ECLI:NL:HR:2002:AD8741
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin aan de betrokkene een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was opgelegd van ƒ9.743,--, subsidiair 90 dagen hechtenis.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de zaak pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd behandeld. Dit leidt tot vermindering van het opgelegde bedrag.
Daarnaast worden de overige middelen van cassatie verworpen omdat in de ontnemingsprocedure gebondenheid geldt aan het oordeel van de strafrechter in de hoofdzaak, waardoor de strafbaarheid en bewezenverklaring niet meer ter toetsing staan.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag en vermindert dit tot €3.979. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot €3.979 wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en verwerpt het beroep voor het overige.