Eiseres, een financiële holding, maakte bezwaar tegen de afdracht van een pseudo-eindheffing hoog loon over maart 2013, welke verband hield met loonbetalingen aan een werknemer die in 2012 in Oostenrijk woonde en bestuurder was. De rechtbank beoordeelde of deze heffing in strijd was met de goede trouw tussen Nederland en Oostenrijk (tax treaty override), met artikelen 17 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, met artikelen 45 tot en met 48 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en of sprake was van verboden staatssteun.
De rechtbank volgde de overwegingen van het Hof Amsterdam dat de crisisheffing niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt en dat het Handvest niet van toepassing is in deze procedure. Ook concludeerde de rechtbank dat de heffing niet in strijd is met de artikelen 45-48 VWEU omdat het een geheel binnenlandse situatie betreft zonder onderscheid naar nationaliteit of woonplaats van werknemers. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de heffing geen verboden staatssteun vormt, mede gelet op de ernstige begrotingsproblemen en de noodzaak tot een eenvoudige regeling.
Eiseres stelde dat de heffing onterecht was omdat de werknemer per 1 september 2012 niet meer in dienst was, maar de rechtbank oordeelde dat de heffing terecht was gebaseerd op loon genoten in 2012. Ook het argument dat de heffing niet gerechtvaardigd was omdat deze niet eenmalig was, werd verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.