maart 2016 diende toepassing te worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens het politieverhoor. [7] Bij het bepalen van de ernst van het verzuim kon de rechter in aanmerking nemen of de verhorende opsporingsambtenaren van deze aanscherping van de regels op de hoogte waren. [8] In een arrest van 6 september 2016 oordeelde de Hoge Raad dat geen terugwerkende kracht toekomt aan het (in het arrest van 22 december 2015 uitgekristalliseerde) recht op verhoorbijstand, zodat daarop eerst voor politieverhoren vanaf 22 december 2015 een beroep kon worden gedaan. Dit alles leidde ertoe dat het ontbreken van de gelegenheid tot verhoorbijstand pas vanaf 22 december 2015 een vormverzuim opleverde en pas vanaf 1 maar 2016 kon leiden tot bewijsuitsluiting. Nadien heeft de Hoge Raad dit oordeel geregeld tot uitdrukking gebracht in zijn rechtspraak. [9]
16. De uitleg van het recht op “legal assistance” als bedoeld in art. 6, derde lid onder c, EVRM in het strafrechtelijk vooronderzoek, is al enige tijd in beweging. Voornamelijk drie uitspraken van de Grote Kamer van het Europese Hof hebben hun uitwerking niet gemist: Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk, Simeonovi/Bulgarije en Beuze/België. Naar mijn inzicht moet worden aangenomen dat de interpretatie van het Europees Verdrag, waarvan nieuwe rechtspraak van het Europese Hof heeft doen blijken, niet alleen voor de toekomst geldt maar tevens een bevestiging is van wat voor die tijd ook al heeft gegolden. Dit brengt mee dat uitspraken waarin het Europese Hof de bakens verzet op betrekkelijk grote schaal consequenties (kunnen) hebben voor lopende strafzaken in het vooronderzoek waarvan de nieuwe rechtspraak eerder nog niet in acht kon worden genomen. Het Europese Hof realiseert zich dat zich ook zulke complicaties ten gevolge van de rechtspraak over de raadsman en het politieverhoor in menig Partijstaat (kunnen) voordoen, zo laat het in sommige uitspraken expliciet weten.
Gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 tot en met 19 genoemde recente rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder het arrest in de zaak Beuze tegen België waarin is beslist dat “the right of access to a lawyer” mede inhoudt “that suspects have the right for their lawyer to be physically present during their initial police interviews and whenever they are questioned in the subsequent pre-trial proceedings” (EHRM 9 november 2018, nr. 71409, § 134), kan ook met betrekking tot verhoren van een verdachte die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan 22 december 2015 de vraag aan de orde komen of de omstandigheid dat een verdachte in een concreet geval geen verhoorbijstand heeft gekregen, meebrengt dat de veroordeling van de verdachte niet berust op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. Indien in dat geval geen sprake was van dwingende redenen als bedoeld in 3.2.1, zal die vraag moeten worden beantwoord met inachtneming van onder meer de factoren genoemd in de rechtspraak van het EHRM, waaronder in het bijzonder de arresten van 13 september 2016, nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk). Indien langs die weg wordt vastgesteld dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro niet is geschonden, doet zich dus evenmin een geval voor als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, rov. 2.4.4, waarin “bewijsuitsluiting (...) noodzakelijk [kan] zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven”.”
in beginseleen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv op. Dat
kanleiden tot bewijsuitsluiting wegens de schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Het beslissingsschema dat gevolgd moet worden om te beoordelen of artikel 6 EVRM Pro is geschonden, bevat twee stappen: in de eerste plaats rijst de vraag of er een goede reden was voor de afwezigheid van een raadsman bij het verhoor; indien er geen goede reden was moet worden getoetst aan factoren die onder meer voortvloeien uit
Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk. [13]
in weerwil van de rechtsregel dat het veroordelend arrest leidend is, wel een oordeel te vormen over de vaststellingen van het hof in de hoofdzaak”, aldus de stellers van het middel (onder punt 23 van de schriftuur).
de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat evenwel onverlet dat aan de rechter oordelend op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.”
Zoals ik al zei ik krijg weleens een fooitje. Het was een briefje van 5 euro denk ik.” Die – in essentie ontkennende – verklaring vervult in de bewijsvoering in de hoofdzaak echter klaarblijkelijk geen rol van betekenis.
beperktdeelde in de opbrengsten (á raison van 50 euro per week, in plaats van 210 euro per week). Bovendien heeft het hof in de ontnemingszaak ten gunste van de betrokkene rekening gehouden met periodes van ziekte, waarin de betrokkene dus niet als marktmeester werkzaam was.
De volgende verklaringen van de marktmeesters die zijn afgelegd bij de politie over de hoogte van de opbrengsten zullen gebruikt worden. Dit betreft de volgende verklaringen:
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank bij de schatting van de weekopbrengst en het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de bij de politie afgelegde verklaringen van de voormalige marktmeesters [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Deze verklaringen dienen wegens schending van artikel 6 van Pro het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van het bewijs te worden uitgesloten, nu de marktmeesters zijn gehoord zonder dat zij voorafgaand aan het verhoor consultatiebijstand hebben ontvangen. Bovendien verkeerden zij onder grote stress en hebben zij verklaringen afgelegd om zo snel mogelijk weer naar huis te kunnen.
consultatierecht(van de medeverdachten). Het hof heeft dat verweer op feitelijke gronden verworpen. In de hoofdzaak had het hof immers vastgesteld dat de medeverdachten tijdig gebruik hebben kunnen maken van hun recht om een advocaat te raadplegen en dat de medeverdachten voorafgaand aan hun eerste verklaring ook hebben kunnen spreken met hun raadslieden. Indien de uitoefening van het recht op toegang tot rechtsbijstand was gemankeerd, betrof dat dus niet het consultatierecht maar de verhoorbijstand. Daarover was in feitelijke aanleg echter geen verweer gevoerd. De vraag rijst dus of over ‘s hofs oordeel op dat punt (dan wel: de afwezigheid van een oordeel) in cassatie een klacht kan worden opgeworpen. Het middel vereist dat de cassatierechter als feitenrechter optreedt.
Borg /Malta. [19] In die zaak leidde een schending van het recht op rechtsbijstand ten aanzien van de verdachte zelf tot een schending van artikel 6 EVRM Pro. De tweede klacht die Borg aan het Europese Hof had voorgelegd zag op het effect van de in zijn zaak afgelegde verklaringen van twee medeverdachten bij wie het eveneens aan rechtsbijstand had ontbroken.
victim status’ waarnaar het EHRM (in paragraaf 71 van
Borg/Malta) verwijst, is onderdeel van de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor het indienen van een klacht bij het EHRM. [21] Worden meer klachten aan het EHRM voorgelegd, dan zullen die elk afzonderlijk op hun ontvankelijkheid moeten worden beoordeeld. Voor ontvankelijkheid moet degene die een klacht indient volgens artikel 34 EVRM Pro aanvoeren zelf
slachtofferte zijn van een beweerde schending van het EVRM. Ik citeer het EHRM:
According to the Court’s established case-law, the concept of “victim” must be interpreted autonomously and irrespective of domestic concepts such as those concerning an interest or capacity to act (see Gorraiz Lizarraga and Others v. Spain, no. 62543/00, § 35, ECHR 2004-III). The word “victim”, in the context of Article 34 of the Convention, denotes the person or persons directly or indirectly affected by the alleged violation (see SARL du Parc d’Activités de Blotzheim v. France, no. 72377/01, § 20, 11 July 2006). Hence, Article 34 concerns not just the direct victim or victims of the alleged violation, but also any indirect victims to whom the violation would cause harm or who would have a valid and personal interest in seeing it brought to an end (see, mutatis mutandis, Defalque v. Belgium, no. 37330/02, § 46, 20 April 2006, and Tourkiki Enosi Xanthis and Others v. Greece, no. 26698/05, § 38, 27 March 2008).” [22]
the merits’) van de zaak. Onjuist is dan ook de opvatting van de stellers van het middel dat de toekenning van de
victim statusreeds ook een inhoudelijk oordeel bevat, te weten dat het gebruik van verklaringen van medeverdachten die in strijd met het recht op rechtsbijstand zijn afgelegd van invloed is op de
fairnessvan het proces tegen de verdachte zelf. Hooguit kan uit dit ontvankelijkheidsoordeel worden afgeleid dat het gebruik van dergelijke verklaringen tot het bewijs tegen de verdachte van invloed
kanzijn op de eerlijkheid van het proces tegen de verdachte. Ik zal uiteenzetten waarom de rechtspraak van de Hoge Raad met dat oordeel van het EHRM verenigbaar is.
schutznormdaaraan in de weg. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 juni 2011, E:BP2740, [23] evenwel een waarborg ingebouwd om te voorkomen dat de verdachte wordt geraakt in zijn recht op een eerlijk proces wanneer een in strijd met artikel 6 EVRM Pro afgelegde verklaring van een medeverdachte in zijn zaak wordt gebruikt:
indien door vormverzuimen bij de totstandkoming van de verklaring van een medeverdachte de betrouwbaarheid van die verklaring wezenlijk is beïnvloed,[zal]
de rechter om die reden een dergelijke verklaring buiten beschouwing laten”. [24]
wezenlijkheeft beïnvloed.