Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat niet is komen vast te staan dat het bewezenverklaarde feit in de bewezenverklaarde periode heeft plaatsgevonden.
Inleiding
Overweging met betrekking tot het bewijs
als verklaring van [betrokkene 3]:
als relaas van [verbalisant 1]:
De verklaring van de verdachte, geboren op 28 juni 1964, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 17 december 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
op of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 30 augustus 2013” heeft plaatsgevonden (bewijsmiddel 4). Voor zover het incident dus omstreeks de verjaardag van het slachtoffer ( [geboortedatum] ) zou hebben plaatsgevonden, levert dat geen probleem op. De steller van het middel ziet blijkbaar over het hoofd dat het hof heeft bewezenverklaard dat het incident
“op of omstreeks”de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden. Voorts komt uit de aangifte naar voren dat de tenlastegelegde handelingen vijf jaar geleden (dus in 2013) in de zomerperiode zijn gepleegd (bewijsmiddel 1). Ook het slachtoffer verklaart dat het incident vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden, toen hij 15 of net 16 jaar was, en dat het één keer is gebeurd. Ik wijs er daarbij op dat een pleegperiode niet zonder meer inhoudt dat de verdachte zich gedurende die hele tijd schuldig zou hebben gemaakt aan het bewezenverklaarde feit. [4] Gelet op deze feiten en omstandigheden vindt het verweer dat er onvoldoende bewijs is dat het bewezenverklaarde feit (één keer) op of omstreeks de bewezenverklaarde pleegperiode heeft plaatsgevonden zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
tweede middelklaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen zonder ambtshalve de bewindvoerders van de verdachte op te roepen.
Persoonlijke omstandigheden
Stb. 2010,1).
tegenwoordig benadeelde partij, D.P.] te verdedigen, zoals hij nu eenmaal zich in het strafgeding bevindt, dus onvertegenwoordigd”. Daaraan wordt toegevoegd: “Het tegendeel zou ook, b.v. wanneer de vertegenwoordiger niet, doch de verdachte wel verscheen, tot onoverkomelijke moeilijkheden leiden.” [20] Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg nog ter terechtzitting mag worden ingediend. [21]
derde middelklaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.