Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Estoppel. [13] Voor het Duitse recht is de situatie enigszins genuanceerder, omdat daar bescherming van het opgewekte vertrouwen niet steeds plaatsvindt doordat de schijn voor werkelijkheid geldt, maar in diverse gevallen in plaats daarvan wordt volstaan met vergoeding van geleden
Vertrauensschaden, [14] een verschijnsel dat mede wortelt in § 122 BGB. Uit de hiervoor aangehaalde
restatements(de PICC, DCFR en PECL) blijkt echter onmiskenbaar dat thans in internationaal verband de heersende opvatting een andere is: vertrouwensbescherming vindt plaats doordat dezelfde rechtsgevolgen intreden als op grond van de toerekenbare schijn mocht worden verwacht. Verder geldt dat de afstand tussen het Duitse recht en die wereldwijd heersende opvatting niet moet worden overdreven. In de eerste plaats lijkt ook in Duitsland volledige vertrouwensbescherming thans het gewone geval. [15] In de tweede plaats zal een vergoeding van
Vertrauensschadenin veel gevallen kunnen leiden tot een uitkomst die met zulke volledige vertrouwensbescherming vergelijkbaar is.
exceptio doli (factum sit). [16] In dit verband wijs ik erop dat de curator – die het vorderingsrecht van de boedel uitoefent en geheel dezelfde verweren tegen zich moet laten gelden als Lyempf vóór haar faillissement – met zoveel woorden heeft erkend dat [betrokkene 2] , destijds enig bestuurder van Lyempf, de brief van 15 juni 2010 ‘bewust onjuist’ heeft opgesteld. [17]
daarmeebevoegd is tot verrekening. Op al deze plaatsen is niet sprake van de totstandkoming van een rechtshandeling, maar van een schijn omtrent wat buiten het gezichtsveld van Alsi tussen Gramen en Lyempf had plaatsgehad, namelijk als zou Gramen namens Alsi Lyempf uit hoofde van de geldlening hebben betaald het bedrag dat zij oorspronkelijk aan Alsi als koopprijs voor de aandelen verschuldigd was. Die schijn is toerekenbaar aan Lyempf en leidt ertoe dat Alsi mag verrekenen, zoals zij dat ook zou hebben mogen doen indien de schijn werkelijkheid was geweest.
to its detriment), althans van een gewijzigde positie als gevolg van voortbouwend handelen (PECL: de partij
was induced to alter his position on the faith of the fact). In mijn waarneming worden in de diverse rechtsstelsels op dit punt niet steeds dezelfde eisen gesteld. Voor het Nederlandse recht geldt dat een nadeelsvereiste niet meer pleegt te worden gesteld, niet alleen niet bij de totstandkoming van rechtshandelingen (art. 3:35 BW Pro), [21] maar bijvoorbeeld ook niet in gevallen van rechtsverwerking op basis van opgewekt vertrouwen. [22] Een eis van voortbouwend handelen wordt soms gesteld, maar zonder een afzonderlijk element van een gewijzigde positie (art. 3:36 BW Pro). Als van de gelding van zo’n vereiste van voortbouwend handelen zou behoren te worden uitgegaan, [23] ligt mijns inziens in de feiten van de onderhavige zaak besloten dat daaraan was voldaan.