Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het incidentele verzoek
Allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, zijn verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.”
[…] /Dekker q.q.was de vraag naar analogische toepassing van art. 224 Rv Pro aan de orde. In die zaak ging het om een verzetprocedure ex art. 10 Fw Pro. A-G Timmerman achtte in zijn conclusie van 2 november 2018 analogische toepassing niet uitgesloten, maar meende dat de stellingen van de curator in die zaak, die erop neerkwamen dat vanuit [woonplaats] de regie over talloze procedures wordt gevoerd en dat proceskostenveroordelingen niet vrijwillig worden voldaan, onvoldoende waren om misbruik van procesrecht aan te nemen. Hij concludeerde daarom dat op grond van de huidige wettelijke regeling de verzochte zekerheidstelling ex art. 414 lid 1 jo Pro. 224 lid 1 Rv niet kon worden toegewezen. [4]
[…] /Dekker q.q. [5] De Hoge Raad heeft het verzoek tot zekerheidstelling toegewezen en daartoe als volgt overwogen:
3.3.2 (…) De strekking van deze bepaling[art. 224 lid 1 Rv Pro, A-G]
is te voorkomen dat een gedaagde wordt geconfronteerd met een oninbare proceskostenveroordeling in verband met het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft (vgl. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 392).
de in cassatie door [verzoeker] bestreden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 december 2018 is gegeven naar aanleiding[van]
(…) een op 11 juli 2018 zijdens [verzoeker] ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant ingediend beroepschrift ex art. 67 Fw Pro. welk beroepschrift is gericht tegen het door de rechter-commissaris op 6 juli 2018 naar [verzoeker] verzonden faxbericht van 6 juli 2018 met als onderwerp: “verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet Pro inzake urenverantwoording” (…).” Onder 2.5 van het incidentele verzoekschrift wordt onder meer gesteld: “
Kortom: [verzoeker] is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep opgetreden als eiser (verzoeker) betreffende, kort gezegd, inzage in de urenadministratie/urenverantwoording door curatoren (…).” Onder 3.1 van het incidentele verzoekschrift wordt onder meer gesteld: “
De curatoren beroepen zich in dit incidentele verzoek tot zekerheidsstelling voor proceskosten op art. 224 Rv Pro (analogische toepassing). Op grond van art. 414 lid 1 Rv Pro is art. 224 Rv Pro van toepassing in cassatie” (zie ook onder 2.1 hiervoor). Uit deze passages uit het incidentele verzoekschrift, in onderlinge samenhang gelezen, kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat curatoren aan hun stelplicht hebben voldaan.
[…] /Dekker q.q.Weliswaar is het op zichzelf juist dat [verzoeker] geen vordering heeft ingesteld, zich niet heeft gevoegd, noch is tussengekomen in de zin van art. 224 lid 1 Rv Pro. Dat art. 224 lid 1 Rv Pro rechtstreekse toepassing mist, staat echter mede gelet op de strekking van art. 224 lid Pro Rv niet in de weg aan
analogischetoepassing van art. 224 lid 1 Rv Pro in het onderhavige geval. De curatoren hebben zich in het incidentele verzoekschrift uitdrukkelijk beroepen op een analogische toepassing van art. 224 lid 1 Rv Pro. Dat komt al tot uitdrukking in de titel van het incidentele verzoekschrift (“
Incidenteel verzoekschrift ex art. 3.5.13.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (art. 414 jo Pro art. 224 Rv Pro (analogische toepassing))”) en blijkt verder ook uit de hiervoor onder 2.7 geciteerde zinsneden uit het incidentele verzoekschrift.
[…] /Dekker q.q., een verzet ex art. 10 Fw Pro. In literatuur en rechtspraak wordt algemeen aangenomen dat ook in een verzoekprocedure, met overeenkomstige toepassing van art. 224 Rv Pro, om zekerheidstelling voor proceskosten kan worden verzocht. [7] De overeenkomstige toepassing van art. 224 Rv Pro die de Hoge Raad aanneemt in
[…] /Dekker q.q.ziet dan ook niet zozeer op het aspect dat het ging om een verzoekprocedure, maar dat het in die zaak ging om het rechtsmiddel van verzet, en om die reden geen sprake was van een “
een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier” als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv Pro. [8] Ik begrijp
[…] /Dekker q.q.zo, dat de Hoge Raad een ruime uitleg van art. 224 Rv Pro voorstaat, waarin mede gelet op de strekking van de bepaling, een bevel tot zekerheidstelling voor de proceskosten van overeenkomstige toepassing is op een verzetprocedure ex art. 10 Fw Pro. Van Genugten merkt in zijn noot onder
[…] /Dekker q.q.op dat de Hoge Raad de overeenkomstige toepassing van art. 224 Rv Pro in de beschikking uitdrukkelijk beperkt tot de positie van de derde belanghebbende die verzet ex art. 10 Fw Pro instelt. [9] Dat is in zoverre juist dat in
[…] /Dekker q.q.geoordeeld werd dat in dat geval (verzet van een derde op de voet van art. 10 Fw Pro) art. 224 lid 1 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is. Een ‘uitdrukkelijke beperking’ tot dat geval is in de beslissing echter niet te lezen. Uit de beslissing kan naar mijn mening worden afgeleid dat, voor zover de strekking van art. 224 Rv Pro daartoe mede aanleiding geeft, overeenkomstige toepassing van art. 224 Rv Pro kan worden aangenomen in andere faillissementsrechtelijke verzoekprocedures, zoals in het onderhavige geval een verzoekprocedure ex art. 69 Fw Pro. [10]
in eerste aanlegis beslissend voor de (zowel rechtstreekse als overeenkomstige) toepassing van de zekerheidstelling voor de proceskosten op voet van art. 224 lid 1 Rv Pro. [11] De zekerheidstelling kan slechts worden gevraagd van de eiser of verzoeker die ook in eerste aanleg eiser of verzoeker was. In het onderhavige geval wordt aan deze voorwaarde voldaan. In eerste aanleg heeft [verzoeker] in zijn hoedanigheid van gefailleerde, ex art. 69 Fw Pro bij verzoekschrift de rechter-commissaris verzocht om de curatoren te bevelen om aan hem de door de curatoren gemaakte uren in zijn faillissement mee te delen (rov. 1.3). Dit verzoek is door de rechter-commissaris afgewezen (rov. 2.2), waarna [verzoeker] op grond van art. 67 Fw Pro in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank Oost-Brabant heeft het hoger beroep van [verzoeker] bij beschikking van 12 december 2018 ongegrond verklaard (rov. 6.2), waarna hij cassatieberoep heeft ingesteld. De curatoren hebben onder 2.5 van het incidentele verzoekschrift dan ook terecht gesteld: “
is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep opgetreden als eiser (verzoeker) betreffende, kort gezegd, inzage in de urenadministratie/urenverantwoording door curatoren (…)”.
[…] /Dekker q.q.te voorkomen dat een gedaagde wordt geconfronteerd met een oninbare proceskostenveroordeling in verband met het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft. [12] Dat het risico bestaat dat de curatoren bij afwijzing van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten in cassatie zullen worden geconfronteerd met een oninbare proceskostenveroordeling in verband met het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging in [woonplaats] , is door de curatoren onder met name 4.2-4.3 van het incidentele verzoekschrift voldoende aannemelijk gemaakt. Ik wijs in dit verband ook op rov. 5.8.10 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank, zij het in nogal ongebruikelijke termen, [13] het volgende overweegt:
5.8.10 Het concrete belang van [verzoeker] om inzage in de urenadministratie (…) is niet nader toegelicht. Dan levert dat aan zijn zijde dus ook[een]
weinig zwaarwegend belang op. Curatoren hebben anderzijds gesteld op zoek te zijn naar mogelijk onttrokken vermogensbestanddelen, terwijl ook strafrechtelijke wegen tegen de gefailleerde worden bewandeld. Ook deze belangenafweging valt in het voordeel van de curatoren uit. Daaraan valt nog toe voegen dat in het ten aanzien van Beschikking I ‘inzage administratie’ onder 5.7.1 e.v. overwogene valt te lezen hoe de rechtbank zelf ter zitting van 24 oktober 2018 getuige is geweest van een vlerkerig staaltje obstructie namens [verzoeker] . Wat de rechtbank betreft mag dat gedrag bijdragen aan wantrouwen bij curatoren jegens [verzoeker] en zijn advocaat en vormt het mede een argument voor geringe toegeeflijkheid jegens [verzoeker] als het gaat om openheid over het onderzoek naar vermogensbestanddelen.”
[…] /Aarnink q.q). [15] Voor het recht op een eerlijk proces doet hij een beroep op art. 6 EVRM Pro. Het opleggen van een bevel tot zekerheidstelling voor de proceskosten aan iemand die door zijn faillietverklaring het beheer en de beschikking over zijn vermogen is verloren, komt volgens [verzoeker] neer op een niet te aanvaarden beperking van de toegang tot de rechter en daarmee op strijdigheid met het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
[…] /Aarnink q.q.volgt dat een proceskostenveroordeling in procedures ingevolge de Fw mogelijk is en dat het aan het inzicht van de betrokken rechter is overgelaten of hij in het gegeven geval tot een zodanige veroordeling aanleiding vindt. [16] In die zaak ging het, evenals in de onderhavige zaak, om een procedure die volgt op een verzoek aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 69 Fw Pro. De Hoge Raad sluit een proceskostenveroordeling ten laste van de failliet of de boedel niet uit, maar overweegt dat de rechter met betrekking daartoe terughoudendheid dient te betrachten. De door de rechter te betrachten terughoudendheid ten aanzien van een proceskostenveroordeling hoeft echter niet in de weg te staan aan het toewijzen van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten door [verzoeker] . De door de rechter te betrachten terughoudendheid ziet op de proceskostenveroordeling, die
eventueelvolgt
naeen inhoudelijke behandeling van de zaak. In art. 224 Rv Pro gaat het om zekerheidstelling
voorafdat de proceskosten,
indien[verzoeker] daartoe zou worden veroordeeld, betaald zouden kunnen worden. Zie in deze zin ook Krieckaert: [17]
De terughoudendheid bij het uitspreken van een proceskostenveroordeling ten laste van failliet is mijns inziens (nog) niet vereist bij beoordeling van een vordering ex art. 224 Rv Pro. De inhoudelijke beoordeling van een proceskostenveroordeling volgt pas na behandeling van de zaak. Aldus is het mijns inziens denkbaar dat een failliet vooraf wordt verplicht zekerheid te stellen voor proceskosten, maar dat hij of zij uiteindelijk niet wordt veroordeeld tot betaling daarvan.”
De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of artikel 224[Rv, A-G]
(…) door de rechter buiten toepassing kan worden gelaten wanneer het recht van de eiser op effectieve toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro) in het gedrang komt doordat hij door zijn financiële omstandigheden niet in staat is de gevorderde zekerheidstelling te geven. Deze vraag beantwoorden wij bevestigend. De strekking van de cautie-regeling is niet om eisers met geringe middelen de toegang tot de rechter te bemoeilijken, maar om te voorkomen dat de gedaagde een eventuele proceskostenveroordeling niet zal kunnen executeren ten gevolge van het ontbreken van een executiemogelijkheid in het land van de eiser. In de jurisprudentie is de cautie-regeling reeds een aantal malen in verband met artikel 6 EVRM Pro buiten toepassing gelaten.”
NJ1981/451, Hof Den Haag 11 september 1990,
NJ1991/350 en Kantonrechter Amsterdam 25 maart 1992,
NJ1992/435, zo blijkt uit de opgenomen voetnoot.
Onder d tenslotte is tot uitdrukking gebracht dat de verplichting tot het stellen van zekerheid moet wijken voor het recht op effectieve toegang tot de rechter, zoals dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM Pro. In de nota naar aanleiding van het verslag is erop gewezen dat de rechter in voorkomende gevallen de verplichting tot zekerheidstelling ook rechtstreeks op grond van artikel 6 EVRM Pro buiten toepassing laat[in de voetnoot wordt verwezen naar de hiervoor onder 2.18 aangehaalde passage – A-G]
. Bij nadere omlijning van artikel 224 (…) verdient het de voorkeur deze beperking van de zekerheidsverplichting ook in de wet zelf neer te leggen. Opmerking verdient nog dat de rechter op grond van onderdeel d ook kan besluiten de gevorderde zekerheid slechts voor een gedeelte toe te wijzen.”
Wij menen dat, juist omdat sprake is van een uitzonderingsbepaling én omdat de relevante bewijsmiddelen zich doorgaans in het domein van de buitenlandse partij zullen bevinden, relatief hoge eisen gelden voor het slagen van het beroep op de uitzondering uit onderdeel d.
Van de buitenlandse partij mag worden gevergd dat hij de stelling dat hij niet in staat is om zekerheid te stellen behoorlijk handen en voeten geeft en dat hij die stelling onderbouwt door overlegging van bewijsstukken.[Verwezen wordt naar een aantal uitspraken van feitenrechters [23] – A-G]
Voor de vraag welk bewijs van de inkomens- en vermogenspositie getoond moet worden, denken wij aan bijvoorbeeld goedgekeurde jaarcijfers en fiscale aanslagen. Mogelijk kan ook worden gevraagd om kopie van management- of arbeidscontracten en jaaroverzichten van de bank waaruit blijkt welke effecten worden aangehouden en wat de saldi op de aangehouden rekeningen zijn. Indien in het desbetreffende land eigendom van onroerende zaken centraal wordt geregistreerd zou tevens kunnen worden gevraagd om een uitdraai uit het desbetreffende register.”
door zijn faillietverklaring het beheer en de beschikking over zijn vermogen is verloren” (verweerschrift, onder 22). [verzoeker] heeft op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn inkomens- en vermogenspositie in [woonplaats] .
Door in het buitenland te blijven wonen en niet (tijdelijk) terug te keren naar Nederland kan een gefailleerde zich bij uitstek onttrekken aan de verplichtingen die voortvloeien uit een faillissement. Dit blijkt eens te meer uit de eigen verklaring van eiser[ [verzoeker] , A-G]
in het beroepschrift dat een bevel tot inbewaringstelling tegen hem openstaat wegens niet-nakoming van zijn informatieplicht.”
e curatoren hebben naar voren gebracht dat gefailleerde [verzoeker] mogelijk grote schade heeft toegebracht aan Nederlandse (systeem)banken, dat zij hem verdenken van strafbare feiten en daarvan aangifte hebben gedaan. In ieder geval is het strafrechtelijk belang in deze procedure voldoende duidelijk bevestigd uit procedureel onverdachte bron. [verzoeker] zelf heeft immers bij schrijven van mr. Bongaerts d.d. 17 oktober 2018 een overzicht doen over leggen. Daaruit blijkt van maar liefst zes strafrechtelijke aangiften tegen [verzoeker] in het tijdvak van 30 januari 2014 tot en met 5 april 2016. Daaronder zijn diverse aangiften door de curatoren terzake vormen van het, bij uitstek faillissementsgerelateerde, misdrijf bedrieglijke bankbreuk.”