Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
speedily”) kunnen laten beoordelen door een gerecht dat de bevoegdheid heeft om de invrijheidstelling te bevelen indien de vrijheidsbeneming onrechtmatig blijkt te zijn [7] . De vereiste mate van ‘
speediness’is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het vereiste is bij een behandeling in hoger beroep minder strikt dan in eerste aanleg, maar ook dan geldt dat de procedure zonder dralen moet worden afgewikkeld. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de ‘
speediness’zijn onder meer: de complexiteit van de procedure, het gedrag van de nationale autoriteiten en van de betrokkene zelf, de vraag wat er voor de betrokkene op het spel staat en eventuele bijzondere kenmerken van de procedure (zie
Guidenr. 261). De rechtspraak van het EHRM over deze verdragsbepaling is omvangrijk. Aan de
Guide on Article 5 of the European Convention on Human Rights [8] ontleen ik de volgende hoofdpunten, voor zover van belang voor gevallen waarin een rechtmatig aangevangen gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis wordt voortgezet. Na een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een geestelijke stoornis (als bedoeld in art. 5, lid 1 onder e, EVRM) moet hetzij periodiek ambtshalve, hetzij op verzoek van de patiënt, de rechtmatigheid van het voortzetten van de vrijheidsbeneming kunnen worden getoetst. Deze nieuwe beoordeling moet berusten op actuele medische informatie. Uit de rechtspraak van het EHRM valt niet met zekerheid op te maken hoeveel dagen mogen verstrijken voordat de rechter over de rechtmatigheid van voortzetting van de vrijheidsbeneming beslist [9] . In het arrest Winterwerp/Nederland, reeds aangehaald, werd een tijdsverloop van twee weken tussen opeenvolgende machtigingen niet ‘
unreasonable or excessive’geoordeeld [10] . In het arrest Erkalo/Nederland uit 1998, betreffende de verlenging van een t.b.s., werd een tijdsverloop van 82 dagen, veroorzaakt door een administratieve fout, in strijd met art. 5
lid 1EVRM geacht [11] . In het arrest Minjat/Zwitserland uit 2003 (verlenging van voorlopige hechtenis) werd een vrijheidsbeneming van minder dan een maand, veroorzaakt door de vernietiging in hoger beroep van een rechterlijke beslissing, toelaatbaar geacht [12] . In het arrest Khudoyorov/Rusland uit 2006 (verlenging van voorlopige hechtenis) ging het om tijdsverloop van meer dan een jaar tussen de vernietiging in cassatie en de daarop volgende beslissing na verwijzing. Het EHRM achtte dit tijdsverloop in strijd met art. 5 lid 4 EVRM Pro, omdat geen reden was opgegeven voor de voortgezette detentie na verwijzing en aan die detentie ook geen tijdslimiet was verbonden, terwijl de verdachte toen al twee en een half jaar in detentie verbleef en nog steeds in onzekerheid verkeerde over de gronden waarop zijn vrijheidsbeneming was gebaseerd [13] . Van de Nederlandse rechtspraak vermeld ik hier slechts dat de Hoge Raad in 1986 heeft geoordeeld dat een verlengingsprocedure van 111 dagen (ofschoon “langer dan in het algemeen wenselijk is te achten”) de toets aan art. 5 lid 4 EVRM Pro kon doorstaan [14] .
oud)in het ziekenhuis worden gehouden (tenminste indien vóór het verloop van de geldende machtiging een ‘verlengingsvordering’ is ingesteld), doch niet gezegd kan worden dat gedurende deze korte periode de (geëxpireerde) machtiging doorloopt. In geval van het verlenen van de aansluitende machtiging werkt deze dan ook (op grond van artikel 20, vierde lid) terug tot het tijdstip waarop de vorige machtiging door tijdsverloop haar rechtskracht verloor.”
kande duur daarvan op een kortere periode dan het wettelijk maximum bepalen.
nietaan de orde zijnde – geval dat de geldigheidsduur van de lopende verblijfsmachtiging is verstreken zonder dat de officier van justitie bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging (tot voortgezet verblijf), ontbreekt vanaf dat tijdstip een rechtsgrond om de patiënt onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven. In die situatie moet de geneesheer-directeur terstond en onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verlenen, tenzij een voortzetting van het verblijf op vrijwillige basis mogelijk is en de patiënt daartoe bereid is.
kanbij de bepaling van die geldigheidsduur ook rekening houden met het aantal dagen waarmee hij de in art. 17 lid 2 bedoelde Pro termijn heeft overschreden. Hij is daartoe echter niet verplicht. Indien hij daartoe geen termen aanwezig acht, is hij in beginsel tot motivering daarvan niet gehouden.” [33]
waiver’), mits dit vrijwillig en ondubbelzinnig wordt gedaan. Anders dan de vier weken-termijn in rov. 3.2.3, lijkt de termijn van twee maanden in rov. 3.2.4 mij door de Hoge Raad meer bedoeld als een ‘vuistregel’ met behulp waarvan invulling kan worden gegeven aan het begrip ‘binnen korte tijd’ (‘
speedily’) in art. 5 lid 4 EVRM Pro. Hierop duidt ook de toevoeging in rov. 3.2.4, dat deze termijn van twee maanden zo nodig kan worden verlengd met een korte periode om alsnog een contra-expertise te verkrijgen.
bij wijze van analogieeen beslistermijn van ten hoogste vier weken, doch met een andere aanvangsdatum, als norm hanteert.
ex nuncstrookt met vaste rechtspraak van het EHRM die meebrengt dat de rechter, die een oordeel moet geven over de rechtmatigheid van een vrijheidsbeneming, zich niet mag beperken tot de constatering dat in het verleden ooit op goede gronden aan die persoon de vrijheid is ontnomen op de voet van art. 5, lid 1 onder e, EVRM (geestelijke stoornis). Een geestelijke stoornis en een daardoor veroorzaakt gevaar kunnen in de loop van de tijd veranderen. Periodiek, in ieder geval wanneer een vordering/verzoek tot verlenging of een verzoek tot opheffing van de vrijheidsbeneming aan de orde is, moet de rechter aan de hand van de dan actuele toestand toetsen of nog steeds wordt voldaan aan alle vereisten voor de vrijheidsbeneming [40] .
onherroepelijkheeft beslist over het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie. Dat kan een tijdvak omvatten van meer dan een jaar.
onherroepelijkop dat inleidend verzoek is beslist. Weliswaar brengt de eerste beschikking van de rechtbank waarbij een aansluitende machtiging wordt verleend met onmiddellijke ingang een nieuwe verblijfstitel tot stand, die uitvoerbaar bij voorraad is [43] , maar die beschikking is dan nog niet onherroepelijk. Deze ‘nawerking’ is het ene gezicht van de bovengenoemde Januskop.
analogetoepassing van de wettelijke beslistermijn in de fase na cassatie en verwijzing. Als bezwaar daartegen zou kunnen worden aangevoerd dat het succesvolle cassatieberoep tegen de eerste beschikking van de rechtbank leidt tot een “de facto langere machtiging” [44] . Ten einde dat effect te voorkómen stelde Asser voor, de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging te verkorten tot één jaar, gerekend vanaf de dagtekening van de gecasseerde rechtbankbeschikking. NJ-annotator De Boer toonde zich niet afkerig van het eerste voorstel van Asser (analoge toepassing na cassatie en verwijzing van een beslistermijn zoals die welke voor de rechtbank in eerste aanleg geldt, maar met een andere ingangsdatum). De Boer zette vraagtekens bij het tweede voorstel van Asser (het verkorten van de geldigheidsduur), omdat een cassatieprocedure ertoe kan leiden dat de door Asser bedoelde termijn van één jaar, gerekend vanaf de datum van uitspraak van de gecasseerde beslissing, grotendeels verstreken is tegen de tijd dat de rechter na verwijzing alsnog over het inleidend verzoek van de officier van justitie beslist.
gerekend vanaf de ontvangst van de beslissing van de Hoge Raad op het eerste cassatieberoep. Tussen de ontvangst van de beschikking van de Hoge Raad (27 juni 1996) en de beschikking van de verwijzingsrechter (13 augustus 1996) lagen ruim zes weken. De Hoge Raad verwierp deze klacht, onder verwijzing naar de overweging van de rechtbank “dat gelet op dit verloop [lees: het verloop van de procedure na verwijzing] en het ontbreken van een wettelijke termijn, de onderhavige beslistermijn redelijk is te achten”. De Hoge Raad voegde hieraan toe:
ex nunc’) – de mogelijkheid heeft om aan de door hem te verlenen machtiging de volle wettelijke looptijd te geven vanaf de dagtekening van zijn beschikking.
afwijzingvan het verzoek van de officier van justitie en de officier van justitie tegen die beslissing beroep in cassatie instelt, het stelsel van art. 48 lid 1 Wet Pro Bopz tot gevolg heeft dat het onvrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis na het verstrijken van de lopende machtiging wordt voortgezet totdat
onherroepelijkop het verzoek van de officier om een aansluitende machtiging is beslist.
Wet zorg en dwangregelt het opnemen van onvrijwillige zorg in het zorgplan in de artikelen 10 – 11. Indien de cliënt of zijn vertegenwoordiger zich verzet tegen de uitvoering van het zorgplan of bepaalde onderdelen daarvan, wordt aan dat zorgplan (of die onderdelen daarvan) slechts uitvoering gegeven indien met toepassing van artikel 13 is Pro vastgesteld dat uitvoering noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig nadeel (zie art. 12 lid 1 Wzd Pro). Artikel 15 regelt Pro het uitvoeren van onvrijwillige zorg in een situatie waarin het zorgplan redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien of in een noodsituatie die zich voordoet in de periode dat nog geen zorgplan is vastgesteld. Opname en verblijf in een accommodatie is mogelijk vrijwillig en op basis van een indicatie van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ; zie art. 21 – 23 Wzd) of, indien de cliënt of zijn vertegenwoordiger zich tegen opname verzet, op basis van een rechterlijke machtiging (art. 24 e.v. Wzd); in crisissituaties is zodanige opname mogelijk op grond van een beschikking van de burgemeester tot inbewaringstelling van de betrokkene (art. 29 e.v. Wzd). De procedure voor het verlenen van een rechterlijke machtiging is geregeld in de artikelen 38 – 43 Wzd. Blijkens art. 39 Wzd Pro heeft een machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na dagtekening (lid 4). Indien een cliënt al op grond van een machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verblijft, kan de rechter een eerstvolgende machtiging tot opname en verblijf verlenen met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaren ten aanzien van cliënten met een verstandelijke handicap en ten hoogste vijf jaren ten aanzien van cliënten met een psychogeriatrische aandoening. De daarop volgende machtigingen kunnen worden verleend voor telkens een periode van ten hoogste vijf jaren (lid 5).
Wet verplichte ggzzich niet tot opneming en verblijf van patiënten in een psychiatrisch ziekenhuis. Voor uiteenlopende vormen van verplichte zorg [49] , ambulant of intramuraal, kan de rechtbank een zorgmachtiging verlenen. De zorgmachtiging is geregeld in de artikelen 6:1 tot en met 6:6 Wvggz. De voorbereiding van een zorgmachtiging is geregeld in het vijfde hoofdstuk van deze wet. Een van de mogelijke vormen van verplichte zorg is een onvrijwillige opneming in een ‘accommodatie’ (zie art. 3:2, lid 2 onder j, Wvggz). De rechtbank doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging en in ieder geval binnen de in art. 6:2 Wvggz Pro genoemde, op het verzoek toepasselijke beslistermijn. Indien het verzoek strekt tot het verlenen van een (op de voorgaande zorgmachtiging) aansluitende zorgmachtiging, bedraagt de beslistermijn drie weken. Deze termijn wordt gerekend vanaf de dag van ontvangst van het verzoek van de officier van justitie (zie art. 6:2, lid 1, onder e, Wvggz). Indien de laatste dag van een wettelijke beslistermijn valt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet, wordt de beslistermijn van rechtswege verlengd tot de eerstvolgende werkdag; zie art. 6:2 lid 2 Wvggz Pro [50] .
onherroepelijkop het verzoekschrift heeft beslist”. Een beslissing op dit punt zal ook gevolgen hebben voor de uitleg van de artikelen 7:5 en 7:10 Wvggz en van art. 48 lid 1 Wzd Pro.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachthoudt in dat de rechtbank na cassatie en verwijzing ten onrechte geen (analoge) toepassing heeft gegeven aan de beslistermijnen die volgens de Wet Bopz of volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad gelden voor de uitvoering van een contra-expertise en daarna bij het nemen van een beslissing over het verzoek van de officier van justitie. Meer concreet is betoogd dat de rechtbank uiterlijk 9 maart 2018 (vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad) had moeten beslissen op het verzoek om contra-expertise. Het deskundigenrapport had uiterlijk twee maanden daarna, op 9 mei 2018, ter griffie ingeleverd moeten worden. Uiterlijk vier weken daarna, dus op 6 juni 2018, had de rechtbank een beslissing moeten geven op het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie. In aanvulling klaagt betrokkene dat de rechtbank op een ontoelaatbare wijze deze termijnen heeft opgerekt, door de ter zitting van 1 mei 2018 genomen beslissing tot toewijzing van het verzoek om contra-expertise pas zes weken later, bij beschikking van 14 juni 2018, op schrift te stellen.
tweede klachthoudt in dat de rechtbank heeft nagelaten na cassatie en verwijzing het onderzoek spoedig te hervatten en op korte termijn (‘
speedily’) te beslissen. Evenmin heeft de rechtbank gewaakt tegen onredelijke vertraging van de procedure (art. 20 Rv Pro).
derde klachtbouwt voort op de vorige klachten. Zij houdt in dat de rechtbank, gelet op het onredelijke tijdsverloop, de termijnoverschrijdingen en andere vertragende onregelmatigheden in de procedure, de geldigheidsduur van de machtiging had moeten verkorten tot 6 juni 2019 (één jaar nadat volgens het middel de beslistermijn na cassatie en verwijzing verstreek).
’speedily’in art. 5 lid 4 EVRM Pro – voor de tijd die de rechter na cassatie en verwijzing ter beschikking staat om een beslissing te nemen op een verzoek om contra-expertise.
speedily’) heeft plaatsgevonden. In deze zaak doet zich echter een aantal bijzonderheden voor:
speedily’) staat dit toe, omdat rekening mag worden gehouden met de omstandigheden van het geval. In de gegeven omstandigheden kan de voortgang m.i. nog worden aangemerkt als passend binnen de termijn van art. 5 lid 4 EVRM Pro. De in alinea 3.3 onder (i) genoemde duur van de procedure vóór de inwilliging van het verzoek om contra-expertise levert in dit geval geen grond op voor cassatie.