Conclusie
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad [1] en op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden geoordeeld ten gunste van de koper. M.i. kan het bestreden arrest in stand blijven.
1.Feiten
Devante) is een dochtermaatschappij van Yildirim Holding A.S. (hierna:
Yildirim), een onderneming die zich bezig houdt met de internationale handel in onder meer ferrochroom. Hascor B.V. (hierna:
Hascor) vormt onderdeel van de Hascor International Group, ook actief in de internationale handel in metalen. Partijen doen al jaren zaken met elkaar. De gebruikelijke gang van zaken is dat Hascor bij Yildirim de gewenste order plaatst, waarop Yildirim vervolgens een dochtervennootschap aanwijst die deze overeenkomst zal uitvoeren en die het metaal zal leveren.
igroup.com” (onderstreepte i wijkt af) e-mails door de partijen ontvangen. Daarover en over de door Devante nog niet ontvangen betaling is vervolgens gecorrespondeerd.
2.Procesverloop
Devante), hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis.
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad vooropgesteld (rov. 3.6) en vervolgens toegepast op de onderhavige zaak (rov. 3.7), na onder meer te hebben vastgesteld dat in deze zaak het commune Nederlandse recht van toepassing is (rov. 3.4-3.5). Hetgeen het hof overweegt in rov. 3.6-3.7 luidt als volgt:
Please neglect previous shipping documents due to mistakes. We will correct immediately and resend to you”, als de vervolgens op dezelfde datum verzonden e-mail van 10:51 uur met als bijlage dezelfde shipping documents en de gewijzigde factuur met de andere bankrekening, zijn verzonden van hetzelfde (juiste) e-mailadres: “
[e-mailadres] @yildirimgroup.com”. Het onderwerp van de e-mails was ook steeds hetzelfde, te weten: “
C9 HC FeCr to Hascor - REF1935”. In de e-mail van 28 oktober 2015 van 10:29 uur stond vermeld dat slechts de shipping documents waren gewijzigd. Voor Hascor bestond geen reden naar aanleiding hiervan de factuur te controleren. De vermelding in de e-mail van 28 oktober 2013 van 10:51 uur dat bij deze e-mail de juiste shipping documents waren bijgesloten, noopte Hascor naar het oordeel van het hof evenmin tot nader onderzoek. Bij het voorgaande is nog van belang dat, naar Hascor niet (voldoende) weersproken heeft aangevoerd, Hascor de door haar van Yildirim gekochte metalen steeds afnam van een andere, door Yildirim als verkoper aangewezen, dochtervennootschap. Het was de eerste keer dat Devante door Yildirim werd aangewezen als verkopende partij. Devante heeft de wijze van factureren voorgeschreven, waarbij haar betalingsverzoeken per e-mail aan Hascor werden verzonden. Door Yildirim werd voorts geen vast rekeningnummer gehanteerd. De aangewezen bank en het rekeningnummer verschilden per bestelling. Het was tevens niet ongebruikelijk dat de shipping documents tussentijds werden aangepast, bijvoorbeeld omdat de leveringscondities of de omvang van de bestelling wijzigden. In die zin vormde de wijziging van de shipping documents voor Hascor geen aanleiding voor onraad. Verder verschilde de opmaak van de facturen van Yildirim, althans haar dochtervennootschappen, per bestelling aangezien iedere dochtervennootschap haar eigen huisstijl had. Dat de valse factuur op veel onderdelen afwijkt van de standaardfacturering van Yildirim en haar dochtermaatschappijen, naar Devante heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Bij het voorgaande komt dat Devante, ondanks de (korte) betalingstermijn van vijf werkdagen na het verzenden van de digitale documenten op woensdag 28 oktober 2015 en het verstrijken van die termijn op 5 november 2015, Hascor eerst na enkele weken heeft gerappelleerd, op welk moment het terugdraaien van de betaling van Hascor (op 2 november 2015) niet meer mogelijk was en dat Hascor de originele documenten, waaronder de (juiste) schriftelijke factuur, ook eerst op 5 november 2015 per post van Devante heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.”
3.Het principale cassatiemiddel
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad en het oordeel van het hof in (het slot van) rov. 3.7 dat sprake is van bijzondere omstandigheden die van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijs mocht houden.
Kamerman/Aro Lease-arrest, maar heeft deze maatstaf in rov. 3.7 ten onrechte niet (daadwerkelijk) toegepast, althans verkeerd toegepast, door geen of voldoende onderscheid te maken tussen de vraag of Hascor de e-mail met factuur redelijkerwijze voor echt mocht houden en de daarvan te onderscheiden vraag of dit aan Devante valt toe te rekenen, en/of door een te lage drempel voor toerekening aan Devante te hanteren. In ieder geval heeft het hof met de hiervoor bedoelde oordelen in rov. 3.7 en de omstandigheden waarop die oordelen zijn gebaseerd, miskend dat de onder (i), (ii) en (iii) aangehaalde omstandigheden [8] noch afzonderlijk noch in samenhang van dien aard zijn dat zij tot de slotsom (kunnen) nopen dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Het hof heeft dus miskend dat die omstandigheden onvoldoende zijn voor toerekening aan Devante en aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Kamerman/Aro Lease-arrest niet naar behoren gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat de onder (i), (ii) en (iii) aangehaalde omstandigheden [9] de hiervoor bedoelde oordelen in rov. 3.7 kunnen dragen en/of omdat die oordelen om andere (in de subonderdelen hierna uiteengezette) redenen zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn.
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad [10] weergeeft, en waarvan het origineel als volgt luidt:
Kamerman/Aro Lease-arrest door de Hoge Raad geformuleerd voor het geval waarin iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen, iets voor die ander verklaart. De maatstaf bestaat uit een uitgangspunt (geen gebondenheid van die ander) en een uitzondering daarop (wel gebondenheid van die ander). Wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen, iets voor die ander verklaart, kan die ander zich in het algemeen erop beroepen dat de handtekening en verklaring niet van hem afkomstig zijn, ook als degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de handtekening echt was. Dit kan ingevolge het beginsel dat opgewekt vertrouwen bescherming verdient, [11] welk beginsel ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, in samenhang met art. 6:147 BW Pro, onder bijzondere omstandigheden evenwel anders zijn, namelijk indien de omstandigheden van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. [12]
Kamerman/Aro Lease-arrest verwijst de Hoge Raad bij de formulering van de uitzondering op het uitgangspunt dus naar “het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, in samenhang met art. 6:147”. Ik maak daarover, in aanvulling op 3.6 hiervoor, nog enkele opmerkingen.
. [27] Niet vereist is dat de achterman van het wekken van de schijn een verwijt kan worden gemaakt. [28] De vraag wie het risico van vertegenwoordigend handelen zonder een toereikende volmacht behoort te dragen, moet uiteindelijk worden beantwoord aan de hand van een afweging van de beschermenswaardigheid van de betrokkenen. Daarbij gaat het om een afweging van de autonomie van de vertegenwoordigde enerzijds en het vertrouwen van de wederpartij anderzijds; het verkeersbelang bepaalt naar welke kant de balans doorslaat. [29]
Kamerman/Aro Lease-maatstaf vereist, evenals andere maatstaven waarbij vertrouwensbescherming een rol speelt, zoals de art. 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, een waardering en weging van de voorliggende feiten en omstandigheden van het geval. Dit, alsook de vaststelling van de bij toepassing van de maatstaf in aanmerking komende feiten en omstandigheden, is in beginsel voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De Hoge Raad kan toetsen of het oordeel van de feitenrechter voldoende begrijpelijk (gemotiveerd) is en of hij de toepasselijke maatstaf in het voorliggende geval (niet on)juist heeft toegepast. [38]
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad voorop, aldus, en kort gezegd, dat de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf gegeven in rov. 3.3 van dit arrest (welke rov. 3.3 van dit arrest het hof weergeeft in die rov. 3.6). In de eerste zin van rov. 3.7 begint het hof met vast te stellen dat naar zijn oordeel in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden in de in rov. 3.6 (“hiervoor”) bedoelde zin, wat aansluit op de slotzin van rov. 3.7:
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad, zonder de beoordeling nadrukkelijk op te knippen in en te structureren langs deelvragen. [39] Dat de beoordeling door het hof in rov. 3.7 daardoor wellicht enige interpretatie behoeft, laat onverlet dat het hof dit op zichzelf zo heeft kunnen doen en dat de onderbouwing door het hof van dat oordeel zich daaruit m.i. ook laat kennen, waartoe ik wijs op het volgende.
[e-mailadres] @yildirimgroup.com” (vierde zin);
C9 HC FeCr to Hascor - REF 1935” (vijfde zin);
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad niet (daadwerkelijk) heeft toegepast, althans verkeerd heeft toegepast, door geen of onvoldoende onderscheid te maken tussen de vraag of Hascor de e-mail met factuur redelijkerwijze voor echt mocht houden en de daarvan te onderscheiden vraag of dit aan Devante valt toe te rekenen, en/of door een te lage drempel voor toerekening aan Devante te hanteren. In rov. 3.7 onderkent het hof dat onderscheid wel degelijk, waaraan niet afdoet dat het hof de beoordeling niet nadrukkelijk opknipt in en structureert langs die deelvragen, [54] hetgeen het hof ook vrijstond. Bezien tegen die achtergrond, miskent het hof in rov. 3.7 ook niet de generieke ‘drempel’ die inherent is aan de
Kamerman/Aro Lease-maatstaf aan de hand waarvan het hof de onderhavige zaak beoordeelt zoals uiteengezet in rov. 3.6, anders dan de kernklacht betoogt. Op basis van alle vaststaande feiten en omstandigheden, die het hof in rov. 3.7 aanmerking neemt voor doeleinden van de daarin te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak, heeft het hof in rov. 3.7, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, het oordeel kunnen bereiken dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Dat het hof daaraan te lichte eisen zou hebben gesteld, zie ik al met al niet, mede gelet op alle op Devante te betrekken feiten en omstandigheden en het (relatieve) gewicht dat daaraan toe te kennen valt. Daarbij verdient onder meer opmerking (dat het hof niet heeft miskend) dat bij de toepassing van deze maatstaf in een geval als het onderhavige ook het contextuele ‘risico-beginsel’ een rol kan spelen, [55] dat de in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden niet beperkt zijn tot alleen die gelegen in tijd op of vóór het moment van betaling door Hascor op 2 november 2015, en dat de beoordeling draait om alle voorliggende (‘anterieure’ en ‘posterieure’) feiten en omstandigheden in totaliteit bezien, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Evenmin kan dan worden gezegd dat de toepassing door het hof van de
Kamerman/Aro Lease-maatstaf niet naar behoren zou zijn gemotiveerd, anders dan de kernklacht nog betoogt. Hetgeen het hof in rov. 3.7 overweegt, is afdoende navolgbaar en kan dat oordeel, gelet ook op het partijdebat en het eindvonnis, zonder nadere motivering dragen. Bij het voorgaande moet nog worden bedacht dat voor zover de kernklacht uitgaat van een andere lezing van rov. 3.7, deze feitelijke grondslag mist. Verder verdient daarbij nog opmerking dat waar Devante tot vertrekpunt neemt dat het hof in rov. 3.6 terecht overweegt dat de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van de
Kamerman/Aro Lease-maatstaf, het ook zo is dat in deze zaak nu eenmaal een duidelijk andere casus voorligt dan de casus die voorlag in het
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad en dat die maatstaf moet worden bezien naar de stand van het recht per de datum van het bestreden arrest (niet per de datum van dat arrest van de Hoge Raad uit 1992), wat in dit geval (de toepassing van) die maatstaf dan ook kleurt, hetgeen inherent is aan dit vertrekpunt en overigens onverlet laat dat de beoordeling door het hof in rov. 3.7 goed te plaatsen valt binnen het raamwerk van die maatstaf zoals door het hof vooropgesteld in rov. 3.6. Zie onder 3.5-3.9 hiervoor.
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor dat heeft aangenomen en redelijkerwijze heeft mogen aannemen. Voor dat laatste oordeel moeten immers omstandigheden worden vastgesteld die Devante betreffen en die naar hun aard voldoende zwaarwegend zijn om toerekening aan Devante te kunnen rechtvaardigen. De “omstandigheden onder (i)” betreffen überhaupt Devante niet. Het hof heeft ook slechts vastgesteld dat
voor Hascorgeen reden bestond de factuur te controleren en dat de vermelding in de e-mail
Hascornaar het oordeel van het hof evenmin in tot nader onderzoek noopte. Heeft het hof dat niet miskend, dan heeft het zijn oordeel, voor zover gegrond op “de omstandigheden onder (i)”, in zoverre ontoereikend gemotiveerd; zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, valt immers niet in te zien dat, kort gezegd, het nabootsen van het e-mailadres en het overnemen van de onderwerpregel van de frauduleuze e-mails (waardoor Hascor deze voor echt heeft gehouden), aan Devante kunnen worden toegerekend.
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden enkel baseert op die “omstandigheden onder (i)”, gaat het uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7 en mist het daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden niet mede heeft mogen baseren op (delen van) rov. 3.7, tweede t/m achtste zin in verbinding met andere overwegingen in rov. 3.7 zoals het doet, geldt dat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het gaat daar immers om vaststaande feiten en omstandigheden die het hof heeft betrokken en zonder schending van enige rechtsregel heeft kunnen betrekken op Devante, en (dus) ter zake in aanmerking te nemen zijn voor doeleinden van de in rov. 3.7 te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak - ook als het, kort gezegd, niet neerkomt op eigen doen of laten (handelen) van Devante, maar op feiten en omstandigheden die hier in haar risicosfeer liggen. Voor zover het subonderdeel voorbijziet aan wat het hof daar aldus doet, gaat het uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7 en mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat alleen dergelijk handelen van Devante kan bijdragen aan het oordeel
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden, geldt, zoals volgt uit het voorgaande, dat ook die opvatting geen steun vindt in het recht. Daarbij moet nog worden bedacht dat als voorbij de door het subonderdeel aangebrachte (kunstmatige) afbakening in “omstandigheden onder (i)” wordt gekeken, onder meer blijkt dat Devante, in dit geval de verkoper en daarmee de contractuele wederpartij van Hascor (zie o.a. rov. 3.7, tiende zin), hier de wijze van facturering heeft voorgeschreven, waarbij haar betalingsverzoeken per e-mail aan Hascor werden verzonden (rov. 3.7, elfde zin), en dat dit op 28 oktober 2015 inhield dat deze digitale communicatie met Hascor liep via Yildirim, waarbij zij het e-mailadres “ [e-mailadres] @yildirimgroup.com” gebruikte in de e-mail aan Hascor om 10:11 uur, hetgeen laat zien dat die “omstandigheden onder (i)” ook begrepen moeten worden in het licht van handelen van Devante. In lijn hiermee strandt ook de motiveringsklacht, waarbij ik er nog op wijs dat uit rov. 3.7 in totaliteit bezien dus wel degelijk en afdoende navolgbaar blijkt dat volgens het hof, kort gezegd, die valse e-mails te betrekken zijn op Devante, en (dus) ter zake in aanmerking te nemen zijn voor doeleinden van de in rov. 3.7 te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak. Bij dit alles zij herhaald dat het hof, op basis van álle vaststaande feiten en omstandigheden die het hof in rov. 3.7 in aanmerking neemt voor doeleinden van die beoordeling, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en zonder nadere motivering het oordeel heeft kunnen bereiken dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.
verzondenvanuit het e-mailsysteem van Yildirim, dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Devante heeft de stelling van Hascor dat Devantes e-mailsysteem zou zijn gehackt c.q. dat daartoe onrechtmatig toegang zou zijn verkregen, immers gemotiveerd weersproken, mede onder verwijzing naar het door Hascors eigen deskundige Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. uitgebrachte onderzoeksrapport. [57] Devante heeft expliciet betwist dat de e-mail met de valse factuur vanaf een correct e-mailadres van Yildirim zou zijn verstuurd. Devante heeft aangevoerd dat de e-mail met de valse factuur is vervalst en niet van Yildirim afkomstig is, en heeft in dat verband verwezen naar genoemd onderzoeksrapport. [58] Devante heeft aangevoerd dat wat in een normaal e-mailprogramma bij het openen van een e-mail in de “From“-header staat, niet gelijk hoeft te zijn aan het daadwerkelijke e-mailadres van de afzender. [59] Als het hof tóch heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de valse e-mails daadwerkelijk afkomstig waren vanuit het e-mailsysteem van Yildirim, heeft het dit oordeel, gelet op deze essentiële stellingen van Devante, waarover het hof niets heeft overwogen, dus onvoldoende gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor de vaststellingen van het hof in rov. 3.1 dat vanaf het e-mailadres “
[e-mailadres] @yildirimgroup.com” de drie e-mails van 28 oktober 2015 zijn gestuurd.
Please neglect previous shipping documents due to mistakes. We will correct immediately and resend to you" (vierde zin); en dat vervolgens vanaf hetzelfde e-mailadres een derde e-mail is gestuurd (om 10.51 uur) met als bijlage dezelfde shipping documents en een gewijzigde factuur met vermelding van een andere bankrekening, te weten die van de Union Bank in Palo Alto, California (USA) (vijfde zin).
Please neglect previous shipping documents due to mistakes. We will correct immediately and resend to you”, als de vervolgens op dezelfde datum verzonden e-mail van 10:51 uur met als bijlage dezelfde shipping documents en de gewijzigde factuur met de andere bankrekening, is verzonden van hetzelfde (juiste) e-mailadres: “
[e-mailadres] @yildirimgroup.com”(vierde zin).
voor Hascorgeen aanleiding voor onraad vormden en kunnen bijdragen tot het oordeel dat Hascor heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de e-mail met factuur echt was, maar niet kunnen bijdragen tot het oordeel
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor dat heeft aangenomen en redelijkerwijze heeft mogen aannemen. Uit het voorbeeld dat de Hoge Raad in het
Kamerman/Aro Lease-arrest heeft gegeven, volgt dat voor toerekening vereist is dat er een (voldoende ernstig) verwijt kan worden gemaakt aan de partij wier handtekening is vervalst van (onzorgvuldig) handelen of nalaten dat rechtstreeks relevant is geweest voor het opwekken van de schijn van echtheid in het concrete geval. De “omstandigheden onder (ii)” zijn echter niet in die zin als verwijtbaar aan te merken en zijn ook niet anderszins van dien aard dat zij tot toerekening aan Devante kunnen leiden. Het hof heeft dat miskend, althans heeft onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom zij daar wel toe zouden kunnen leiden.
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden enkel baseert op die “omstandigheden onder (ii)”, gaat het uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7 en mist het daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel
dat aan Devante valt toe te rekenendat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden niet mede heeft mogen baseren op rov. 3.7, negende t/m zeventiende zin in verbinding met andere overwegingen in rov. 3.7, zoals het doet, geldt dat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het gaat ook daar immers om vaststaande feiten en omstandigheden die het hof heeft betrokken en zonder schending van enige rechtsregel heeft kunnen betrekken op Devante, en (dus) ter zake in aanmerking te nemen zijn voor doeleinden van de in rov. 3.7 te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak - ook als het, kort gezegd, niet neerkomt op eigen doen of laten (handelen) van Devante, maar op feiten en omstandigheden die hier in haar risicosfeer liggen. Voor zover het subonderdeel voorbijziet aan wat het hof daar aldus doet, gaat het uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7 en mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel de opvatting verdedigt dat “[u]it het voorbeeld dat de Hoge Raad in
Kamerman/Aro Leaseheeft gegeven, volgt dat voor toerekening vereist is dat er een (voldoende ernstig) verwijt kan worden gemaakt aan de partij wier handtekening is vervalst van (onzorgvuldig) handelen of nalaten dat rechtstreeks relevant is geweest voor het opwekken van de schijn van echtheid in het concrete geval”, geldt dat dit geen steun vindt in het recht nu een dergelijke categorische eis niet besloten ligt in dit arrest. [62] Daarbij zij nog opgemerkt dat uit rov. 3.7 van het hof op hier relevante wijze dus een aan Devante te wijten gebrek aan zorg spreekt, waaraan het subonderdeel evenwel voorbijgaat met de daarin aangebrachte (kunstmatige) afbakening in “omstandigheden onder (ii)”. In lijn hiermee strandt ook de motiveringsklacht, waarbij ik er nog op wijs dat uit rov. 3.7 in totaliteit bezien afdoende navolgbaar blijkt dat volgens het hof, kort gezegd, die “omstandigheden onder (ii)” te betrekken zijn op Devante, en (dus) ter zake in aanmerking te nemen zijn voor doeleinden van de in rov. 3.7 te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak. Bij dit alles zij herhaald dat het hof, op basis van álle vaststaande feiten en omstandigheden die het hof in rov. 3.7 in aanmerking neemt voor doeleinden van die beoordeling, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en zonder nadere motivering het oordeel heeft kunnen bereiken dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad kan rechtvaardigen. Althans heeft het hof miskend dat die overige “omstandigheden onder (ii)” niet Devante betreffen, maar Yildirim. Voor zover het hof heeft gemeend dat die omstandigheden niettemin aan Devante kunnen worden toegerekend, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof dan heeft miskend dat een gedraging van een moedervennootschap (Yildirim) niet zonder meer aan een dochtervennootschap c.q. aan een andere rechtspersoon (Devante) kan worden toegerekend, althans heeft het hof dan onvoldoende gemotiveerd waarom dat onder de omstandigheden van dit geval wel zou kunnen.
Kamerman/Aro Lease-arrest van de Hoge Raad kan rechtvaardigen, gaat het uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7 en mist het daarmee feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het volgens het hof in rov. 3.7 bij die overige “omstandigheden onder (ii)” gaat om eigen gedragingen van Devante, althans dat het volgens het hof daarbij gaat om gedragingen van Yildirim die te gelden hebben als gedragingen van Devante door ‘toerekening’ daarvan. Voor doeleinden van de door het hof in rov. 3.7 te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak, geldt dat ook deze vastgestelde feiten en omstandigheden op Devante te betrekken zijn, omdat zij, zoals ook blijkt uit rov. 3.7, voor haar risico komen. Het subonderdeel gaat ook hier dus uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7, en mist daarmee feitelijke grondslag. Daarop loopt ook de gerelateerde motiveringsklacht vast. Overigens heeft het hof dat zo kunnen oordelen, zonder schending van enige rechtsregel of een nadere motivering.
Beneficiary Nameen
Beneficiary Addressbevatte, die nooit worden vermeld op de facturen van de dochtermaatschappijen van Yildirim aan Hascor; [69] dat de valse factuur categorie-aanduidingen bevatte (BANK NAME, BANK ADDRESS, etc.) die nooit voorkomen op de facturen van de dochtermaatschappijen van Yildirim aan Hascor; [70] en dat de valse factuur een bankadres bevatte, wat nooit voorkomt op de facturen van de dochtermaatschappijen van Yildirim aan Hascor. [71] Als de opmaak van de valse factuur én afwijkt van de standaardfacturering van Yildirim én afwijkt van Yildirims dochtermaatschappijen, dan kan dit wel degelijk afdoen aan de oordelen van het hof in “het voorgaande”, zoals aan de oordelen (kort gezegd) dat er voor Hascor geen reden bestond de e-mail met factuur te controleren, dat die e-mail met factuur Hascor niet noopte tot nader onderzoek en/of dat die e-mail met factuur geen aanleiding vormde voor onraad. Het hof heeft dat miskend, althans is zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, onbegrijpelijk waarom in dit geval “genoemde omstandigheid” aan die oordelen niet afdoet.
bij het doen van de betaling, laat staan op de toerekenbaarheid daarvan aan Devante. Die omstandigheden zijn hooguit relevant voor de vraag of de schade enige tijd
nadatde betaling was gedaan nog kon worden voorkomen of beperkt. Het hof heeft miskend dat “de omstandigheden onder (iii)” dan ook niet kunnen bijdragen tot het oordeel dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden, althans is onbegrijpelijk waarom het hof dat oordeel wel op die “omstandigheden onder (iii)” heeft gegrond.
nadatde betaling was gedaan nog kon worden voorkomen of beperkt.” In lijn hiermee strandt ook de motiveringsklacht, nu ’s hofs oordeel in rov. 3.7 ook wat betreft die “omstandigheden onder (iii)” dus afdoende navolgbaar is. Bij dit alles zij herhaald dat het hof, op basis van álle vaststaande feiten en omstandigheden die het hof in rov. 3.7 in aanmerking neemt voor doeleinden van de daarin te verrichten beoordeling aan de hand van de in rov. 3.6 uiteengezette maatstaf voor de onderhavige zaak, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en zonder nadere motivering het oordeel heeft kunnen bereiken dat aan Devante valt toe te rekenen dat Hascor de e-mail met factuur voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.