Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eindevan de beoordeling staat – de rechter mag niet reeds bij de daaraan voorafgaande beoordeling van wat de wederpartij inderdaad redelijkerwijs behoorde te begrijpen, zich geheel of gedeeltelijk afsluiten van de context die aan de schriftelijke mededeling mede haar betekenis geeft.
kan begrijpenwelk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. [9] Ook de kwestie van de identiteit van de vordering staat aldus in de sleutel van de wilsvertrouwensleer en daarvoor geldt daarom ook wat hiervoor is gezegd over de bij de uitleg van de schriftelijke verklaring in aanmerking te nemen context.
eerste klacht, het onderdeel onder A,is het oordeel van het hof dat het beroep op verjaring slaagt niet toereikend gemotiveerd omdat het hof in zijn bespreking van de context waarin de brief van 11 september 2008 en de overige correspondentie moeten worden uitgelegd niet ook de e-mail van van 18 april 2008 heeft betrokken, ondanks het beroep dat Pluvezo op die e-mail mede had gedaan. [11]
vanaf18 april 2008 tot en met 11 september 2008 – hiervoor onder 2.1.11 en 2.1.12, in navolging van het hof, door mij
verkortweergegeven – meer volledig tot zich neemt. In de e-mail van 18 april 2008 is door [betrokkene 1] niet slechts in een enkel zinnetje (het zinnetje hiervoor onder 2.1.11 geciteerd) om schadeloosstelling gevraagd voor de schade door het niet terugbetalen van leningen die zonder zekerheden en zonder toestemming van de aandeelhouders zijn verstrekt en inmiddels oninbaar gebleken. Nee, het verwijt waarop die gepretendeerde vordering volgens [betrokkene 1] berustte, was in een passage die aan dat zinnetje voorafging ook met veel nadruk uitgewerkt. Ik citeer het vorige blad van de print van de e-mail die als productie 8 bij inleidende dagvaarding is overgelegd:
vanafde e-mail van 18 april 2008 (of eventueel eerder). Ik duidde al aan dat voorafgaande aan de brief van 11 september 2008 van een inhoudelijke reactie van de zijde van [verweerder 2] en diens advocaat niet of nauwelijks sprake is geweest. Dat pleit uiteraard niet voor een uitleg volgens welke de brief van 11 september 2008 uitsluitend zag op contractuele aanspraken en niet ook op de in de e-mail van 18 april 2008 zo duidelijk verwoorde aanspraak uit hoofde van onbehoorlijk bestuur. Ook verwijst [betrokkene 1] in zijn brief niet naar ‘afspraken [met] en verplichtingen [van]’ [verweerster 1] zonder meer, maar met de toevoeging ‘waar… wij ( [verweerder 2] en ik) over praten’, wat mijns inziens kan worden opgevat als mede een verwijzing naar de tussen [betrokkene 1] en [verweerder 2] gevoerde correspondentie, met inbegrip van de e-mail van 18 april 2008. Verder frappeert mij de overeenstemming tussen de woordkeuze in de zinsnede uit de brief van 11 september 2008: ‘Helaas zijn de bedragen, die [verweerster 1] , voortvloeiende uit afspraken nog moet betalen/verrekenen door de jaren heen volledig uit de hand gelopen…’ (brief van 11 september 2008), en het begin van de passage uit de e-mail van 18 april 2008 zoals hiervoor onder 3.11 geciteerd: ‘Het is (...) daarna kompleet uit de hand gelopen…’. Laatstbedoelde passage ziet onmiskenbaar op de beweerde vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur. Weliswaar wordt in de eerstbedoelde passage gesproken over bedragen die moeten worden betaald of verrekend ‘voortvloeiende uit afspraken’, maar het valt mijns inziens te betwijfelen of dat bepalend kan zijn. De geldleningen hebben plaatsgevonden met vermogen dat, kort gezegd, door [betrokkene 1] bij [verweerster 1] was gestald en waarover tussen [betrokkene 1] en [verweerder 2] afspraken waren gemaakt. Het komt mij daarom weinig overtuigend voor dat het door het hof gemaakte (juridische) onderscheid tussen aanspraken uit hoofde van enerzijds
de omtrent het gestalde vermogen gemaakte afsprakenen anderzijds onbehoorlijk bestuur
van de vennootschap waar dat vermogen werd gestald, beslissend zou zijn voor wat [verweerster 1] en [verweerder 2] wel of niet redelijkerwijs als de bedoeling van (de agrarische ondernemer) [betrokkene 1] dienden te begrijpen.
tweede klacht van onderdeel 1 (onder B)veronderstelt dat het hof de e-mail van 18 april 2008 wél in zijn oordeel heeft betrokken, en klaagt voor dat geval dat niet begrijpelijk is dat ook deze e-mail niets zou inhouden waaruit moesten begrijpen dat [betrokkene 1] een vordering uit onbehoorlijk bestuur op hen pretendeerde, nu tussen partijen niet in geschil is dat de e-mail van 18 april 2008 als stuitingshandeling kan worden aangemerkt. Mijns inziens bestaat geen aanleiding voor de veronderstelling dat het hof de e-mail van 18 april 2008 wél in zijn oordeel heeft betrokken. De klacht is door de cassatieadvocaten van Pluvezo kennelijk zekerheidshalve opgeworpen.
onderdeel 3 onder Bacht ik minder sterk omdat deze klacht alleen een verband lijkt te leggen tussen de vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur en de vordering tot terugbetaling van de lening. Laatstbedoelde vordering is een vordering op [C] en niet op [verweerster 1] , tot wie de brief van 11 september 2008 zich richtte. Mijns inziens heeft het hof de vordering tot terugbetaling van de lening ook niet begrepen onder de vordering tot ‘nakoming van financiële afspraken/bedragen te betalen/verrekenen voortvloeiend uit afspraken tussen [verweerder 2] en [betrokkene 1] gemaakt bij het aangaan van de samenwerking in 1995 en toezeggingen tot nakoming van die afspraken door [verweerder 2] nadien gedaan’ waarop volgens het hof de brief van 11 september 2008 uitsluitend ziet.