Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2015. Het geschil betrof de pseudo-eindheffing loonbelasting die belanghebbende over het tijdvak maart 2013 had afgedragen. De zaak was voortgekomen uit hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.
De Hoge Raad ontving de middelen van belanghebbende en het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, evenals de daarop volgende conclusies van repliek en dupliek. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 18 maart 2016, gewezen door raadsheren Schaap, Groeneveld en Wortel.