De zaak betreft een werknemer die op 22 december 1998 arbeidsongeschikt raakte door een ongeval bij zijn werkgever. De verzekeraar van de werkgever erkende op 8 november 2001 aansprakelijkheid en betaalde voorschotten voor de schade. De werknemer vorderde later vergoeding van de resterende schade, maar de werkgever beriep zich op verjaring. De kantonrechter en het hof wezen de vordering af wegens verjaring, omdat zij oordeelden dat de latere betalingen geen nieuwe erkenning van aansprakelijkheid vormden.
De Hoge Raad stelt dat de erkenning van aansprakelijkheid door de verzekeraar namens de werkgever de verjaring stuit en dat de verzekeraar ook bij schadeafwikkeling als vertegenwoordiger van de werkgever mag worden beschouwd, tenzij anders is medegedeeld. Hierdoor staat de aansprakelijkheidsvraag niet meer ter discussie, en is alleen de omvang van de schadevergoeding nog aan de orde.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de werkgever in de kosten van het cassatieproces.