Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2003/379 toe om, als inkomsten naar hun aard, zoals bepaald door de bron waaruit zij ontstaan, aan Nederland zijn toegewezen, die inkomsten te belasten volgens Nederlandse bepalingen over de wijze van heffing, de bepaling van het tijdstip waarop zij in aanmerking worden genomen, de bepaling van hun omvang en de wijze van hun berekening; daarbij bestaat ook ruimte voor nationaalrechtelijke forfaits of ficties. Art. 3(2) staat volgens HR
BNB2003/379 niet toe dat inkomsten die naar hun aard onder een verdragsartikel vallen dat hen niet aan Nederland toewijst, bestempeld worden tot inkomsten die onder een ander verdragsartikel vallen dat hen wel aan Nederland toewijst. De vraag is dus of art. 32bd Wet LB 1964 de verdragstoewijzing eenzijdig ten gunste van Nederland kan wijzigen. De (her)genietingsfictie ex art. 32bd Wet LB 1964 in 2013 brengt het loon 2012, dat naar zijn aard een bestuurdersbeloning was, niet onder een andere kwalificatie of een ander verdragsartikel en komt in zoverre dus niet in strijd met het Verdrag of HR
BNB2003/379.
wiedaarvoor belast wordt,
wanneerNederland dat salaris belast of
hoe vaakNederland dat salaris belast, of
BNB2016/163 en HR
BNB2016/164 waarin u de crisisheffing niet in strijd achtte met art. 1 Protocol Pro I EVRM.
Bosmanen
CaixaBankomdat in haar geval geen sprake is van een markttoegangsverhindering. Aan rechtvaardigingen voor die niet-bestaande discriminatie of markttoegangsverhindering komt men dan niet toe.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
treaty overrideis, (ii) de grondrechten ex de art. 17 en Pro 21 EU-Handvest schendt, (iii) het vrije werknemersverkeer ex artt. 45 t/m 48 VwEU belemmert, en/of (iv) verboden staatssteun aan lagere-lonenwerkgevers inhoudt.
3.Het geding in (sprong)cassatie
clairof
éclairézou zijn, stelt de belanghebbende voor dat u prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).
Bosman. Zij meent dat de crisisheffing de toegang tot de Nederlandse (arbeids)markt ernstig belemmert. Uit het HvJ EU-arrest
Hervisleidt de belanghebbende af dat het op orde brengen van de staatsbegroting nooit een rechtvaardiging kan vormen voor een belemmering van het vrije verkeer.
Ryanair Ltd. v. Commissie.
verweermeent de Staatssecretaris dat middel (i) faalt omdat de crisisheffing niet wordt geheven van de werknemer door inhouding op het loon, maar van de werkgever. Hij verwijst naar HR
BNB2016/163: het stond de wetgever vrij art. 32bd Wet LB 1964 in te voeren ook al bestaat er geen misverstand over dat de crisisheffing resulteert in economische dubbele heffing. De Staatssecretaris merkt op dat art. 32bd(3) Wet LB 1964 verwijst naar door een inhoudingsplichtige in het voorgaande jaar verstrekt loon.
BNB2018/43 (zie 5.2 hieronder).
A-Fonds. Van enige bevoordelingsbedoeling jegens anderen dan de belanghebbende is overigens geen sprake, aldus de Staatssecretaris, die er nog op wijst dat u al in HR
BNB2016/163 heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen werkgevers die hoge en minder hoge lonen uitbetalen geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling inhoudt.
repliekbenadrukt de belanghebbende ad middel (i) dat wel degelijk een inhoudingsplichtige in de zin van art. 6(1) Wet LB 1964 is vereist omdat anders bijvoorbeeld 10 jaar na beëindiging van een dienstbetrekking de voormalige werkgever nog zou kunnen worden besprongen, in strijd met het legaliteitsbeginsel. Ter zake van art. 32bd(3) Wet LB 1964 stelt de belanghebbende dat lid 3 voortbouwt op lid 1 en dat, nu niet wordt toegekomen aan toepassing van lid 1, ook lid 3 niet kan worden toegepast.
Hervis,
Bosmanen
CaixaBank.
bedoeldebepaalde ondernemingen te bevoordelen, doet niet ter zake voor de vraag of sprake is van verboden staatssteun, aldus de belanghebbende.
4.Regelgeving
De wet en diens parlementaire geschiedenis
immaterialis: [8]
5.Rechtspraak
Nederlandse rechtspraak
BNB2019/54 [10] heeft u geoordeeld dat een rechtspersoon die in december 2013 is opgehouden te bestaan en daarom geen werkgever meer is, voor de crisisheffing niet kan worden aangemerkt als inhoudingsplichtige op 31 maart 2014:
BNB2018/43 [11] betrof werknemers van een in Nederland gevestigde BV aan wie in 2009 t/m 2012 aandelenopties waren toegekend door de moedermaatschappij. In september 2013 oefenden die werknemers hun opties uit en behaalden daarbij een voordeel. Ten tijde van de uitoefening woonden of werkten zes van de zeven werknemers niet meer in Nederland. De belanghebbende heeft loonheffing afgedragen over dat optievoordeel dat zij had berekend met inachtneming van het "allocatiebesluit" van de Staatssecretaris van Financiën van 11 februari 2002, nr. IFZ 2002/40M. [12] In geschil was of het optievoordeel van de zes werknemers belastbaar was in Nederland. Cassatiemiddel II luidde als volgt:
omdatverhaal op de werknemer verboden is, is de crisisheffing een aantasting van de eigendomsrechten van de werkgever en niet van de werknemer. Begin 2016 heeft u het cassatieberoep tegen deze uitspraak niettemin ongegrond verklaard [14] onder verwijzing naar art. 81 Wet Pro RO, waaruit ik opmaak dat naar nationaal recht voor de crisisheffing niet uitmaakt dat op het moment van het belastbare feit de werknemers over wier loon opnieuw wordt geheven, niet meer in dienst zijn.
BNB2016/163 [17] betoogde de belanghebbende dat de crisisheffing om drie redenen niet kon worden geheven. In de eerste plaats achtte zij art. 32bd Wet LB 1964 onverbindend omdat het systeem van de Wet LB 1964, met name art. 1, niet zou toelaten dat bij de werkgever nogmaals loonbelasting wordt geheven over een al eerder door de werknemer genoten en al eerder bij de werknemers in de loonheffing betrokken loonbestanddeel (economisch dubbele heffing). U verwierp dat betoog:
fair balancevan belangen die schending zou kunnen rechtvaardigen. U achtte weliswaar inderdaad gerechtvaardigde verwachtingen geschonden, maar zag ook voldoende specifieke en dwingende redenen voor terugwerkende kracht, reden om de crisisheffing op wetgevingsniveau niet in strijd is met het eigendomsgrondrecht te achten:
BNB2016/164 [18] , het tweede arrest van 29 januari 2016 over de crisisheffing, hield naast de in 5.6 geciteerde oordelen mede in dat de wetgever zijn ruime beoordelingsmarge evenmin had overschreden bij de herhaling van de eenmalige crisisheffing 2013 in 2014:
BNB2003/379 [19] betrof Nederlandse heffing over (fictief) gebruikelijk loon (ex art. 12a Wet LB 1964) ten laste van een inwoner van België. U oordeelde dat het belastingverdrag tussen Nederland en België daaraan in de weg stond:
Bosman [20] betrof een beroepsvoetballer die zijn contract bij de Belgische Club Luik had uitgediend en een nieuw contract had met de Franse profclub USL Dunkerque, maar daar niet aan het werk kon omdat de destijds vigerende (UEFA)
transferregels onder meer inhielden dat de oude club ook na afloop van het contract een
transfersom van de nieuw club kon eisen en Club Luik een te hoge som eiste voor USL Dunkerque. Bosman achtte deze belemmering voor de aanvaarding van zijn baan in Frankrijk in strijd met het vrije werknemersverkeer. Als Bosman naar een andere
Belgischeprofclub was gegaan, had hij precies hetzelfde probleem gehad, zodat geen sprake was van discriminatie, maar het HvJ EU gaf hem desondanks gelijk omdat, kort gezegd, deze regel een volledige markt
toegangsbelemmering tot gevolg kon hebben:
Keck en Mithouardbuiten de werkingssfeer van artikel 30 van Pro het Verdrag vallen (…).”
Schempp [21] betrof de vraag of (thans) art. 18 VwEU Pro (verbod op discriminatie naar nationaliteit) was geschonden doordat de in Duitsland wonende Duitser Schempp de alimentatie voor zijn Oostenrijkse voormalige echtgenote die na hun scheiding weer in Oostenrijk was gaan wonen, niet meer kon aftrekken omdat Duits belastingrecht voor aftrek de voorwaarde stelde dat de alimentatie bij de ontvangster belast was en dat was niet het geval in Oostenrijk, dat de inverse regel had (niet aftrekbaar en niet belast). Was de voormalige echtgenote in Duitsland blijven wonen, dan was de alimentatie aftrekbaar geweest hoewel zij feitelijk niet belast werd omdat zij beneden de belastingvrije som bleef. De eerste vraag was of Schempp toegang had tot art. 18 VwEU Pro, nu niet hij, maar zijn ex de grens was overgestoken en hij slechts een conflict had met zijn eigen nationale fiscus. Het HvJ EU vond dat echter geen zuiver interne situatie:
Hervis Sport [22] dat het EU-vestigingsrecht zich verzet tegen een nationale (Hongaarse) progressieve belasting die ertoe leidt dat een groep vennootschappen die verspreid is over meer lidstaten, effectief een hoger belastingtarief betaalt dan een vennootschapsgroep met vestigingen alleen in Hongarije. Bescherming van de economie of herstel van begrotingsevenwicht door een toename van belastinginkomsten kan zo’n materieel discriminerende belasting niet rechtvaardigen:
Ryanair v. Commissie(eerste aanleg) [23] betrof de Ierse Air Travel Tax (ATT). De Commissie had na slechts een inleidend onderzoek de vrijstelling voor transfer- en transitoverkeer niet als staatssteun ex art. 107(1) VwEU aangemerkt. Het Algemene Hof heeft de desbetreffende beschikking van de Commissie vernietigd omdat de Commissie bij het van nemen van de beschikking niet in staat was om beoordelen of zich een selectief voordeel voordeed, gegeven (i) de buitensporig lange duur van het vooronderzoek, en (ii) het incomplete en onvoldoende inhoudelijke onderzoek van de Commissie. Gegeven het ontbreken van een deugdelijke interne-marktcompatibiliteitsanalyse had de Commissie volgens het Algemene Hof de formele onderzoeksprocedure moeten starten:
A-Fonds [24] heeft het HvJ EU zijn vaste rechtspraak herhaald dat de nationale rechterlijke instanties en de Commissie ter zake van (verboden) staatssteun aanvullende taken verrichten, maar dat alleen de Commissie – en dus niet de nationale rechterlijke instanties – de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt beoordeelt, terwijl de nationale rechterlijke instanties moeten nagaan of steunmaatregelen wel gemeld zijn:
6.Behandeling van de middelen
Middel (i) (geen dienstbetrekking c.q. geen inhoudingsplicht?)
überhauptgeen werknemers (meer) had, en dáárom geen inhoudingsplichtige was, gegeven de definitie van ‘inhoudingsplichtige’ in art. 6 Wet Pro LB, houdt het een in cassatie ontoelaatbaar novum in omdat die stelling niet is ingenomen bij de feitenrechter en de beoordeling ervan een onderzoek naar feiten vergt dat in cassatie niet gedaan kan worden. De wel vastgestelde feiten suggereren overigens dat er in 2013 (nog) wel iemand in dienstbetrekking jegens de belanghebbende stond en dat zij dus nog wel inhoudingsplichtige was. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de belanghebbende voor de loonheffing over 2013 € 62.400 aan loon en € 14.507 aan loonheffing heeft aangegeven en dat zij in haar aangifte vennootschapsbelasting 2013 € 94.528 aan aftrekbare lonen en salarissen heeft aangegeven.
nexus(meer) had met Nederland die verdragstoewijzing van zijn fictieve beloning aan Nederland rechtvaardigt. Daar doet volgens haar niet aan af dat de grondslag voor de crisisheffing op 31 maart 2013 bestond uit [D]’s loon over 2012, toen hij nog wel in belanghebbendes dienst was.
BNB2016/163 in 5.6 hierboven). De vraag is of dat anders wordt door de toepassing van het belastingverdrag met Oostenrijk.
BNB2003/379 (zie 5.8 hierboven) toe om die inkomsten te belasten volgens Nederlandse bepalingen over de wijze van heffing, de bepaling van het tijdstip waarop zij in aanmerking worden genomen, de bepaling van hun omvang en de wijze van hun berekening en dat daarbij ook ruimte zijn voor nationaalrechtelijke forfaits of ficties. Art. 3(2) staat volgens HR
BNB2003/379 echter niet toe dat inkomsten die naar hun aard onder een verdragsartikel vallen dat hen niet aan Nederland toewijst, bestempeld worden tot inkomsten die onder een ander verdragsartikel vallen dat hen wel aan Nederland toewijst. Daarmee rijst de vraag of art. 32bd Wet LB 1964 de verdragstoewijzing eenzijdig ten gunste van Nederland kan wijzigen. Ik meen van niet: de (her)genietingsfictie ex art. 32bd Wet LB 1964 in 2013 brengt het loon 2012 van [D], dat naar zijn aard een bestuurdersbeloning was, mijns inziens niet onder een andere kwalificatie of een ander verdragsartikel, ook niet potentieel, en komt in zoverre dus niet in strijd met het Verdrag of met HR
BNB2003/379. De grondslag waarover in 2013 ten laste van de belanghebbende geheven wordt, blijft een bestuurdersbeloning, die door art. 17 van Pro het Verdrag wordt toegewezen aan het land van vestiging van de bestuurde vennootschap, i.e. Nederland.
geversheffing. Daarmee rijst de vraag onder welke verdragsbepaling zo’n atypische werkgeversheffing (loonsomheffing) valt, als zij al onder enige verdragsbepaling valt. Ervan uitgaande dat naar intern recht niet ter zake doet dat [D] op 31 maart 2013 geen werknemer en dus evenmin nog bestuurder van de belanghebbende was (zie ECLI:NL:HR:2016:327 en ECLI:NL:HR:2016:439 in 5.3 en 5.4 hierboven), meen ik dat twee standpunten mogelijk zijn:
wiedaarvoor belast wordt (de genieter of diens werkgever of iemand anders),
wanneerNederland dat salaris belast (in 2012 of in 2013) en
hoe vaakNederland dat salaris belast (of Nederland het al dan niet juridisch of economisch dubbel belast), of
Schempp, maar ook uit bijvoorbeeld de eveneens fiscale zaak
Halliburton. [26] Dat baat de belanghebbende echter niet. Art. 17 Handvest Pro heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als art. 1 Protocol Pro I EVRM. Dat volgt uit art. 52(3) EU-Handvest en indirect ook uit uw art. 81 Wet Pro RO-arrest van 18 maart 2016 (zie 5.5 hierboven). Aangezien u in HR
BNB2016/163 (zie 5.6 hierboven) het terugwerkende effect van de crisisheffing niet in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM heeft geacht, hoezeer die effectief terugwerkende heffing ook gerechtvaardigde verwachtingen schond, is evenmin art. 17 EU Pro-Handvest geschonden. Middel (iii) faalt.
Bosmanen bijvoorbeeld ook in de zaak
CaixaBank. [28] Van een dergelijke markttoegangbelemmering is in belanghebbendes geval geen sprake. Sterker nog: de crisisheffing heeft zijn vorm als werkgeversheffing juist gekregen om Nederland (optisch) niet minder aantrekkelijk te maken (door een marginaal inkomstenbelastingtarief van 68%) voor hoogbetaalde
expats. Aan belanghebbendes beroep op het arrest
Herviswordt dan niet toegekomen: als de grensoverschrijdende situatie fiscaal niet ongunstiger wordt behandeld dan de vergelijkbare interne situatie, is er geen te rechtvaardigen discriminatie en komen wij aan eventuele, al dan niet budgettaire, rechtvaardigingsgronden dus niet toe. Middel (iv) faalt.
Ryanair v. Commissionontgaat mij: voor zover mij bekend, heeft niemand, ook de belanghebbende niet, geklaagd bij de Commissie over het vermeende staatssteunkarakter van de crisisheffing en heeft de Commissie dus ook geen beschikking genomen die onvoldoende voorbereid zou zijn of met onvoldoende wederhoor zou zijn totstandgekomen. Nu dat arrest slechts inhield dat de Commissie de formele onderzoeksprocedure had moeten starten, houdt het ook geen inhoudelijk oordeel in over de vraag of de vrijstelling van ATT voor
transferreizigers al dan niet staatsteun kon zijn. Het vijfde middel faalt.