Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte in de aanvulling van het verkorte arrest de grondslag voor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gewijzigd.
“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Beginvermogen op 8 augustus 2007: € 1.972,36
Eindvermogen op 15 maart 2011:
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel via de vermogensvergelijking.
(…)
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd toepassing heeft gegeven aan artikel 36e Sr zoals deze bepaling luidt sinds de wetswijziging van 1 juli 2011, terwijl de strafbare feiten waaruit het voordeel zou zijn verkregen dateren van vóór deze wetswijziging.
“de veroordeelde door middel van of uit de baten van strafbare feiten voordeel heeft genoten”. De door het hof gebruikte bewoordingen maken niet direct inzichtelijk of het hof toepassing heeft willen geven aan artikel 36e, tweede lid (oud of nieuw), Sr dan wel aan artikel 36e, derde lid (oud of nieuw), Sr.