Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
29 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd veroordeeld voor feiten gepleegd vóór 1 juli 2011, waarna het hof een betalingsverplichting oplegde zonder dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) was ingesteld.
De Hoge Raad bespreekt de wetswijziging van 1 juli 2011, waarbij het vereiste van een sfo voor toepassing van art. 36e.3 Sr is vervallen. Gelet op het legaliteitsbeginsel moet deze nieuwe regeling echter niet retroactief worden toegepast op feiten van vóór die datum zonder sfo. Het hof heeft dit miskend, maar dit leidt niet tot cassatie wegens gebrek aan voldoende belang van de betrokkene.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot vermindering van de betalingsverplichting van € 97.211,18 naar € 92.211,18. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest slechts voor zover de hoogte van de betalingsverplichting betreft.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 92.211,18 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt dat de nieuwe regeling van art. 36e.3 Sr niet retroactief zonder sfo toepasbaar is.