Conclusie
Tiethoff q.q./NMB).
1.Feiten en procesverloop
€ 38.812,00 verschuldigd.
primairomdat de verschuldigdheid van de huurpenningen is verdisconteerd in de boedelbijdrage en
subsidiairomdat Rabobank gerechtigd is haar vorderingen op [C] , [A] en [B] te verrekenen met de huurpenningen die zij aan [A] en [B] verschuldigd zou zijn. Rabobank stelt zich verder op het standpunt dat de huurovereenkomsten niet zijn geëindigd op 17 december 2010 maar op 9 mei 2010, zodat zij in ieder geval geen huur hoeft te betalen over de periode van 10 mei 2010 tot en met 17 december 2010.
Tiethoff q.q./NMB(ECLI:NL:HR:1989:AD0995) geformuleerde uitzondering op art. 53 Fw Pro zich voordoet, namelijk de situatie dat de curator ondanks het faillissement is gehouden de prestatie te blijven verrichten en de wederpartij compensatie verlangt met een vordering die met de (huur)overeenkomst geen verband (meer) houdt (rov. 4.9). Verder heeft de kantonrechter vastgesteld dat de huurovereenkomsten zijn geëindigd op 17 december 2010 (rov. 4.13).
Tiethoff q.q./NMB(ECLI:NL:HR:1989:AD0995) geformuleerde uitzondering op art. 53 Fw Pro zich in het onderhavige geval voordoet.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Tiethoff q.q./NMBaanvaarde uitzondering op de verrekeningsbevoegdheid van art. 53 lid 1 Fw Pro niet van toepassing is. Het hof heeft, aldus het onderdeel, uitsluitend geoordeeld over het ‘verband’, zonder de overige omstandigheden van het geval in zijn beoordeling te betrekken. Hiermee is het hof uitgegaan van een onjuiste – te restrictieve – uitleg van het arrest
Tiethoff q.q./NMB. Het hof heeft miskend dat het erom gaat of een redelijke uitleg van art. 53 lid 1 Fw Pro, en/althans het aan de Faillissementswet mede ten grondslag liggende beginsel van gelijkheid van schuldeisers en/althans een goed beheer van de boedel zich ertegen verzetten dat Rabobank zonder reële tegensprestatie, namelijk door de verschuldigde huurtermijnen te verrekenen met haar vorderingen uit hoofde van een voor faillissement beëindigde kredietrelatie, aanspraak maakt op een prestatie die ten laste van de boedel moet worden verricht.
Tiethoff q.q./NMB,dat in dit geval wel een voldoende verband bestaat tussen de huurovereenkomsten en de vordering van Rabobank uit hoofde van de beëindigde kredietrelatie. Net als in het geval dat heeft geleid tot het arrest
Tiethoff q.q./NMBis immers sprake van voor faillissement tot stand gekomen huurovereenkomsten, uit hoofde waarvan na faillietverklaring van de verhuurders ten laste van de boedel het huurgenot is verschaft, terwijl de huurder de daartegenover staande huurpenningen wenst te verrekenen met vorderingen uit de voor faillissement beëindigde kredietrelatie. Dat in het onderhavige geval sprake is van bodemverhuurconstructies die ertoe strekken de rechten van Rabobank als pandhouder te verzekeren en als gevolg daarvan enige (doch ver verwijderde) relatie bestaat met de financiering door Rabobank is – zonder nadere motivering die ontbreekt – onvoldoende voor het in het arrest
Tiethoff q.q./NMBbedoelde verband, aldus de klacht.
Postgiro-arrest [13] beslist dat van toepassing van art. 53 lid 1 Fw Pro met name geen sprake kan zijn, indien de
rechtstreekse oorzaakvan het ontstaan van een schuld ligt in een na de faillietverklaring verrichte rechtshandeling van een derde – in dat geval: de opdracht tot overschrijving aan de giro-instelling – welke zelf geen verband houdt met de voor de faillietverklaring gesloten overeenkomst waarop de vordering is gegrond. [14] Deze zogenoemde ‘leer van de rechtstreekse oorzaak’ [15] heeft later bevestiging gevonden in gevallen buiten de sfeer van het betalingsverkeer. [16]
Tiethoff q.q./NMB. [17] Deze zaak had betrekking op een door de later gefailleerde verhuurder reeds vijf jaar vóór zijn faillietverklaring met schuldeiser NMB (huurder) gesloten huurovereenkomst betreffende kantoorruimte, welke huurovereenkomst na de faillietverklaring ten laste van de boedel werd voortgezet. NMB deed een beroep op verrekening van haar na de faillietverklaring ontstane huurschuld met haar vóór de faillietverklaring ontstane vordering uit verleend krediet. Nu de schuld van NMB rechtstreeks voortvloeide uit een vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verrichte rechtshandeling (huurovereenkomst) leek verrekening op de voet van art. 53 lid 1 Fw Pro geen probleem. Zowel de kantonrechter als de rechtbank had het beroep op verrekening dan ook gehonoreerd. A-G Mok concludeerde tot verwerping van het daartegen gerichte cassatiemiddel, waarbij hij opmerkte dat voor verrekening op grond van art. 53 Fw Pro een verband tussen de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende schuld van NMB enerzijds en de kredietovereenkomst en de daaruit voortvloeiende vordering van NMB anderzijds niet vereist is (conclusie onder 4.2). In
Tiethoff q.q./NMBoverwoog uw Raad evenwel dat het middel doel trof:
voortduurten die schuld de tegenprestatie betreft voor een prestatie die vanaf de faillietverklaring ten laste van de boedel komt.
‘in dier voege’dat zij ‘
met name’geldt wanneer:
gehoudenis die prestatie te
blijvenverrichten en
vorderingdie met deze overeenkomst
geen verbandhoudt.
onaanvaardbarewijze zou worden doorbroken [18] , doordat (i) de schuldeiser niet alleen gebruik zou kunnen maken van de bijzondere, hem ten opzichte van het gemene recht begunstigende regel van art. 53 Fw Pro, maar (ii) bovendien aldus veelal zonder reële tegenprestatie aanspraak zou kunnen blijven maken op hetgeen jegens hem door de curator ten laste van de boedel moet worden verricht en (iii) aldus bovendien een goed beheer ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de tot de boedel behorende goederen ten aanzien waarvan langlopende overeenkomsten als deze bestaan, in ernstige mate zou worden bemoeilijkt.
Tiethoff q.q./NMBgeformuleerde uitzondering aldus verklaard dat deze kennelijk berust op de (soms als rechtspolitiek aangeduide) gedachte dat vergoedingen voor ten laste van de boedel verrichte prestaties in beginsel in de boedel behoren te vloeien (het ‘tegenprestatiebeginsel’). [20] Voorkomen wordt dat periodiek een stukje boedelwaarde (t.w. het huurgenot voor de desbetreffende periode) wegsijpelt naar één specifieke crediteur. [21] Hierin wordt tevens een aansluiting gezien bij het aan de Faillissementswet ten grondslag liggende fixatiebeginsel, in die zin dat de tegenwaarde van de ten laste van de boedel verrichte prestatie ten gunste van datzelfde vermogen komt. [22] Er zou op de boedel niet mogen worden ‘ingeteerd’ zonder dat de curator daartegen iets kan ondernemen. [23]
Tiethoff q.q./NMBmogelijk ten grondslag liggende beeld van de huurder als ‘boedelprofiteur’ wordt echter ingebracht dat deze de verhuurder voorafgaand aan het faillissement krediet heeft verschaft, zulks mede in het belang van diens andere crediteuren, en dat het maar de vraag is of er een rechtvaardiging bestaat voor discriminatie van schuldeisers wier (prefaillissements)vordering en schuld kwalificeren als verrekenbaar ex art. 53 Fw Pro maar die (al dan niet toevallig) huurder zijn van de failliet. [24]
Tiethoff q.q./NMBgeformuleerde uitzondering op de bevoegdheid tot verrekening bestaan in de literatuur verschillende opvattingen en invalshoeken. Betoogd wordt onder meer dat de uitzondering
uitsluitendvan toepassing is indien de hiervoor onder 2.11 sub (a) en/of (b) genoemde omstandigheden zich voordoen (zie hierna onder 2.14.1), dat de uitzondering
in ieder gevalvan toepassing is indien die omstandigheden zich voordoen (zie hierna onder 2.14.2), respectievelijk dat de uitzondering
nietvan toepassing is indien voldoende verband bestaat tussen de doorlopende duurovereenkomst of de schuld enerzijds en de vordering anderzijds (zie onder 2.14.3-2.14.5). Daar staat tegenover de opvatting dat de uitzondering
steedsgeldt waar de boedel na faillissement nog een prestatie moet verrichten (zie onder 2.14.6).
met name’ in rov. 3.2 niet duidelijk is. [25] De vraag is of ‘het’ (ik lees: de gehoudenheid tot het blijven presteren ten laste van de boedel en het ontbreken van verband tussen vordering en duurovereenkomst) slechts aspecten zijn die gewicht in de schaal leggen of dat het voorwaarden zijn waaraan voldaan moet zijn, wil de uitzondering gelden. Gelet op de opbouw van het arrest – waarin het gaat om een uitzondering op de hoofdregel van verrekening – is de annotator van mening dat het gaat om
voorwaardenvoor het gelden van de uitzondering. Want aanvaardt men de hoofdregel als gegeven dan lijkt het hem redelijk dat men de huur wél mag compenseren wanneer de curator nalaat de huur te beëindigen, ofschoon hem dat vrijstaat. Redelijk lijkt hem ook dat de huurder een voor het faillissement ontstane vordering wegens gederfd huurgenot mag compenseren met na de faillietverklaring vervallen huurtermijnen. Op een restrictieve uitleg van de uitzondering wijst volgens hem ook de overweging dat ‘aldus’ (indien verrekening wordt toegestaan) een goed beheer ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in ernstige mate bemoeilijkt zou worden.
Tiethoff q.q./NMBaldus wordt geparafraseerd dat een na de faillietverklaring ontstane huurschuld voortvloeiende uit een doorlopende huurovereenkomst niet kan worden verrekend met een vordering van de huurder ‘
die geen verband houdt met de huurovereenkomst’. [27] Hetzelfde geldt voor de parafrase luidend dat geen verrekening mogelijk is van een schuld die de tegenprestatie vormt van een (feitelijk) ten laste van de boedel te verrichten prestatie ‘
en die bovendien onvoldoende verband houdt met de te verrekenen vordering’ [28] , respectievelijk van een schuld die de wederpartij wil compenseren met een ‘
ongerelateerde tegenvordering’. [29]
weltoelaat wanneer tussen de beide vorderingen een bepaald verband (connexiteit) bestaat. De auteur acht daarvoor essentieel dat de relatie tussen partijen als een eenheid valt aan te merken zodat de beide vorderingen in één kader zijn te plaatsen, waarvoor voldoende maar niet noodzakelijk is dat de vorderingen voortvloeien uit dezelfde overeenkomst. [30]
voldoende verbandhoudt. [31] Van voldoende verband zal in ieder geval sprake zijn indien de schuld uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de met die schuld te verrekenen vordering. Ook daarbuiten kan, aldus Faber, sprake zijn van voldoende verband. [32]
welop enigerlei grond had kunnen beëindigen. Voor het aanvaarden van een uitzondering op de ruime verrekeningsbevoegdheid van art. 53 Fw Pro is, aldus Faber, voldoende dat sprake is van een overeenkomst die
feitelijkten laste van de boedel voortduurt, of wordt voortgezet, terwijl de wederpartij haar daaruit voortvloeiende schuld wil verrekenen met een tegenvordering die met die schuld geen verband houdt. [33]
Tiethoff q.q./NMBgeformuleerde ‘connexiteitsexceptie’, gebaseerd op het verband tussen de huurschuld en de door het pandrecht gesecureerde tegenvordering. [34]
Tiethoff q.q./NMB.Volgens hem staat de omstandigheid dat de boedel na faillissement nog een prestatie dient te verrichten aan verrekening op basis van art. 53 Fw Pro in de weg. Althans is bij een bodemverhuurconstructie het verband onvoldoende.
met name’ geldt wanneer de curator ‘gehouden’ is de prestatie te blijven verrichten steun voor een dergelijke beperkte uitleg. [36] Daar staat wat hem betreft echter wel tegenover dat de uitzondering op de regel van art. 53 Fw Pro in algemene bewoordingen is geformuleerd. Bovendien kan, aldus Rongen, op goede gronden worden betoogd dat juist het belang van een goed beheer van de boedel met zich brengt dat van een (tijdelijke) voortzetting van de onderneming van de failliet de opbrengsten van lopende duurovereenkomsten ten gunste van de boedel behoren te komen. [37]
verbandbestaat tussen de doorlopende huurovereenkomst (of de huurschuld) en de vordering van de huurder, bijvoorbeeld indien de huurder herstelkosten betreffende het gehuurde heeft gemaakt. [38]
bodemverhuurconstructiebestond naar het oordeel van zowel de kantonrechter te Dordrecht als, in hoger beroep, het hof ’s-Gravenhage voldoende verband tussen de huurovereenkomst/huurschuld van de bank en de vordering van de bank uit hoofde van het negatieve saldo van de door de verhuurder bij haar aangehouden rekening, aangezien de huurovereenkomst was aangegaan teneinde de verpande zaken, die dienden tot zekerheid van de vordering uit rekening-courant, in de macht van de bank te brengen en aldus tegen bodemverhaal door de fiscus te beschermen. Bovendien volgde uit de inhoud van de overeenkomst dat de curator niet gehouden was het huurgenot ten laste van de boedel te blijven verschaffen. Daarom deed de uitzondering van
Tiethoff q.q./NMBzich niet voor. [39] In een andere zaak betreffende een bodemverhuurconstructie werd door het hof ’s-Hertogenbosch ook geoordeeld dat sprake was van een verband tussen de huurschuld van de bank en haar vordering uit hoofde van de kredietovereenkomst, nu die huurschuld de kosten ter incassering van de vordering van de bank betrof, welke kosten op grond van de kredietovereenkomst en de daarvoor bedongen zekerheden ten laste van de kredietnemer/verhuurder kwamen. [40] Eveneens naar aanleiding van een bodemverhuurconstructie werd in een ander geval evenwel geoordeeld dat geen sprake was van verband tussen de huurovereenkomst en de vordering van de bank ter zake van de contractueel doorberekende ‘juridische kosten ex art. 3:277 BW Pro’ die voortvloeiden uit het veiligstellen van zekerheden, waaraan niet afdeed dat de huurovereenkomst was gesloten in het kader van het veiligstellen van zekerheden. [41]
Tiethoff q.q./NMBafgewezen op grond van het ontbreken van verband; de enkele omstandigheid dat de huurprijs maandelijks werd ingehouden op het salaris was daarvoor onvoldoende. Dit was mogelijk anders geweest in het geval van een in het kader van de arbeidsovereenkomst ter beschikking gestelde dienstwoning. [42] [43]
Tiethoff q.q./NMBgeformuleerde uitzondering op de bevoegdheid tot verrekening van een uit een vóór de faillietverklaring van de schuldenaar gesloten (huur)overeenkomst voortvloeiende maar eerst na die faillietverklaring ontstane (huur)schuld. Het hof heeft miskend dat enig verband tussen de overeenkomst en de vordering niet meebrengt dat die uitzondering
nietvan toepassing is. Naar uit de toelichting blijkt, wordt hiermee in de kern geklaagd dat het hof heeft miskend dat die uitzondering (altijd) van toepassing is indien na de faillietverklaring een prestatie moet worden verricht ten laste van de boedel (en verrekening derhalve zou meebrengen dat de wederpartij daarop aanspraak maakt zonder een reële tegenprestatie te leveren). Het hof had moeten concluderen dat Rabobank niet gerechtigd was te verrekenen. Zie de schriftelijke toelichting zijdens de curator, nr. 3.1 jo. 2.13 (het citaat van Franken onder a [44] ).
Tiethoff q.q/NMBdoor uw Raad ‘
met name’ genoemde geval. Na betwisting van die stelling door Rabobank [46] zag de kantonrechter zich dan ook gesteld voor de vraag of de vordering van Rabobank ‘verband’ hield met de huurovereenkomst (vonnis, rov. 4.7-4.8), welke vraag hij ontkennend beantwoordde. Tegen die afbakening van het geschil is door de curator vervolgens niet incidenteel gegriefd of anderszins bezwaar gemaakt. Het partijdebat heeft zich in hoger beroep geheel toegespitst op de vraag of sprake was van het in
Tiethoff q.q./NMB‘
met name’ genoemde geval, te weten dat (a) de boedel gehouden is te blijven presteren en (b) verband tussen overeenkomst en vordering ontbreekt. [47]
Tiethoff q.q./NMBgeformuleerde uitzondering uitmaakt en aldus in de beoordeling is begrepen.
steedsvan toepassing is wanneer een beroep wordt gedaan op verrekening van “een na de faillietverklaring ontstane schuld die voortvloeit uit een daarvoor met de gefailleerde gesloten, na de faillietverklaring nog voortdurende overeenkomst, krachtens welke die schuld de tegenprestatie betreft voor een prestatie die van de faillietverklaring af te laste van de boedel moet worden verricht” – zodat de aan- of afwezigheid van een verband tussen overeenkomst en vordering rechtens niet relevant is – faalt die klacht. Ik meen dat de zinsnede in
Tiethoff q.q./NMBdat een uitzondering moet worden aanvaard “
zulks in dier voege dat deze uitzondering met name geldt” wel degelijk ruimte laat voor een geslaagd beroep op verrekening in andere gevallen dan het ‘met name’ genoemde geval. Daartoe wijs ik erop dat uw Raad van belang acht of verrekening zou leiden tot een “
onaanvaardbare”doorbreking van het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers (kennelijk: afgezien van de aan verrekening reeds inherente doorbreking van de paritas).
Tiethoff q.q./NMBhet geval was – (i) de huurovereenkomsten waren gesloten in het kader van een bodemverhuurconstructie, (ii) dit met als enig doel de rechten van Rabobank als pandhouder te beschermen (art. 2 van Pro de huurovereenkomsten [48] ), (iii) welk pandrecht strekte ter securering van de vordering uit de kredietrelatie, terwijl (iv) vaststaat dat de huurovereenkomsten nimmer zouden zijn gesloten als Rabobank geen door pandrecht gesecureerde vordering uit de kredietrelatie had gehad (conditio sine qua non). Daarbij zouden de huurovereenkomsten, naar het hof heeft vastgesteld, van rechtswege eindigen bij verkoop van de verpande zaken (rov. 2 van het arrest jo. rov. 2.9 van het vonnis van 9 september 2015), hetgeen het geval bleek na tien maanden, ruim binnen de met de curator afgesproken executietermijn van twee jaar (rov. 3.7). Bovendien is de boedel door het verstrijken van die tien maanden niet benadeeld, aldus het hof (rov. 3.7).
Tiethoff q.q./NMBgeformuleerde uitzondering. Ook is zijn oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Om die reden falen de onderdelen 1 en 2.
vervallen. Dat Rabobank gebruik zou kunnen blijven maken van haar verrekeningsbevoegdheid ex art. 53 Fw Pro en zo voor een lange periode (zonder reële tegenprestatie) aanspraak zou kunnen blijven maken op het huurgenot dat haar ten laste van de boedel moet worden verschaft, zou niet verenigbaar zijn met een redelijke uitleg van art. 53 lid 1 Fw Pro, althans het aan de Faillisementswet mede ten grondslag liggende beginsel van gelijkheid van schuldeisers althans een goed beheer van de boedel.
Subonderdeel 4.cbestempelt als onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd het oordeel in rov. 3.7 (slot) dat de gezamenlijke verkoop ten voordele van de boedel heeft uitgepakt doordat een hogere boedelbijdrage is ontvangen dan wanneer de inventaris meteen zou zijn geëxecuteerd.
Tiethoff q.q./NMB,de mogelijkheid had om de huurovereenkomsten op te zeggen.
al” mee dat de uitzondering van
Tiethoff q.q./NMBin deze zaak geen opgeld doet. Het dictum wordt derhalve zelfstandig gedragen door dit oordeel. De met subonderdeel 4d aangevallen overweging, beginnend met “
Daarenboven”, is slechts een overweging ten overvloede. Subonderdeel 4.d faalt bij gebrek aan belang.
Onderdeel 5betreft een voortbouwende klacht gericht tegen rov. 3.8, 3.9, 4.1-4.3 en het dictum van het arrest. Het deelt het lot van de voorgaande onderdelen.