Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Ontvankelijkheid
in het bijzonderdient ter bescherming van het belang van rechtszekerheid voor verweerder: indien de termijn van art. 53 lid 1 Ow Pro verstrijkt zonder dat aan een partij bij het onteigeningsvonnis is aangezegd dat cassatieberoep wordt ingesteld, mag deze partij ervan uitgaan dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Materieel zijn de Eigenaren en de Pachter in dit belang niet geschaad. Zij zijn (1) door toezending van een kopie van de cassatieverklaring binnen de wettelijke termijn door de Gemeente geïnformeerd over het ingestelde cassatieberoep en (2) door toezending van een kopie van de aan de Hoge Raad toegezonden aanbiedingsbrief door de Gemeente op de hoogte gesteld van de indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad eveneens binnen de wettelijke termijn.
potentieelop het spel kunnen komen te staan. Ik meen dat zulke belangen inderdaad zijn aan te wijzen, namelijk: (a) zekerheid omtrent de gronden van het cassatieberoep; (b) voldoende tijd voor verweerder om te beoordelen of hij verweer wil voeren; en (c) het belang van verweerder bij een voortvarend verloop van de procedure. Ik loop deze belangen langs.
nietin hun belangen zijn geschaad, hebben zij zich gerefereerd aan het oordeel van uw Raad.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onteigenaarte realiseren, en mogelijk reeds deels gerealiseerde werk (zijnde juist het werk waarvoor onteigend wordt), noch op het plan daarvoor. Dat in het geval dat de onteigenaar het werk waarvoor onteigend wordt, inderdaad zelf tot stand brengt, de invloed van (het plan voor) het werk op de waarde van de onroerende zaak behoort te worden geëlimineerd, is eenvoudig in te zien. Bij het bepalen van de werkelijke waarde van het onteigende wordt uitgegaan van de prijs zoals die tot stand zou komen in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b Ow). Welnu, het is niet redelijk dat de onteigenaar de vermindering die de waarde van het onteigende onder invloed van het door hem te realiseren werk of het plan daartoe eventueel op de peildatum van de onteigening reeds ondergaat, aan de onteigende zou kunnen tegenwerpen. Evenmin is redelijk dat de onteigende zich erop zou kunnen beroepen dat de waarde van het onteigende op die datum reeds is vermeerderd onder invloed van juist het werk dat de onteigenaar tot stand zal brengen, dan wel van het plan daartoe. Het werk waarvoor onteigend wordt en het plan daartoe, moeten daarom worden geëlimineerd. [27]
niet zelfzal uitvoeren. [30] De mogelijkheid van een zodanige eliminatie ligt besloten in het sinds 1981 geldende art. 40c Ow, in welke bepaling de wetgever niet alleen de klassieke toepassing van de eliminatieregel heeft gecodificeerd, maar het bereik van die regel ook enigszins heeft uitgebreid. [31] Het is begrijpelijk dat de wetsgeschiedenis van art. 40c Ow in het arrest Perkpolder en in de daaraan voorafgaande conclusie een belangrijke rol speelt. In de onderhavige zaak is zij opnieuw van belang, reeds omdat de steller van het middel betoogt dat, kort en eenvoudig gezegd, die geschiedenis – anders dan uw Raad veronderstelde – geen steun zou bieden voor de in het arrest Perkpolder geformuleerde maatstaf.
verricht binnen het kader van de andere overheidswerken, voor zover verricht binnen de drie jaren aan de onteigening voorafgaand. In zoverre is hier een misverstand gerezen. Zij geven toe dat de formulering van artikel 40f, aanhef en onder a, tot kritiek aanleiding kan geven.
te ruimeformulering van de eliminatieregel, ten koste van onteigenden. [36]
nietin een zin volgens welke eliminatie ook diende plaats te vinden van voor- of nadelen die niet zijn teweeggebracht door activiteiten van de onteigenaar zelf dan wel een publiekrechtelijk lichaam.
niet zelfuitvoert.
de andere overheidswerken’, dus veronderstellend dat het te elimineren werk waarvoor onteigend wordt, een overheidswerk is.
door de onteigenaarte realiseren werk. De door uw Raad in dat arrest geformuleerde maatstaf volgens welke ‘de eliminatieregel alleen betrekking heeft op overheidswerken’ en ‘ook bij de toepassing van art. 40c, aanhef en onder 1, Ow de beperking geldt van het daarmee samenhangende art. 40c, aanhef en onder 2, Ow’ (beide rechtsoverweging 3.8.2 van het arrest), behoort daarom op dat geval niet te worden betrokken, ook al valt het er naar de letter onder. Dit volgt in de eerste plaats uit de stelregel dat aan arresten van uw Raad geen uitleg behoort te worden gegeven buiten het geval dat ter beslissing voorlag en daarmee werkelijk vergelijkbare gevallen. Het volgt ook uit het bestaan van gevestigde rechtspraak in andere zin (hiervoor onder 4.4) in combinatie met een andere stelregel, namelijk dat als uw Raad omgaat, hij dit voldoende duidelijk doet. In de woorden van Bakels: [39]
fair playbrengen mee dat hij oordelen die voor de rechtsontwikkeling belangrijk zijn, als zodanig presenteert. Ook om die reden moet men dus niet te veel (willen) lezen in of achter woordjes of zinnetjes die uit de context van de gehele uitspraak zijn geïsoleerd.’
een derdezal uitvoeren, behoort te worden weggedacht, is mijns inziens allerminst vanzelfsprekend. Op grond waarvan zou de onteigende dit aangaan? Is deze derde echter de overheid, althans wordt het werk aangelegd voor rekening en risico van de overheid, dan verschuift het beeld.
a fortiorihet overheidswerk waarvoor onteigend wordt, waarbij evenmin nodig is dat dit werk door de onteigenaar wordt uitgevoerd.
nietmogelijk. Dat is ook alleszins redelijk. Die kosten heeft de eerstbedoelde partij immers in haar eigen belang gemaakt. Dat anderen daarvan niet om niet zouden mogen profiteren, is een gedachte die onder invloed van ‘kift’ zou kunnen opkomen, maar geen erkenning verdient. [41]
geheelvoor rekening van de overheid, dan mag de bate van de waardestijging die het gevolg is van (het plan voor) het lucratieve werk aan de eigenaar worden ontnomen.
overheidswerkenworden geëlimineerd, dunkt mij alleszins juist, mits men in het oog houdt dat die maatstaf ziet op het geval dat het werk waarvoor onteigend wordt, niet door de onteigenaar zelf wordt gerealiseerd.
voor rekening en risico vaneen of meer van zulke rechtspersonen tot stand wordt gebracht. Dat het werk wordt gerealiseerd door een private rechtspersoon sluit dus niet uit dat van een overheidswerk sprake kan zijn. Wordt het werk met uitsluitend publieke middelen gerealiseerd en liggen ook de risico’s van die realisatie bij de overheid, dan is dat voor de kwalificatie als ‘overheidswerk’ voldoende.