Uitspraak
19 november 1993.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA) en twee banken, Banque Generale du Luxembourg (BGL) en Internationale Nederlanden Bank (NMB). COVA vordert betaling en schadevergoeding wegens een frauduleuze overboeking via een gecodeerde telexopdracht die door een onbevoegde werknemer werd gegeven. De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af, waarbij het hof Zwitsers recht toepasselijk achtte op grond van de lex loci delicti, omdat de onrechtmatige daad in Zürich plaatsvond.
COVA stelde dat Nederlands recht van toepassing moest zijn vanwege de nauwe verbondenheid met Nederland, maar de Hoge Raad verwierp dit en bevestigde de toepasselijkheid van Zwitsers recht. Verder oordeelde de Hoge Raad dat de stelling van COVA dat de bank in beginsel aansprakelijk is voor fraude met een gecodeerde betalingsopdracht niet juist is. De Hoge Raad benadrukte dat het risico van misbruik van de code afhangt van de concrete omstandigheden, vooral wie toegang had tot de code. Omdat de fraude door een werknemer van COVA was gepleegd, lag het risico in beginsel bij COVA.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van COVA en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. Tevens werd COVA veroordeeld in de proceskosten. Het arrest verduidelijkt belangrijke aspecten van het internationaal privaatrecht en de aansprakelijkheid bij fraude in bancaire relaties met beveiligde betalingsopdrachten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toepassing van Zwitsers recht en wijst het cassatieberoep van COVA af, waarbij de bank niet aansprakelijk wordt gehouden voor de fraude met de gecodeerde betalingsopdracht.