ECLI:NL:PHR:2020:1006
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt doorbreking verschoningsrecht meldkamercentralist bij ernstig delict
Op 19 augustus 2019 werd een vijftienjarig meisje om het leven gebracht, waarna de minderjarige verdachte een 112-melding deed bij de ambulancedienst. De centralist die dit gesprek voerde, beriep zich op zijn verschoningsrecht en weigerde de bandopname te verstrekken. De officier van justitie vorderde de opname vanwege het ernstige delict en het belang van waarheidsvinding.
De rechtbank oordeelde dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden waren die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, mede vanwege de ernst van het delict, het ontbreken van alternatieve bewijsmiddelen, minimale inbreuk op het beroepsgeheim en toestemming van betrokkenen. De centralist stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat het verschoningsrecht niet absoluut is en dat het belang van waarheidsvinding zwaarder kan wegen bij ernstige delicten. De rechtbank heeft terecht een zorgvuldige belangenafweging gemaakt, waarbij de ernst van het feit, de minderjarigheid van verdachte en slachtoffer, en het belang van het onderzoek samen tot het oordeel leiden dat doorbreking gerechtvaardigd is. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de centralist wordt verworpen en de bandopname mag aan het Openbaar Ministerie worden verstrekt.